Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2451

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
17/2134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft sluiting supportershome Vak P en intrekking drank- en horecavergunning wegens aangetroffen handelsvoorraad harddrugs tijdens politieactie in het stadion van FC Twente op 6 april 2017 tijdens de voetbalwedstrijd FC Twente -PSV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2019/3009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2134

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Supportersvereniging Vak P Enschede, te Enschede, eiseres,

gemachtigde: mr. U. Ural, advocaat te Enschede,

en

de burgemeester van Enschede, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: F.C. Twente ’65 B.V., te Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd om het supportershome Vak P (hierna: het supportershome) aan het Colosseum 91 te Enschede per 15 april 2017 te sluiten en gesloten te houden tot 15 april 2018. Bij hetzelfde besluit heeft verweerder met ingang van dezelfde datum de Drank- en horecawetvergunning (hierna: DHW-vergunning) van eiseres ingetrokken, waarbij is aangegeven dat gedurende een periode van twee jaren na deze intrekking ingediende nieuwe aanvragen voor een DHW-vergunning voor de inrichting op het perceel Colosseum 91 zullen worden geweigerd.

Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018.

Voor eiseres zijn verschenen [naam] en mr. U. Ural, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor derde-partij is niemand verschenen.

Overwegingen

1.1

Tijdens de voetbalwedstrijd FC Twente-PSV op 6 april 2017 heeft in het stadion van

FC Twente een politieactie plaatsgevonden in het supportershome van eiseres. Het doel van deze actie was het vaststellen en beëindigen van de (vermoedelijke) handel in verdovende middelen. Tijdens deze actie heeft er – onder meer – in het supportershome van eiseres een doorzoeking plaatsgevonden. De politie heeft verweerder door middel van een tweetal Bestuurlijke Rapportages Drugshandel van 10 april 2017 en 20 april 2017 geïnformeerd dat tijdens deze doorzoeking op zes verschillende plekken in het supportershome harddrugs zijn aangetroffen met een gezamenlijk gewicht van 17,23 gram, te weten:

- op één locatie: 10 zogenaamde ponypacks “Smiley”, inhoud netto 3,86 gram cocaïne;

- op één locatie: een gripzakje met 24 ponypacks “Partyseal”, inhoud netto 8,08 gram

cocaïne;

- op diverse locaties afzonderlijke ponypacks “Pinguïn” en “Smiley”, alle met inhoud

cocaïne.

1.2

Verweerder heeft naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage van 10 april 2017 aan eiseres en derde-partij F.C. Twente ’65 B.V. (hierna te noemen: FC Twente) het voornemen bekend gemaakt tot sluiting van het supportershome en intrekking van de DHW-vergunning. Eiseres heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen tegen dit voornemen. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals hiervoor onder het procesverloop is weergegeven.

Het wettelijk kader

Sluiting van het supportershome:

2.1

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2

Bij de uitoefening van de in artikel 13b van de Opiumwet gegeven bevoegdheid hanteert verweerder het Damoclesbeleid 2013. Ingevolge artikel 4 sub 1 van dit beleid wordt bij handel in harddrugs het lokaal voor een periode van 12 maanden gesloten.

Intrekking van de DHW-vergunning

2.3

In artikel 31, eerste lid, onder c, van de Drank- en horecawet (DHW) is bepaald dat een vergunning door de burgemeester wordt ingetrokken, indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

2.4

In artikel 27, tweede lid, van de DHW is bepaald dat een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, is ingetrokken, gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.

Formeel/procesbelang

3. Hoewel de periode van sluiting van het supportshome inmiddels is verstreken, is aannemelijk dat eiseres door de sluiting financiële schade heeft geleden als gevolg van omzetverlies en daarom nog wel een procesbelang heeft bij haar beroep tegen de sluiting.

Inhoudelijke beoordeling

Sluiting van het supportershome

4.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), maakt het enkele aantreffen van een hoeveelheid verdovende middelen die de gebruikshoeveelheid overstijgt, dat de burgemeester zijn bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet mag gebruiken. Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2365, waarin tevens is geoordeeld dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, waarbij een hoeveelheid harddrugs van 0,5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat er bij de politieactie op 6 april 2017 in het supportershome van eiseres cocaïne is aangetroffen en dat de gezamenlijke hoeveelheid daarvan de toegestane hoeveelheid voor persoonlijk gebruik van 0,5 gram overschrijdt.

Dat in de eerste bestuurlijke rapportage van 10 april 2017 een aantal van 46 ponypacks wordt genoemd en in de tweede rapportage van 20 april 2017 melding wordt gemaakt van 45 ponypacks, maakt dat niet anders. Feit blijft dat de toegestane gebruikshoeveelheid van 0,5 gram cocaïne ruimschoots is overtreden.

Dat enkele feit is volgens genoemde jurisprudentie voldoende voor de burgemeester om te mogen uitgaan van een voor de handel bestemde hoeveelheid. Het ligt in dat geval op de weg van eiseres, als rechthebbende op het pand, om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.3

Eiseres stelt dat uit het feit dat in het supportershome een hoeveelheid ponypacks is aangetroffen die een gebruikershoeveelheid overstijgt niet automatisch volgt dat deze aanwezig moeten zijn geweest voor verkoop, aflevering of verstrekking. Volgens eiseres kan niet worden uitgesloten dat tijdens de rust van de voetbalwedstrijd meerdere personen in het supportershome hebben verbleven terwijl zij in het bezit waren van hoeveelheden cocaïne voor eigen gebruik. Een logische verklaring voor het aantreffen van een naar de mening van eiseres – gezien het aantal bezoekers – relatief gering aantal ponypacks in het supporters-home, zou volgens haar kunnen zijn dat individuele bezoekers zich hiervan kort na inval door de politie in het supportershome hebben ontdaan.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetroffen hoeveelheden cocaïne niet bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking. De door eiseres geschetste – mogelijke – gang van zaken is op geen enkele wijze onderbouwd met objectiveerbare gegevens, dan wel anderszins aannemelijk gemaakt bijvoorbeeld door verklaringen van personen die ten tijde van het onderzoek in het supportershome aanwezig waren. Uit de bestuurlijke rapportages blijkt dat op verschillende plekken in het supportershome concentraties van ponypacks zijn aangetroffen waarvan in één geval meerdere ponypacks tezamen in een gripzakje. De aangetroffen cocaïne op die locaties overschrijdt in alle gevallen de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. Uit de bestuur-lijke rapportage van 20 april 2017 blijkt voorts dat ook cocaïne is aangetroffen nadat een drietal statafels van de muur werden getrokken, waarbij tussen statafel drie en een (voorste) dartbord op de grond een zakje werd aangetroffen met daarin een hoeveelheid gesloten ponypacks.

4.5

Eiseres is verder van mening dat zij geen verantwoordelijkheid draagt voor de lege en volle ponypacks die buiten het supportershome, in de gracht van het stadion, op de tribune van Vak-P en de toiletgroep onder de tribune zijn aangetroffen, maar FC Twente. Eiseres vindt het dan ook niet redelijk dat verweerder jegens haar wel gebruik maakt van zijn bevoegdheid en niet tevens jegens andere verantwoordelijken in het stadion. Eiseres meent dan ook dat verweerder daarmee in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.

4.6

De rechtbank overweegt dienaangaande dat in de bestuurlijke rapportages melding wordt gemaakt van waarnemingen/observaties van gedragingen op de tribune, de gracht en de toiletgroepen onder de tribune van Vak P waaraan het vermoeden kan worden ontleend dat daar sprake is van drugsgebruik. Het onderzoek dat op 6 april 2017 heeft plaatsgevonden heeft zich niet verder uitgestrekt dan tot het supportershome. Een dergelijk onderzoek heeft niet plaatsgevonden op de tribune, in de gracht en in de toiletgroep onder de tribune. De bestuurlijke rapportages bevatten dan ook geen informatie over op die locaties aangetroffen verdovende middelen en kunnen daarom geen grondslag vormen voor handhavend optreden jegens andere verantwoordelijken in het stadion. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van strijd met het verbod op willekeur. Voor zover eiseres meent dat verweerder in strijd met het verbod op willekeur heeft gehandeld door wel bij haar een onderzoek te doen en niet op andere locaties, overweegt de rechtbank dat dit een kwestie is die buiten de omvang van dit geding valt en daarom in deze zaak buiten beschouwing moet blijven.

4.7

Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat de sluiting van het supportershome in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat verweerder is afgegaan op bestuurlijke rapportages, die volgens eiseres geen conclusies bevatten maar voor het grootste deel bestaan uit gissingen en aannames. Naar de mening van eiseres had verweerder naar aanleiding van haar stelling dat bezoekers zich bij de inval van de ponypacks hebben ontdaan, zelfstandig onderzoek moeten verrichten door de beschikbare camerabeelden te bekijken. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dit is gebeurd. Verweerder heeft op basis van de voorliggende stukken geconcludeerd dat sprake is van een geruime hoeveelheid ponypacks, althans een hoeveelheid die niet bestemd was voor eigen gebruik.

4.8

De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2660, volgt dat verweerder in beginsel mag afgaan op de inhoud van de op ambtseed opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage(s) van de politie. De rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval anders over te oordelen nu niet is gebleken dat deze rapportages, voor zover hier relevant, niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. In tegendeel: het betreft hier uitvoerige, inzichtelijke rapportages wat betreft het aantreffen van harddrugs. Verweerder heeft deze rapportages dan ook ten grondslag mogen leggen aan het sluitingsbesluit. Dat verweerder de camerabeelden die op verzoek van het openbaar ministerie zijn gemaakt in het supporters-home niet heeft bekeken acht de rechtbank niet onzorgvuldig. Het beroep van eiseres op bewijsnood wegens het ontbreken van de camerabeelden gaat niet op. De bestuurlijke rapportages zijn wat betreft het aantreffen van de harddrugs voldoende duidelijk om de stelling van eiseres dat het gaat om gebruikershoeveelheden onaannemelijk te maken.

4.9

Hierbij merkt de rechtbank op dat de inhoud van de bestuurlijke rapportages in het kader van het sluitingsbesluit geen verdere relevantie hebben dan de constatering dat er verdovende middelen van een bepaalde soort en hoeveelheid zijn aangetroffen in het supportershome. Wat er verder in die bestuurlijke rapportages is vermeld, is voor het sluitingsbesluit niet relevant.

4.10

Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om over te gaan tot sluiting van het supportershome.

4.11

In het kader van de uitoefening van zijn handhavingsbevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft verweerder het zogenaamde Damoclesbeleid 2013 vastgesteld. Volgens artikel 4, eerste lid, van dat beleid reageert de burgemeester op de hierna vermelde wijze op handel in drugs in lokalen die geen coffeeshop zijn: bij handel in harddrugs wordt het lokaal voor een periode van 12 maanden gesloten.

De rechtbank is van oordeel dat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

4.12

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden op basis waarvan verweerder van sluiting van het supportershome had behoren af te zien.

4.13

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft misbruikt, althans heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld. Volgens eiseres was het daadwerkelijke doel van de sluiting niet het tegengaan van de handel in drugs, maar het weren van leden van motorclubs uit horecagelegenheden zoals het supportershome. Verweerders besluit is daarom in strijd met het verbod van détournement de pouvoir en het motiveringsbeginsel, aldus eiseres.

4.14

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. Weliswaar heeft de politie in de bestuurlijke rapportage van 10 april 2017 melding gemaakt van de aanwezigheid van genoemde groepen dan wel personen die aan die groepen gelinkt zouden kunnen worden, maar uit de bestreden besluiten blijkt niet dat verweerder zulks heeft meegewogen bij zijn besluiten. Dat verweerder zijn bevoegdheid in het kader van artikel 13b van de Opiumwet heeft misbruikt dan wel heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, acht de rechtbank dan ook niet gebleken.

De intrekking van de DHW-vergunning

5.1

Aan de intrekking van de DHW-vergunning heeft verweerder dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als die waarop het sluitingsbesluit is gebaseerd. Dat betekent dat de aanwezigheid van de 17,23 gram cocaïne in het supportershome tevens de reden is voor intrekking van de DHW-vergunning.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van een handelsvoorraad van 17,23 gram cocaïne voldoende reden vormt voor de intrekking van de DHW-vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de DHW.

5.3

Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 31, eerste lid, onder c, van de DHW is er bij de intrekking van de DHW-vergunning geen ruimte voor een belangen-afweging.

5.4

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen de termijn van twee jaar waarin nieuwe aanvragen voor een DHW-vergunning zullen worden geweigerd, niet-ontvankelijk verklaard. Nu het beroep van eiseres zich niet richt tegen dat onderdeel van het bestreden besluit, zal de rechtbank dit onderwerp verder onbesproken laten.

6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. M.A. Heldeweg, leden, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.