Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2574

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
08.770292-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt drie mannen en één vrouw voor hun rol in grootschalige en stelselmatige palletdiefstal bij het distributiecentrum van het toenmalige supermarktconcern C1000 in Gieten (Drenthe). Zij krijgen taakstraffen van 80 tot 240 uur opgelegd. De mannen werkten als heftruck- of vrachtwagenchauffeur. De vrouw profiteerde als echtgenote van de inkomsten uit de illegale handel van haar man. Eén medewerker en zijn vrouw zijn vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.770292-17 (P)

Datum vonnis: 23 juli 2018

Vonnis op tegenspraak tegen:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 juli 2018 en 9 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.L. van den Broek en van hetgeen door verdachte en de raadsman, mr. J.H.S. Kroeze, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013, al dan niet samen met een ander of anderen, meerdere pallets van C1000 heeft gestolen dan wel heeft verduisterd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op verschillende tijdstippen althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 t/m 31december 2013 te Gieten, althans gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer pallets, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Cl000 (Schuitema), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder primair geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2013 te Gieten, althans in de gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één of meer pallets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan C1000 (Schuitema), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) pallet(s)/goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) onder zich had(den) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als heftruckchauffeur, althans werknemer, bij/van die C1000 (Schuitema), teneinde

daarmee te handelen conform de regels/afspraken van/met en/of in opdracht van die C1000 (Schuitema), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 24 maart 2014 is door [naam] , werkzaam als bedrijfsrechercheur bij het recherchebureau Risc&Fraud Investigations (hierna: R&F I), aangifte gedaan namens C1000. [naam] was door C1000 ingeschakeld omdat er een grote derving was geconstateerd binnen de emballage in het distributiecentrum te Gieten. Met emballage wordt specifiek de voorraad van (onder meer) POOL-pallets bedoeld. Naar aanleiding van deze constatering zijn door het recherchebureau gesprekken gevoerd met alle medewerkers die op de emballageafdeling werkzaam waren. Tijdens de gesprekken is gebleken dat de (POOL) pallets volledig onder verantwoordelijkheid vielen van verdachte. Verdachte zorgde als heftruckchauffeur voor de aanvoer van de pallets door als enige hierover met leveranciers contacten te onderhouden en hij beheerde ook fysiek de voorraad (POOL)pallets op het buitenterrein van het distributiecentrum. Vastgesteld is dat verdachte tijdens fysieke tellingen minder pallets aan zijn leidinggevende bleek door te geven dan er feitelijk waren. Nadat verdachte door het onderzoeksteam met deze gegevens was geconfronteerd, erkende hij zich aan het wegsluizen van enorme hoeveelheden (POOL)pallets schuldig te hebben gemaakt. Deze pallets werden door verdachte verhandeld aan een voor hem bekende chauffeur, te weten [verdachte 2] , en volgens verdachte telkens voor € 2,- per pallet verkocht. Verdachte is ongeveer acht jaar geleden met het wegsluizen van de pallets gestart. Wat met een aantal pallets is begonnen, heeft zich ontwikkeld tot een handel van hele vrachtwagens vol pallets. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [verdachte 3] in de pallets heeft gehandeld en dat zij de opbrengst daarvan telkens hebben verdeeld. [verdachte 3] heeft ontkend bij de handel in pallets betrokken te zijn geweest.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het onder primair ten laste gelegde feit, te weten de diefstal in vereniging gepleegd.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft tegen de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde geen verweer gevoerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Afgezien van de vraag welke kwalificatie meer recht doet aan wat feitelijk heeft plaatsgevonden dient te worden bepaald of het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Vaststaat dat verdachte gedurende zeven á acht jaar een eigen, naar het zich laat aanzien, vrij omvangrijke illegale handel met (POOL) pallets heeft gehad. Verdachte heeft bij de binnenkomst van de (POOL) pallets bij het distributiecentrum van de C1000, telkens voor ogen gehad een deel van deze pallets voor eigen gewin en zonder toestemming van de C1000 te verhandelen. Door afwijkende voorraadstanden door te geven aan de werkgever, kon hij als heer en meester beschikken over de pallets en de pallets uit het voorraadoverzicht van de daadwerkelijke eigenaar, namelijk de C1000, houden. Door deze pallets vervolgens voor deze verkoop feitelijk vanaf het terrein van de C1000 weg te nemen, en daarmee aan de macht van de rechthebbende te onttrekken, heeft hij deze pallets aldus telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weggenomen. De diefstal is daarmee wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit met een ander, te weten [verdachte 3] , heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe -kort samengevat- dat verdachte dan wel heeft verklaard dit feit met [verdachte 3] te hebben gepleegd, maar dat deze verklaring niet dan wel onvoldoende door andere bewijsmiddelen wordt gesteund.

De C1000 heeft op basis van voorraadverschillen berekend dat er over de jaren 2008 tot en met 2013 141.022 pallets zijn vermist. Onduidelijk is echter hoe de voorraadvergelijking precies tot stand is gekomen. Verdachte heeft zelf wisselend verklaard over de omvang van de hoeveelheid pallets die in totaal door hem van C1000 zijn weggenomen en vervolgens zijn verhandeld. De chauffeur. [verdachte 2] , met wie verdachte de handel dreef, heeft bij de politie verklaard dat hij verdachte voor deze handel in totaal ‘een ton’ heeft betaald. Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij inderdaad ongeveer € 100.000 van [verdachte 2] heeft ontvangen maar dat hij dit bedrag -anders dan waar de rechtbank van uitgaat- met collega [verdachte 3] heeft gedeeld. De rechtbank ziet in het voorgaande reden er van uit te gaan dat er (in ieder geval) 50.000 pallets (gelijk aan een verkoopbedrag van € 100.000,-) door verdachte van de C1000 zijn gestolen.

De rechtbank komt aldus tot bewezenverklaring van het onder primair tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

- aangifte [naam] namens C10002;

- verklaring [verdachte 2]3;

- verklaring verdachte4.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

primair

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 te Gieten, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen pallets, toebehorende aan Cl000 (Schuitema).

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: diefstal, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat hij bewezen heeft geacht, en mede rekening houdend met het feit dat het een relatief oude zaak betreft, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de bepaling van de straf in aanzienlijke mate rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft bepleit verdachte tot een werkstraf te veroordelen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan de diefstal van pallets van zijn werkgever. Wat op kleine schaal begon, is uitgegroeid tot een omvangrijke handel waarbij verdachte zijn werkgever ten bate van zijn eigen geldelijk gewin aanzienlijke financiële schade heeft toegebracht. De werkgever is er van uitgegaan dat verdachte de werkzaamheden rondom de pallets konden worden toevertrouwd en heeft hem, ook toen verdachte de alleenheerschappij over de pallets nam, zijn gang laten gaan. Verdachte heeft door zijn handelen het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd. Dit wordt verdachte zeer aangerekend. Het is daarbij de vraag in hoeverre verdachte met de handel zou zijn gestopt indien C1000 zelf niet achter de misstanden was gekomen.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, afgezien van de onderhavige zaak, niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Reclassering Nederland heeft een rapport over verdachte opgemaakt, d.d. 17 augustus 2018.

Blijkens het rapport heeft verdachte als gevolg van zijn aanhouding in deze zaak een angststoornis ontwikkeld waarvoor hij in behandeling is gegaan bij de GGZ. Waar de angststoornis inmiddels niet meer aan de orde is, zijn er wel zorgen om verdachtes alcoholgebruik. Door de spanningen die verdachte ervaart is de behoefte aan drank toegenomen en drinkt hij naar eigen zeggen soms wel vijf à zes biertjes per dag. Daarbij gaat het huwelijk tussen verdachte en zijn vrouw, die wordt verweten dat zij van verdachtes handel heeft geprofiteerd, sinds hun beider aanhouding slecht. Verdachte heeft sinds acht maanden wel weer werk als heftruckchauffeur en hij en zijn vrouw kunnen van de inkomsten redelijk rondkomen. Zijn nieuwe werkgever is echter niet van de onderhavige zaak op de hoogte. Verdachte heeft ten vergoeding van (onder meer) de schade in totaal een bedrag van € 63.379,85 aan Jumbo B.V. betaald.

Het recidiverisico wordt door de reclassering met name vanwege verdachtes houding ingeschat als matig. Verdachte bagatelliseert het delict door in het gesprek met de reclassering te verklaren dat het volgens hem om een geringe hoeveelheid pallets ging. Daarbij is gebleken dat verdachte altijd in is geweest voor handeltjes, opgezet door vrachtwagenchauffeurs die kwamen lossen op het distributiecentrum. Het nieuwe werk van verdachte wordt in die zin als een risicofactor gezien. De reclassering heeft geadviseerd de zaak volgens de geldende richtlijnen af te doen.

Gezien wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de ernst van het feit, de lange duur waarin het zich heeft afgespeeld en de schade die aan C1000 is toegebracht, is in beginsel het opleggen van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank zal echter, naast verdachtes blanco strafblad en persoonlijke omstandigheden, uitdrukkelijk rekening houden met de omstandigheid dat sprake is van ‘undue delay’. Sinds het moment dat de vervolging eind 2014 tegen verdachte is aangevangen tot aan de procedure bij de rechtbank is ruim drieënhalf jaar verstreken, terwijl de redelijke termijn te doen gebruikelijk wordt gesteld op twee jaren. De rechtbank ziet mede in die termijnoverschrijding aanleiding verdachte niet een gevangenisstraf maar een werkstraf van 240 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren op te leggen. De voorwaardelijke straf heeft, gezien wat door de reclassering is overwogen ten aanzien van het recidivegevaar, mede tot doel verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Jumbo Supermarkten B.V. (met ingang van 29 december 2015 rechtsopvolger onder algemene titel van C1000 Supermarkten B.V.), bijgestaan door mr. W.A. Vader, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij heeft in eerste instantie gevorderd verdachte (hoofdelijk) te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.709.229, te vermeerderen met de proceskosten (€ 11.708,45) en de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening. Ter zitting van 3 juli 2018 heeft de benadeelde partij primair de vordering teruggebracht tot een bedrag van € 1.618.400 (gebaseerd op 119.000 pallets x

€ 13,60 per pallet) en subsidiair tot een bedrag van € 119.000. Namens de benadeelde partij is bepleit dat er geen reden is de benadeelde partij op grond van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk in de vordering te verklaren.

De verdediging heeft de rechtbank op grond van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verzocht de benadeelde partij zonder nader onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. De verdediging heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd.

Op 1 juli 2015 zijn verdachte en [verdachte 3] bij vonnis van de civiele rechter veroordeeld tot vergoeding van de door C1000 geleden schade, nader op te maken bij staat. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Deze schade betreft dezelfde schade als thans door de benadeelde partij in deze strafzaak wordt gevorderd. Hoewel daarna tussen partijen is geschikt, is door C1000 een ontbindende voorwaarde ingeroepen waardoor de civiele procedure zich weer in de staat bevindt van na de uitspraak op 1 juli 2015. Het feit dat de civiele rechter de schadestaatprocedure noodzakelijk heeft geacht om de omvang van de schade te bepalen, geeft aan dat de vordering van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is. Behandeling van de vordering zou derhalve een onevenredige belasting van het strafproces vormen.

De officier van justitie heeft zich bij het standpunt en het verzoek van de verdediging aangesloten.

De rechtbank heeft ter zitting van 3 juli 2018 - zakelijk weergegeven - het volgende overwogen en beslist.

De benadeelde partij heeft reeds voor aanvang van de onderhavige strafprocedure de civiele rechter geadieerd met een vordering die zijn grond vindt in het in deze zaak ten laste gelegde feit. Bij vonnis van de civiele rechter van 1 juli 2015 is verdachte veroordeeld tot vergoeding van de schade van C1000 nader op te maken bij staat. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. De schadestaatprocedure is - gezien de vaststelling dat de tot stand gekomen schikking tussen partijen kennelijk door Jumbo B.V. is ontbonden - nog steeds aanhangig. Om een doorkruising van deze civiele procedure door een strafrechtelijke procedure omtrent vergoeding van dezelfde schade te voorkomen beslist de rechtbank, conform artikel 333 Sv, dat zonder nader onderzoek van de zaak de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

het misdrijf: diefstal, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren, waarvan 200 uren onvoorwaardelijk;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de het onvoorwaardelijke deel van de taakstraf

niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden

toegepast;

- bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte van 40 uren (veertig) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij Jumbo Supermarkten B.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2018.

Mr. Schaap is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Noord-Nederland, districtsrecherche Drenthe, met nummer 2014023063/2014161217. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [naam] , namens C1000 Schuitema, pagina 25 t/m 29.

3 Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte 2] , pagina 262 t/m 268.

4 Een door verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2018 afgelegde bekennende verklaring.