Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2543

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
ak_ 18 _ 220
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In strijd met rechtszekerheidbeginsel uitkering op grond van de Participatiewet ingetrokken. Inkomsten (structurele bijschrijvingen van de dochter van eisers) waren vanaf aanvang uitkering bekend. Geen schending inlichtingenplicht; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/220

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, en [eiseres] , eiseres, te samen: eisers, wonende te Hengelo,

gemachtigde: mr. H.J.M. van Denderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, verweerder,

gemachtigde: J. ten Cate.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2017, verzonden 29 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) herzien, en een bedrag van eisers teruggevorderd. Het maandelijkse bedrag van de aflossing is bepaald op

€ 140,93, met ingang van 1 oktober 2017.

Bij besluit van 19 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard en de terugvordering bepaald op € 1.085,54 bruto en € 240 netto. Het bezwaar tegen het bedrag van de aflossing is niet-ontvankelijk verklaard wetens het ontbreken van procesbelang.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen met ingang van 1 januari 2016. Bij een rechtmatigheidscontrole in augustus 2017 is verweerder uit de bankafschriften gebleken dat eisers vanaf de aanvang van de uitkering wekelijks bijschrijvingen hebben ontvangen van hun dochter, aanvankelijk een bedrag van € 30, en vanaf juni 2017 € 35 per week. Verweerder is daarop gekomen tot de bestreden besluitvorming.

2.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd, dat eisers wegens het verzwijgen van de ontvangst van de bijschrijvingen van hun dochter, die als middelen zijn aan te merken, de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden. Over de maanden waarin eisers deze bedragen hebben ontvangen, hebben zij volgens verweerder geen recht op bijstand, behalve over de maanden februari 2017 en april 2017. Verweerder heeft het recht op bijstand over deze twee maanden herzien en over de overige maanden in de periode

1 januari 2017 tot en met 31 juli 2017 ingetrokken. Met ingang van augustus 2017 heeft verweerder geen uitkering meer betaald.

Een bedrag van € 1.085,54 bruto en € 240 netto is van eisers teruggevorderd. Omdat eisers de terugvordering volledig hebben voldaan, is het bezwaar tegen de wijze van aflossing niet ontvankelijk verklaard.

2.2.

Eisers hebben betoogd, dat van schending van de inlichtingenplicht geen sprake was. Verweerder was van meet af aan al op de hoogte van de bijschrijvingen van de dochter, omdat hiervan al bleek uit de bankafschriften die eisers bij de aanvraag hebben moeten overleggen. Ook ging het volgens eisers niet om middelen die zij verweerder hadden moeten melden, omdat de gestorte bedragen de vergoedingen waren voor de boodschappen die eisers voor hun dochter hebben gedaan.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is voor het intrekken van de uitkering met terugwerkende kracht zonder dat het beginsel van rechtszekerheid in het geding komt, in het algemeen slechts plaats indien het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van een schending van de inlichtingenplicht door de betrokkene, terwijl het bestuursorgaan een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen als het destijds wel de juiste feiten had gekend (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2006:AV8525 en ECLI:NL:CRVB:2017:3374).

3.2.

De rechtbank stelt vast, dat eisers in het kader van hun aanvraag om bijstand per

1 januari 2016 op verzoek van verweerder over de periode 15 september 2015 tot en met

14 december 2015 bankafschriften beschikbaar hebben gesteld. Ook op deze bankafschriften was sprake van structurele bijschrijvingen van de dochter van eisers, in nagenoeg gelijk patroon en omvang als nadien. Verweerder heeft bij het beoordelen van de aanvraag indertijd geen reden gezien deze bijschrijvingen met eisers te bespreken of naar de aard hiervan te informeren. Integendeel, verweerder heeft eisers zonder voorbehoud in aanmerking gebracht voor een aanvullende uitkering. Aan deze toekenning hebben eisers daarom de verwachting kunnen ontlenen dat het structureel ontvangen van de bedragen van hun dochter niet van invloed was op hun aanspraken op bijstand. Van schending van de inlichtingenplicht is onder deze omstandigheden geen sprake geweest.

3.3.

Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich dat, indien verweerder van mening is dat thans met terugwerkende kracht moet worden teruggekomen van de eerdere toekenning, van belang is of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven. Daarvan is niet gebleken. Van een wijziging in het patroon of een substantiële verhoging van de betalingen door de dochter is geen sprake geweest. In verband met de rechtszekerheid had de uitkering daarom eerst na aankondiging daarvan, dat is dus ná uitreiking van het primaire besluit (gedateerd 25 september 2017) op 29 september 2017, beëindigd kunnen worden, als er al sprake zou zijn van middelen. De intrekking van de aanvullende uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2016 daarom is niet juist geweest, evenmin als het staken van de betaling per 1 augustus 2017.

3.4.

Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de uitkering om redenen van rechtszekerheid op zijn vroegst na het uitreiken van het besluit daartoe (op 29 september 2017) had mogen worden beëindigd, hebben eisers thans geen belang meer bij de beoordeling van de subsidiaire grond dat de betalingen van de dochter geen middelen in de zin van de Pw waren. Deze beoordeling is immers slechts relevant voor zover de bijschrijvingen ook daarna nog zouden zijn ontvangen. Uit het dossier is de rechtbank gebleken dat ná het uitreiken van het primaire besluit, althans op het moment dat in oktober 2017 een nieuwe aanvraag werd gedaan, van bijschrijvingen geen sprake meer was.

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit van 25 september 2017 (uitgereikt op 29 september 2017) te herroepen. Dit betekent dat eisers ook op en na 1 januari 2016 tot en met 29 september 2017 recht hebben gehad op een aanvullende uitkering op grond van de Pw. Verweerder dient dit te corrigeren.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 1.002 vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 25 september 2017;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.