Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2690

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
08.207521.16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor hennepkwekerij in Goor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.207521.16 (P)

Datum vonnis: 26 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Leunk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander of anderen een hennepkwekerij heeft gehad;

Feit 2: samen met een ander of anderen elektriciteit heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij

op of omstreeks 5 april 2016, in ieder geval op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 5 april 2016

te Goor, gemeente Hof van Twente

in de uitoefening van beroep of bedrijf,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 851, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 851 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

art 11 lid 3 van de Opiumwet

art 11 lid 5 van de Opiumwet

2

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 5 april 2016

te Goor, gemeente Hof van Twente

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Cogas Infra en Beheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit / goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht onder meer af dat op 5 april 2016 in een woning aan de [adres] te Goor drie kweekruimtes werden aangetroffen. In één van de kweekruimtes was een hennepkwekerij met 280 planten aanwezig. Uit technisch onderzoek is gebleken dat de elektriciteit ten behoeve van de kweekruimtes illegaal werd afgenomen. De eigenaar van de woning is medeverdachte [medeverdachte] , de schoonvader van verdachte. De politie heeft gerelateerd dat achter in de laadbak van de auto waar verdachte op 5 april 2016 in reed, resten van gedroogde hennep lagen en schoenen met potgrondresten. Verschillende getuigen, die tijdens een buurtonderzoek door de politie werden gehoord en daarna bij de rechter-commissaris zijn gehoord, hebben onder meer verklaard dat zij verdachte op enig moment uit de woning hebben zien komen met vuilniszakken die vervolgens in een witte auto werden gelegd.

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting onder meer verklaard dat hij op verzoek van zijn schoonvader één of twee keer samen met [naam] , met wie [medeverdachte] een huurovereenkomst had gesloten voor de woning aan de [adres] te Goor, vuilniszakken met afval van de vorige huurders uit de woning heeft gehaald die weggegooid moesten worden. Hierbij is verdachte niets bijzonders in de woning of aan de vuilniszakken opgevallen. Verdachte heeft verklaard dat hij daarna niet meer in de woning is geweest. Verdachte heeft ten stelligste elke betrokkenheid bij de inrichting van de hennepkwekerij en de diefstal van de elektriciteit ontkend.

De rechtbank overweegt dat de inhoud van het strafdossier weliswaar aanwijzingen bevat, die belastend kunnen worden uitgelegd voor verdachte, maar die aanwijzingen leiden niet tot ondubbelzinnig wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij.

5 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018.

Buiten staat

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.