Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2577

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
08/730643-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 49-jarige man is veroordeeld voor het met zijn auto opzettelijk aanrijden van een man in een scootmobiel in Almelo. De rechtbank legt de man een voorwaardelijke celstraf op van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en, 240 uur taakstraf en een rijontzegging van 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/730643-17 (P)

Datum vonnis: 23 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie G. Pol en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman R. Oude Breuil, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: de plaats van een door hem veroorzaakt verkeersongeval heeft verlaten.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Almelo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

door met voormeld oogmerk in een door hem, verdachte, bestuurde auto (met hoge

snelheid) tegen/op een scootmobiel (waarin die [slachtoffer] zat/reed) is

gereden (waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke

gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en

welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Almelo op/aan de Brugstraat, op of

omstreeks 14 oktober 2017

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten [slachtoffer] )

letsel en/of schade was toegebracht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, door met een auto in te rijden op iemand die reed in een invalidevoertuig, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die persoon daar zwaar lichamelijk letsel door zou bekomen, zodat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ook het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, nu verdachte dit feit ook heeft bekend.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor beide feiten een bewezenverklaring kan volgen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage aangehechte bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte reed op 14 oktober 2017, ter achtervolging van [slachtoffer] , als bestuurder van een auto over het fietspad op de Brugstraat te Almelo met een snelheid die dusdanig hoog was dat hij [slachtoffer] , die in zijn scootmobiel voor hem reed op dat fietspad, wist in te halen. Verdachte raakte met de voorzijde van zijn auto de achterzijde van de scootmobiel van [slachtoffer] , die daardoor uit zijn scootmobiel viel en enkele kneuzingen en schaafwonden opliep. Na de aanrijding is verdachte zonder te stoppen doorgereden.

Verdachte heeft bekend in aanrijding te zijn gekomen met [slachtoffer] maar heeft verklaard dat dit gebeurde doordat [slachtoffer] plotseling met zijn scootmobiel remde, waardoor verdachte hem niet meer kon ontwijken.

Zowel aangever als de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren dat verdachte op het fietspad met hoge snelheid op verdachte inreed. Geen van hen verklaart dat [slachtoffer] plotseling remde, hetgeen ook niet erg waarschijnlijk is omdat [slachtoffer] zoals hij in zijn aangifte heeft verklaard, voor verdachte op de vlucht was. Evenmin verklaren zij dat verdachte nog probeerde [slachtoffer] te ontwijken. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] plotseling zou hebben geremd, en evenmin dat verdachte zou hebben geprobeerd hem te ontwijken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door bewust met zijn auto het fietspad op te rijden en daar op [slachtoffer] in te rijden, in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daarmee [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juli 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid laatste volzin, Sv;

2. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 18 oktober 2017, pagina’s 6 en 7;

3. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 14 oktober 2017, pagina 13.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 14 oktober 2017 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

door met voormeld opzet in een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid tegen een scootmobiel, waarin die [slachtoffer] reed, is gereden, waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Almelo op de Brugstraat, op 14 oktober 2017 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren, een taakstraf voor de duur van 100 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden. De officier van justitie heeft verzocht de inbeslaggenomen auto verbeurd te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld de eis van de officier van justitie redelijk te vinden, met uitzondering van de ontzegging van de rijbevoegdheid. Het rijbewijs is van groot belang voor verdachte, omdat hij slechte benen heeft en slechts korte stukjes kan lopen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte is met zijn auto ingereden op [slachtoffer] die op dat moment in een scootmobiel op een fietspad reed. [slachtoffer] is als gevolg van de aanrijding ten val gekomen en heeft diverse kneuzingen en schaafwonden opgelopen. Dat het slachtoffer hieraan geen zwaardere verwondingen heeft overgehouden is een kwestie van geluk geweest. Daar komt bij dat in dit geval sprake was van eigenrichting, naar aanleiding van een conflict tussen aangever en verdachte dat al langer speelt. De rechtbank heeft in aanmerking genomen wat er is voorafgegaan aan het voorval, maar verdachte moet zich realiseren dat dit niet de manier is om conflicten op te lossen. Na de opzettelijke aanrijding is verdachte doorgereden, terwijl hij wist dat hij [slachtoffer] schade en/of letsel had toegebracht.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de strafoplegging in soortgelijke zaken bij haar overwegingen betrokken.

Wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 5 juli 2018. Hieruit blijkt dat het langlopende conflict met aangever zorgt voor veel stress bij verdachte. Verdachte heeft al reclasseringstoezicht en positieve ontwikkelingen zijn dat verdachte openstaat voor begeleiding vanuit de reclassering, minder geïsoleerd leeft en ook hulp heeft ingeschakeld voor zijn financiën. De reclassering adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan een drietal bijzondere voorwaarden te verbinden.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 mei 2018 blijkt dat verdachte meermalen met politie en justitie in aanraking is geweest en ook eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten.

Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden een werkstraf voor de duur van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden.

Die (taak)straf is hoger dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank heeft daarom het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf sterk overwogen. De rechtbank heeft daarbij mede gedacht aan een vergelijking met artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, waarbij bij bewezenverklaring van ‘roekeloosheid’ niet zelden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, terwijl de aanrijding in dit geval zelfs aan het opzet van verdachte te wijten is.

De door de reclassering geadviseerde en door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling zal de rechtbank niet opleggen, omdat de reclassering ook concludeert dat te veel verplichtingen averechts werken bij verdachte en de rechtbank het van belang vindt dat het goed lopende reclasseringstoezicht wordt voortgezet.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank wijst het verzoek tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto af, omdat de auto door verdachte naar de sloop is gebracht en verdachte dus niet langer toebehoort als bedoeld in artikel 33a Sr.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 80 uren gevorderd.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt ook hier dat het van belang is dat het reclasseringstoezicht wordt voortgezet en zal daarom geen tenuitvoerlegging gelasten van de straf waaraan dat toezicht is gekoppeld maar zal de proeftijd met een jaar verlengen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 Sr en 176 en 178 WVW 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich houdt aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Veroordeelde moet zich gedurende een door de reclassering bepaalde blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht;

- zal deelnemen aan een gedragsinterventie gericht op het verbeteren van cognitieve vaardigheden, te weten de gedragstraining CoVa, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die gedurende deze gedragsinterventie aan veroordeelde zullen worden gegeven;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 (vier) maanden;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de verlenging van de proeftijd voor de duur van 1 (één) jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2018.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-Noord met nummer PL0600-2017476704. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 18 oktober 2017, pagina’s 6 en 7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op vrijdag 14 oktober 2017 reed ik bevond ik mij in mijn scootmobiel in de omgeving van de Brugstraat/Westerdokstraat te Almelo. Ik zag dat [verdachte] hard in de richting van zijn woning liep. Ik reed toen weg, kort daarna zag ik dat hij achter me aan kwam. Ik reed nog harder weg. Ik kwam toen op de Brugstraat. Plotseling hoorde ik achter mij veel lawaai van een auto, ik hoorde dat de auto erg hard reed en veel toeren maakte. Ik keek in de spiegel en zag dat het de blauwe VW Passat van [verdachte] was. Ik zag dat de auto achter mij op het fietspad reed, de auto gaf vol gas dat hoorde ik. Plotseling vloog ik met veel kracht uit mijn scootmobiel en viel ik keihard op de grond. Ik kwam volgens mij op mijn rug terecht, ik vloog alle kanten op. Ik zag en hoorde toen dat de auto vol gas wegreed in de richting van het station.

Ze hebben (in het ziekenhuis) het volgende letsel geconstateerd: whiplash, diverse kneuzingen en schaafwonden, afgeknapte tanden (2), stuk van kies en veel blauwe plekken op heel mijn lichaam. Alles doet mij zeer.

2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 14 oktober 2017, pagina 13, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Op zaterdag 14 oktober 2017 fietste ik over de Brugstraat op het fietspad. Ik passeerde een man op een scootmobiel. Ik zag toen koplampen op mij af komen. Ik zag een auto mij met hoge snelheid passeren. Hij reed op het fietspad. Toen ik over mijn schouder keek zag ik dat de auto de man op de scootmobiel aanreed. Ik zag de man van de scootmobiel vallen. Ik zag dat de auto de weg weer op reed en zijn weg vervolgde.

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 14 oktober 2017, pagina 15, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Op 14 oktober 2017 fietste ik over het fietspad over de Brugstraat Ik zag een man in een scootmobiel vanuit tegenovergestelde richting aankomen. Hij passeerde mij. Ik zag opeens een auto aan komen rijden over het fietspad in mijn richting. Deze kwam vanuit dezelfde richting als de scootmobiel. Ik moest voor de auto aan de kant met de fiets. De auto reed heel hard. Ik zag dat de auto doorreed over het fietspad en keek daarom achterom. Ik zag dat de auto op de man met zijn scootmobiel inreed. Ik zag dat de auto vol met zijn voorzijde tegen de achterzijde reed van de scootmobiel. Ik zag dat de auto direct doorreed. De auto is niet

gestopt.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-Noord met nummer PL0600-2017476704. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.