Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2578

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
08.770294-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man is vrijgesproken van betrokkenheid bij grootschalige en stelselmatige palletdiefstal bij het distributiecentrum van het toenmalige supermarktconcern C1000 in Gieten (Drenthe).

3 mannen en 1 vrouw zijn wel veroordeeld. Zij krijgen taakstraffen van 80 tot 240 uur opgelegd. De mannen werkten als heftruck- of vrachtwagenchauffeur. De vrouw profiteerde als echtgenote van de inkomsten uit de illegale handel van haar man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.770294-17

Datum vonnis: 23 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 3] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 juli 2018 en 9 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.L. van den Broek en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. P. Koops, advocaat te Assen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013, al dan niet samen met een ander of anderen, meerdere pallets van C1000 heeft gestolen dan wel heeft verduisterd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

primair

hij op verschillende tijdstippen althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2013 te Gieten, althans gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer pallets, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan C1000 (Schuitema), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder primair geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2013 te Gieten, althans in de gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één of meer pallets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan C1000 (Schuitema), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) pallet(s)/goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) onder zich had(den) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als heftruckchauffeur, althans werknemer, bij/van die C1000 (Schuitema), teneinde daarmee te handelen comform de regels/afspraken van/met en/of in opdracht van die C1000 (Schuitema), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 24 maart 2014 is door [naam] , werkzaam als bedrijfsrechercheur bij het recherchebureau Risc&Fraud Investigations (hierna: R&F I), aangifte gedaan namens C1000. [naam] was door C1000 ingeschakeld omdat er een grote derving was geconstateerd binnen de emballage in het distributiecentrum te Gieten. Met emballage wordt specifiek de voorraad van (onder meer) POOL-pallets bedoeld. Naar aanleiding van deze constatering zijn door het recherchebureau gesprekken gevoerd met alle medewerkers die op de emballageafdeling werkzaam waren. Tijdens de gesprekken is gebleken dat de (POOL) pallets volledig onder verantwoordelijkheid vielen van [verdachte 1] . [verdachte 1] zorgde als heftruckchauffeur voor de aanvoer van de pallets door als enige hierover met leveranciers contacten te onderhouden en hij beheerde ook fysiek de voorraad (POOL)pallets op het buitenterrein van het distributiecentrum. Vastgesteld is dat [verdachte 1] tijdens fysieke tellingen minder pallets aan zijn leidinggevende bleek door te geven dan er feitelijk waren. Nadat [verdachte 1] door het onderzoeksteam met deze gegevens was geconfronteerd, erkende hij zich aan het wegsluizen van enorme hoeveelheden (POOL) pallets schuldig te hebben gemaakt. Deze pallets werden door [verdachte 1] verhandeld aan een voor hem bekende chauffeur, te weten [verdachte 2] , en volgens [verdachte 1] telkens voor € 2,- per pallet verkocht. [verdachte 1] is ongeveer acht jaren geleden met het wegsluizen van de pallets gestart. Wat met een aantal pallets is begonnen, heeft zich ontwikkeld tot een handel van hele vrachtwagens vol pallets. [verdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte in de pallets heeft gehandeld en dat zij de opbrengst daarvan telkens hebben verdeeld. Verdachte zelf ontkent bij de pallethandel betrokken te zijn geweest.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit, te weten de diefstal in vereniging gepleegd.

Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Verdachte en [verdachte 1] konden samen in feitelijke zin over de (POOL) pallets beschikken en zij hebben bij het verhandelen daarvan ook samengewerkt. Uit de stukken blijkt dat verdachte de pallets aan [verdachte 2] ter beschikking stelde als [verdachte 1] er niet was. Het dossier biedt voldoende bewijs om tot de vaststelling te komen dat verdachte betrokken was bij de handel in pallets en dat er tussen hem en [verdachte 1] van een nauwe en bewuste samenwerking sprake is geweest.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, conform de inhoud van een overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd.

Het dossier stroomt over van het bewijs dat [verdachte 1] op eigen houtje en zonder medewerking van verdachte pallets heeft verduisterd. De verklaring van [verdachte 1] zelf, waarin hij stelt dat verdachte bij de pallethandel betrokken was, is kennelijk leugenachtig, innerlijk tegenstrijdig, te vaag en kennelijk afgelegd om zijn eigen schade zoveel mogelijk te beperken. De getuigenverklaringen die in de richting van verdachte als mededader wijzen zijn - kort samengevat - niet redengevend en ongeloofwaardig. Daarbij wordt de bewering van [verdachte 1] dat verdachte de helft van de opbrengst zou hebben gekregen niet door de bewijsmiddelen ondersteund. Daar komt bij dat, anders dan bij [verdachte 1] , niet is gebleken dat verdachte en zijn echtgenote er in de ten laste gelegde periode een buitensporig uitgavenpatroon op na hebben gehouden.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde als volgt.

[verdachte 1] heeft zowel bij de politie als ter zitting van 3 juli 2018 verklaard dat hij en verdachte samen bij de handel in pallets betrokken zijn geweest. Verdachte zelf heeft de betrokkenheid bij de handel en het delen in de opbrengst telkens ontkend. Verdachte heeft verklaard dat het is voorgekomen dat hij in opdracht van [verdachte 1] , onder meer tijdens vakanties, een vrachtwagen met (POOL)pallets heeft geladen. Verdachte heeft naar eigen zeggen ongeveer twee jaar geleden het vermoeden gekregen dat er iets niet in de haak was. Zo was het verdachte wel eens opgevallen dat een lading bestond uit POOL- en EURO pallets terwijl het ongebruikelijk was meerdere soorten in één vrachtwagen te laden. Ook kreeg hij voor de afgifte van de pallets die hij op verzoek van [verdachte 1] laadde geen bon, terwijl dit wel gebruikelijk was. Verdachte ging er echter telkens van uit dat [verdachte 1] de bon zou schrijven. Volgens verdachte was [verdachte 1] de enige die zich met de pallets op het buitenterrein bezighield en werd iedereen door [verdachte 1] duidelijk te verstaan gegeven zich niet met de pallets te bemoeien. De levensstijl van [verdachte 1] was verdachte ook opgevallen.

Het door verdachte geschetste beeld dat [verdachte 1] de gehele palletstroom beheerde, wordt door de overige verklaringen in het dossier, ook door de verklaring van [verdachte 1] zelf, bevestigd. [verdachte 1] hield zich bezig met de aanlevering en afgifte van de pallets en beheerde de pallets op het buitenterrein, waarbij hij telde hoeveel pallets er fysiek aanwezig waren. De door [verdachte 1] gesorteerde pallets werden daarbij nooit in de tellingen van anderen meegenomen. [verdachte 1] was de enige die standaard op de vrijdagmiddag aan het eind van zijn werktijd de pallets telde. Niemand mocht aan de door [verdachte 1] gesorteerde pallets komen, want dan zwaaide er wat. Hoewel door een aantal getuigen is verklaard dat de palletstroom door [verdachte 1] en verdachte werd beheerd, zijn in deze verklaringen vervolgens geen of onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden genoemd waaruit dit ‘tweemanschap’ tussen verdachte en [verdachte 1] kan worden afgeleid. Afgezien van de omstandigheid dat verdachte een enkele keer - in opdracht van [verdachte 1] - een vrachtwagen met pallets heeft geladen en dat hij wel eens is gebeld door de chauffeur die de pallets in kwestie afnam, is er van een verdere actieve betrokkenheid van verdachte bij de handel niet gebleken. Verdachte kon tijdens zijn gewone werkzaamheden ook niet over de pallets beschikken omdat hij zich niet met de pallets maar met de fust bezighield. Daarbij zijn er ook geen getuigen die hebben verklaard dat zij hebben geweten of gezien dat verdachte in de opbrengst heeft gedeeld. De chauffeur [verdachte 2] heeft ook verklaard dat hij enkel aan [verdachte 1] en nooit aan verdachte heeft betaald. De verklaring van [verdachte 1] is wat betreft die betaling aan verdachte ook erg summier en weinig gedetailleerd. Dat verdachte in de ten laste gelegde periode heeft beschikt over meer financiële middelen dan gezien zijn inkomen en dat van zijn echtgenote normaal zou zijn, is ook verder op grond van het dossier niet aannemelijk geworden.

Gezien het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van de rechtbank wat betreft de betrokkenheid van verdachte enkel vast komen te staan dat hij een aantal malen in opdracht van [verdachte 1] pallets heeft ingeladen voor een chauffeur, waarvoor hij afwijkend van een gewone levering geen bon heeft gekregen. De rechtbank acht echter de verklaring van verdachte dat hij er telkens van uit is gegaan dat [verdachte 1] de afhandeling van de bon zou regelen, gezien het gegeven dat [verdachte 1] het alleenheerschappij over de pallets had, niet ongeloofwaardig. Hoewel is gebleken dat verdachte op enig moment het vermoeden heeft gekregen dat [verdachte 1] zich met zaken bezighield die niet klopten, is dit onvoldoende om tot de vaststelling te komen dat verdachte samen met [verdachte 1] pallets heeft gestolen dan wel verduisterd. Zowel het oogmerk van als het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening kan aldus niet bewezen worden verklaard en derhalve zal verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

5 De schade van benadeelden

5.1

De vordering van de benadeelde partij

Jumbo Supermarkten B.V. (met ingang van 29 december 2015 rechtsopvolger onder algemene titel van C1000 Supermarkten B.V.), bijgestaan door mr. W.A. Vader, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij heeft in eerste instantie gevorderd verdachte (hoofdelijk) te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.709.229, te vermeerderen met de proceskosten (€ 11.708,45) en de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening. Ter zitting van 3 juli 2018 heeft de benadeelde partij primair de vordering teruggebracht tot een bedrag van € 1.618.400 (gebaseerd op 119.000 pallets x

€ 13,60 per pallet) en subsidiair tot een bedrag van € 119.000. Namens de benadeelde partij is bepleit dat er geen reden is de benadeelde partij op grond van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk in de vordering te verklaren.

De verdediging heeft de rechtbank op grond van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verzocht de benadeelde partij zonder nader onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. De verdediging heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd.

Op 1 juli 2015 zijn verdachte en [verdachte 1] bij vonnis van de civiele rechter veroordeeld tot vergoeding van de door C1000 geleden schade, nader op te maken bij staat. Dit vonnis is in kracht van gewijsde is gegaan. Deze schade betreft dezelfde schade als thans door de benadeelde partij in deze strafzaak wordt gevorderd. Hoewel daarna tussen partijen is geschikt, is door C1000 een ontbindende voorwaarde ingeroepen waardoor de civiele procedure zich weer in de staat bevindt van na de uitspraak op 1 juli 2015. Het feit dat de civiele rechter de schadestaatprocedure noodzakelijk heeft geacht om de omvang van de schade te bepalen, geeft aan dat de vordering van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is. Behandeling van de vordering zou derhalve een onevenredige belasting van het strafproces vormen.

De officier van justitie heeft zich bij het standpunt en het verzoek van de verdediging aangesloten.

De rechtbank heeft ter zitting van 3 juli 2018 - zakelijk weergegeven - het volgende overwogen en beslist.

De benadeelde partij heeft reeds voor de onderhavige strafprocedure de civiele rechter geadieerd met een vordering die zijn grond vindt in het in deze zaak ten laste gelegde feit. Bij vonnis van de civiele rechter van 1 juli 2015 is verdachte veroordeeld tot vergoeding van de schade van C1000 nader op te maken bij staat. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. De schadestaatprocedure is - gezien de vaststelling dat de na dit vonnis tot stand gekomen schikking kennelijk door Jumbo B.V. is ontbonden - nog steeds aanhangig. Om een doorkruising van deze civiele procedure door een strafrechtelijke procedure omtrent vergoeding van dezelfde schade te voorkomen beslist de rechtbank, conform artikel 333 Sv, dat zonder nader onderzoek van de zaak de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

6. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij Jumbo Supermarkten B.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2018.

Mr. Schaap is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.