Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2697

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
C/08/214349 / HA ZA 18-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfgrensreconstructie. Verjaring met betrekking tot strook grond. Goede trouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/480
Belastingblad 2018/413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/214349 / HA ZA 18-80

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [B],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. B. Korvemaker te Leeuwarden,

tegen

1 [X] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [Y],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. N.D. Wassink te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en [X] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 april 2018, abusievelijk is daarin niet vermeld dat de zaak bij vonnis van 29 november 2017 van de rechtbank Noord-Nederland is verwezen naar de rechtbank Overijssel;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2018 en de daaraan gehechte stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] c.s. en [X] c.s. zijn buren.

2.2.

[X] c.s. zijn eigenaar van een woning en de kadastrale percelen gemeente [woonplaats] [sectie 1 perceel a en b] , plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] .

[X] c.s. hebben hun woning in 1995 gekocht en zijn door middel van verkrijgende verjaring eigenaar geworden van een strook grond aan de voorzijde van hun perceel, dat voorheen van de gemeente was.

2.3.

[A] c.s. zijn eigenaar van een woning en de kadastrale percelen gemeente [woonplaats] [sectie 2 perceel c en d] , plaatselijk bekend als [adres 2] te [woonplaats] . [A] c.s. hebben hun woning in 2003 gekocht en zijn door middel van verkrijgende verjaring eigenaar geworden van een strook grond aan de voorzijde van hun perceel, dat voorheen van de gemeente was.

2.4.

In 2003 is tussen partijen gesproken over de erfgrens. De feitelijke erfafscheiding tussen de percelen van [A] c.s. en [X] c.s. is toen niet gewijzigd.

2.5.

Op 28 augustus 2012 hebben [A] c.s. een kadastrale erfgrensreconstructie laten uitvoeren door het kadaster. Het relaas van bevindingen van het kadaster houdt het volgende in:

KAARTJE (niet opgenomen)

2.6.

De feitelijke erfafscheiding wijkt af van de kadastrale erfgrens. Aan de voorzijde van de percelen staat onder meer een fietsenschuur van [X] c.s. over de kadastrale erfgrens. Aan de achterzijde van de percelen is een hekwerk als erfafscheiding over de kadastrale erfgrens geplaatst.

Ter gelegenheid van de comparitie hebben [X] c.s. hetzelfde relaas van bevindingen overgelegd, waarop door [X] c.s. de feitelijke situatie is ingetekend, als volgt:

KAARTJE (niet opgenomen)

2.7.

[A] c.s. en [X] c.s. hebben in 2012 in de Koperen Tuin met elkaar gesproken, onder meer naar aanleiding van een zakelijk geschil. Toen is ook over de kadastrale erfgrensreconstructie van het kadaster gesproken.

2.8.

Bij brief van 22 juni 2017 hebben [A] c.s. onder meer het volgende aan [X] c.s. bericht:
Doordat we door de Provincie Fryslan gesommeerd zijn ons prieel aan het water weg te halen zijn we genoodzaakt om een andere plek op ons perceel hiervoor in te richten. (…)
Zoals jullie bekent komt de kadastrale lijn niet overeen met de huidige situatie, in onze herinrichtingsplannen willen we deze echter hanteren. (…)
Wij verzoeken jullie om uiterlijk 1 oktober 2017 de grond vrij van obstakels op te leveren (…)

2.9.

Bij brief van 14 augustus 2017 hebben [X] c.s. daarop onder meer als volgt afwijzend op gereageerd:
1. Op 17-11-1995 is onze woning en grond door ons aangekocht en hebben we in overleg met de toenmalige buren, de familie [D] ., de grensafscheiding samen bepaald en afgeschermd met een hek. De grond is vanaf dat moment door ons te goeder trouw in gebruik genomen en onderhouden, wat nooit is betwist. Toen jullie de woning hebben aangekocht van de familie [D] hebben jullie het in deze situatie gekocht, aanvaard en niet betwist. (…)

3. Op 28-08-2012 is op verzoek van jullie door het kadaster de erfafscheiding bepaald. De betreffende grond was toen dus al bijna 17 jaar door ons gebruikt en onderhouden, te goeder trouw. Na deze opmeting is de bestaande erfafscheiding niet aangepast naar de nieuw bepaalde erfafscheiding.
4. Op 22-2017 verzoek je ons om de grond vrij te maken van obstakels en op te leveren, welke op dat moment dus al ruim 21 jaar door ons te goeder trouw is gebruikt.

2.10.

Bij brief van 22 augustus 2017 hebben [A] c.s. onder meer het volgende aan [X] c.s. bericht:
Ten tijde van de aankoop van ons pand (…) hebben wij gezamenlijk de op dat moment aanwezige erfgrensafscheiding besproken. Jullie hebben ons er toen op gewezen dat de gehanteerde grenslijnen niet overeenkwamen met de daadwerkelijke kadastrale grenslijnen. Daarbij is duidelijk afgesproken om de lijnen te hanteren zoals ze er lagen totdat er eventuele onderlinge onenigheid zou ontstaan. (…) Naar gebleken bevond de onderlinge verstandhouding rond 08-2012 zich op een dusdanig dieptepunt dat wij ons genoodzaakt zagen om de grenzen door het kadaster te laten bepalen. (…) Om de verstandhouding te verbeteren is er een gesprek geweest (…) in de Koperen Tuin. Daarbij is ook de hierboven genoemde afspraak ter tafel gekomen. Wij hebben destijds omwille van onze verstandhouding gekozen om de kadastrale grenslijnen niet te handhaven omdat we jullie daarmee zouden verplichten om het fietsenhok te verplaatsen, en de tuin opnieuw in te richten, met de daarbij behorende kosten. Nu de omstandigheden zijn zoals ze nu zijn eisen wij de grond terug waarop wij kadastraal recht hebben. (…)

2.11.

[X] c.s. hebben bij brief van 23 augustus 2017 onder meer het volgende aan [A] c.s. bericht:
Het gesprek (…) in de Koperen Tuin heeft plaatsgevonden om jou de gelegenheid te geven je argumentatie toe te lichten waarom je het kadaster hebt ingehuurd (…) Er zijn toen geen afspraken gemaakt en/of vastgelegd over het hoe of wanneer en op welke gronden de nieuw vastgestelde erfafscheiding gewijzigd zou moeten worden.

Tekst

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] c.s. vorderen samengevat en na wijziging van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat [A] c.s. eigenaar zijn van de volledige kadastrale percelen gemeente [woonplaats] [sectie 2 perceel c en d] ;

2. [X] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis de onder 1. bedoelde percelen te ontruimen en ontruimd te houden op straffe van een dwangsom, met dien verstande dat [X] c.s.
- de berging [de rechtbank begrijpt: de fietenschuur] voor zover geplaatst op [perceel c ] dienen te verwijderen;
- de bestrating voor zover aanwezig op [perceel c ] dienen te verwijderen;
- gerechtigd maar niet verplicht zijn tot verwijdering van de door hen aangebrachte beplanting, voor zover aanwezig op de [perceel c ] en [perceel d] ;

3. voorwaardelijk, voor het geval in rechte zou worden geoordeeld dat het (reconventionele) beorep op verjaring van [X] c.s. terecht zou zijn:
a) te verklaren voor recht dat [X] c.s. jegens [A] c.s. onrechtamtig hebben gehandeld door de strook grond in bezit te hebben genomen, terwijl zij wisten (of hadden moeten (kunnen) begrijpen) dat zij van die strook geen eigenaar waren;

b) [X] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot levering van de strook grond aan [A] c.s. binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, met beapling dat als [X] c.s. daartoe in gebreke blijven het vonnis in de plaats treeds van de voor het opmaken van de notariele leveringsakte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van gedaagden.
4. [X] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[X] c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[X] c.s. vorderen samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat [X] c.s. de strook grond aangegeven in geel op de tekening overgelegd als productie 2 bij de conclusie van antwoord middels verjaring hebben verkregen met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van de procedure.

3.5.

Productie 2 bij conclusie van antwoord betreft het volgende:
KAARTJE (niet opgenomen)

3.6.

[A] c.s. voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door [X] c.s. op het relaas van bevindingen van het kadaster ingetekende feitelijke situatie, als bijlage II gehecht aan dit vonnis, ongeveer overeenkomt met de nu bestaande situatie, met dien verstande dat de intekening niet op schaal is gemaakt. Tussen partijen staat ook vast, dat de fietsenschuur van [X] c.s. en de bestrating daarnaartoe zich deels bevinden op het kadastrale perceel van [A] c.s.. Kern van het geschil betreft de vraag of [X] c.s. door middel van verjaring eigenaar is geworden van de strook grond waarop de feitenschuur met bestrating is gelegen, zoals ook geel gearceerd weergegeven op bijlage III bij dit vonnis.

4.3.

[X] c.s. heeft daartoe aangevoerd dat hij sinds de aankoop van zijn woning in 1995 langer dan 20 jaren bezitter is van de strook grond. De huidige erfafscheiding is er al sinds 1996. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben [X] c.s. onder meer verwezen naar getuigenverklaringen van [K] en [L] . [K] heeft, voor zover relevant, verklaard dat vanaf juli 1996 een hok aanwezig is aan de [adres 1] te [woonplaats] . [L] heeft kort gezegd en voor zover relevant verklaard dat hij in 1996 bij [X] c.s. de tuin heeft aangelegd bij hun woning en dat [X] c.s. toen bezig was met de opbouw van de schuur op de plek waar de schuur nu staat. Ter comparitie heeft [X] c.s. toegelicht dat naast de fietsenschuur een houten hek stond. Dat hek stond er al toen [X] c.s. de woning kochten, maar is inmiddels een keer vervangen op dezelfde plek. Achter de fietsenschuur stond een ijzeren hek. Dat hek was, aldus [X] c.s., ook al aanwezig op het moment van aankoop van de woning in 1995 en staat er nog steeds. In 1996 hebben [X] c.s. aansluitend aan dat ijzeren hek naar achteren over het perceel een houten hekwerk geplaatst, aldus [X] c.s.

4.4.

Volgens [A] c.s. is er geen sprake geweest van bezit door [X] c.s., maar hebben [X] c.s. met zijn rechtsvoorgangers afspraken gemaakt over het gebruik van de grond. Ter onderbouwing daarvan verwijzen [A] c.s. naar de (in r.o. 2.8 weergegeven) brief van [X] c.s. van 14 augustus 2017 waarin [X] c.s. - kort gezegd - hebben geschreven in overleg met de toenmalige buren de grond “in gebruik” te hebben genomen. Verder heeft [A] c.s. naar voren gebracht dat [X] c.s. ten tijde van de aankoop van het perceel van [A] c.s. in 2003 heeft gezegd dat de erfafscheiding afwijkt van de daadwerkelijke erfgrens.

4.5.

[X] c.s. hebben betwist dat zij met de rechtsvoorgangers van [A] c.s., de familie [D] , afspraken hebben gemaakt over het gebruik van het perceel van [D] .

Volgens [X] c.s. zijn zij tot 2012 er altijd vanuit gegaan dat de erfafscheiding juist was (de rechtbank begrijpt: in overeenstemming was met de kadastrale erfgrens). In 2003 heeft [X] c.s. slechts in algemene zin gezegd dat hij niet precies wist hoe de kadastrale erfgrens liep.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. [X] c.s. heeft een beroep gedaan op verjaring, meer in het bijzonder bevrijdende verjaring (artikel 3:306 BW). De rechtbank kan ambtshalve toetsen of sprake is van verkrijgende verjaring (artikel 3:99 BW). Voor verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 BW is bezit te goeder trouw vereist gedurende een onafgebroken periode van tien jaren. Een bezitter die niet te goeder trouw is kan door bevrijdende verjaring eigenaar worden van een strook grond (artikel 3:105 BW). De verjaringstermijn bedraagt in dat geval twintig jaar (artikel 3:306 BW). Bezit is op grond van artikel 3:107 BW het houden van een goed voor zichzelf, wat volgens artikel 3:108 BW moet worden beoordeeld aan de hand van de verkeersopvattingen en op grond van uiterlijke feiten. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingen rust op [X] c.s. de plicht om voldoende feitelijke omstandigheden te stellen waaruit volgt dat gedurende een onafgebroken termijn van tien dan wel twintig jaar van dat bezit sprake is geweest en die feitelijke omstandigheden indien nodig te bewijzen.

4.7.

[X] c.s. hebben onweersproken gesteld dat zij aan hun zijde van het hek dat in 1995 als erfafscheiding diende in 1996 een fietsenschuur hebben gebouwd en bestrating daarnaar toe hebben aangelegd. Zij hebben sindsdien gebruik gemaakt van de door hen gebouwde fietsenschuur en de bestrating daarnaar toe en hebben een en ander onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank maakt die feitelijke situatie duidelijk dat [X] c.s. zich als rechthebbende van de strook grond met fietsenschuur en bestrating hebben beschouwd. Op grond van uiterlijke omstandigheden kon een ieder opmaken dat [X] c.s. pretendeerden eigenaar van de fietsenschuur en de bestrating daarnaar toe te zijn, zodanig dat de rechtsvoorgangers van [A] c.s. tijdig maatregelen had kunnen nemen om een eventuele inbreuk in verband met overbouw te beëindigen.

4.8.

De omstandigheid dat [X] c.s. in een brief aan [A] c.s. hebben geschreven dat zij in overleg met de toenmalige buren, de familie [D] , de grensafscheiding samen hebben bepaald en hebben afgeschermd met een hek en dat zij vanaf dat moment de grond te goeder trouw “in gebruik” hebben genomen, maakt het voorgaande niet anders.
Enkel op grond van het gebruik van deze bewoordingen kan niet worden aangenomen dat tussen [X] c.s. en de familie [D] sprake is geweest van een gebruiksovereenkomst op grond waarvan [X] c.s. houder zijn geworden van de strook grond voor de familie [D] . De omstandigheid dat [X] c.s. in overleg met hun toenmalige buren “de grensafscheiding samen hebben bepaald” wijst eerder op het tegendeel nu het veronderstelt dat partijen de grens van hun beider percelen hebben afgescheiden. Dat strookt ook met wat [X] c.s. daarover heeft verklaard. De rechtbank gaat er dus vanuit dat [X] c.s. de strook grond vanaf 1996 in bezit heeft genomen.

4.9.

[X] c.s. hebben onderbouwd dat sprake is geweest van een onafgebroken bezit van gedurende meer dan 20 jaar. Daarvoor is met name de verklaring van [L] en in mindere mate de verklaring van [K] redengevend.
[A] c.s. hebben dit niet gemotiveerd betwist. [A] c.s. heeft nog wel aangevoerd dat het bezit van [X] c.s. in 2003 zou zijn geëindigd doordat partijen toen een nieuwe afspraak hebben gemaakt, namelijk “de situatie voorlopig te laten zoals het is totdat er onderlinge onenigheid zou ontstaan”. [X] c.s. hebben betwist dat zij (toen) afspraken met [A] c.s. met betrekking tot het gebruik van de strook grond hebben gemaakt. Het had gelet daarop op de weg van [A] c.s. gelegen hun stellingen in dit verband nader te onderbouwen. Nu [A] c.s. dat hebben nagelaten gaat de rechtbank daaraan voorbij.

4.10.

Artikel 3:118 lid 1 BW bepaalt dat een bezitter te goeder trouw is, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. Is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij op grond van artikel 3:118 lid 2 BW geacht dit te blijven. Op grond van artikel 3:118 lid 3 BW wordt de goede trouw vermoed aanwezig te zijn en moet het ontbreken van goede trouw worden bewezen. [A] c.s. heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [X] c.s. niet te goeder trouw zichzelf als rechthebbende van de strook grond mochten beschouwen. Het gegeven dat - na achteraf is gebleken - de kadastrale erfgrens niet overeenkomt met de feitelijke erfgrens acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De stelling van [A] c.s. dat [X] c.s. in 2003 zou hebben gezegd dat de kadastrale erfgrens niet overeenkomt met de feitelijke erfafscheiding is door [X] c.s. betwist. Nu [A] c.s. in dat verband geen bewijsaanbod hebben gedaan gaat de rechtbank ook aan die stelling voorbij.

4.11.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verjaringstermijn ex artikel 3:99 BW van 10 jaren is voltooid. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook de verjaringstermijn ex artikel 3:105 BW van 20 jaren is voltooid, nu niet is gesteld noch gebleken dat de verjaring (al dan niet in 2012 na de erfgrensreconstructie) door [A] c.s. is gestuit.

4.12.

Dat betekent dat de rechtbank tot het oordeel komt dat [X] c.s. door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond (deels) onder hun fietsenschuur en de daarnaartoe aangelegde bestrating, een en ander zoals “geel” weergegeven in productie 2 bij conclusie van antwoord en rechtsoverweging 3.5 van dit vonnis.

4.13.

De op een andere opvatting gebaseerde primaire vorderingen van [A] c.s. zullen daarom worden afgewezen en de in reconventie door [X] c.s. gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

4.14.

Nu is geoordeeld dat het (conventionele) beroep op verjaring van [X] c.s. wordt gehonoreerd is de voorwaarde die [A] c.s. heeft gesteld aan zijn voorwaardelijke vordering onder 3 vervuld, zodat deze beoordeeld moet worden.

4.15.

Volgens [A] c.s. is sprake van bezit te kwader trouw. [A] c.s. doet een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309). Daarin is - kort gezegd - geoordeeld dat een persoon die een zaak in bezit neemt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, jegens die eigenaar onrechtmatig handelt. Op grond daarvan vordert [A] c.s. schadevergoeding in natura, te weten teruglevering van de strook grond.
Uit het voorgaande blijkt echter, dat niet is komen vast te staan dat [X] c.s. ten tijde van het in bezit nemen van de strook grond wisten dat een ander daarvan eigenaar was. [A] c.s. heeft daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. De voorwaardelijke vordering van [A] c.s. zal daarom eveneens worden afgewezen.

4.16.

[A] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.17.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. In deze procedure is geen erfgrensbepaling gevorderd. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] c.s. aan de achterzijde van hun perceel een strook grond in gebruik hebben, dat blijkens de erfgrensreconstructie kadastraal zou toebehoren aan [X] c.s., een en ander zoals oranje weergegeven op de in rechtsoverweging 3.5 weergegeven tekening. De rechtbank geeft partijen in overweging de kadastrale percelen ook met betrekking tot deze strook grond in overeenstemming te (doen) brengen met het feitelijke gebruik daarvan.

4.18.

De kosten aan de zijde van [X] c.s. in conventie worden begroot op:

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.377,00

4.19.

De kosten aan de zijde van [X] c.s. in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat 543,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 543,00)

Totaal € 543,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten in conventie, aan de zijde van [X] c.s. tot op heden begroot op € 1.377,00,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

verklaart voor recht dat [X] c.s. de strook grond aangegeven in geel op de tekening overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord, zoals weergegeven in r.o. 3.5, middels verjaring hebben verkregen,

5.5.

veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [X] c.s. tot op heden begroot op € 543,00,

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.