Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:243

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
6238479 \ CV EXPL 17-5321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mocht de tussen partijen gesloten cursusovereenkomst ontbonden worden ingevolge artikel 6:230o lid 1 sub a BW of was er sprake van de uitzondering zoals genoemd in artikel 6:230p aanhef en onder d BW? Deze uitzondering op de bevoegdheid tot ontbinding heeft volgens de kantonrechter enkel betrekking op overeenkomsten waarbij de nakoming reeds heeft plaatsgevonden. Daarvan is geen sprake. Ook aan de overige criteria is niet voldaan. Ook geen betalingsverplichtingen op grond van artikel 6:230s lid 4 BW, omdat niet aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/495
Prg. 2018/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 6238479 \ CV EXPL 17-5321

Vonnis van 23 januari 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma [A],
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

eisende partij, hierna te noemen [A] ,

gemachtigde: S. Oonk,

tegen

[B] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [B] ,

gemachtigde: mr. T. Galema van Stichting Univé Rechtshulp.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 oktober 2017;

- de akte van [A] ;

- de akte overlegging producties van [A] ;

- het proces-verbaal van comparitie van 19 december 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Medio april 2015 heeft [B] zich via de website van VKRC (Verkeersregelaars Centrale) ingeschreven voor de opleiding “Beroeps Verkeersregelaar” van 18 tot en met 20 mei 2015. Op 19 april 2015 stuurt VKRC een e-mail aan [B] met de bevestiging van de inschrijving. In deze e-mail vraagt VKRC om de inschrijving definitief te maken door op een link te klikken in de e-mail met het verzoek om de voorwaarden die horen bij de inschrijving (nogmaals) door te nemen. De volgende voorwaarden staan - voor zover van belang - in het e-mailbericht vermeld:

“Voorwaarden bij inschrijving voor een opleiding:

Deze inschrijving is niet vrijblijvend! Zodra u gebruik hebt gemaakt van de bevestigingslink in dit email bericht is uw inschrijving definitief en kan deze niet meer ongedaan gemaakt worden. Ook bent u daarna gebonden aan de kosten voor deze opleiding. Een “vrij op zicht”, “afkoelingsperiode” of ‘kopen op afstand” is voor deze opleidingen niet van toepassing. (…)

Nadat u de inschrijving hebt bevestigd, ontvangt u wederom een email: nu met de bevestiging van uw inschrijving. Uw plek voor deze opleiding is op dat moment gereserveerd. U (…) ontvangt uiterlijk één week voor aanvang van de opleiding een factuur voor de kosten van die opleiding. Deze factuur dient vóór aanvang van de opleiding te zijn voldaan! Wanneer de factuur niet is voldaan kunt u (…) géén examen doen! Evengoed blijft u de kosten voor de opleiding (de speciaal voor u gereserveerde plek) verschuldigd, ongeacht of u niet tijdig hebt betaald en geen examen kunt/mag doen, of wanneer u (…) in het geheel niet verschijnt. (…)”

2.2.

[B] heeft op bedoelde link in de e-mail geklikt en de inschrijving bevestigd. Op 28 april 2015 stuurt VKRC de factuur voor de cursus aan [B] ten bedrage van in totaal 598,95 inclusief btw.

2.3.

Bij e-mail van 28 april 2015 bericht [B] het volgende aan VKRC:

“Ik moet u mededelen dat ik afzie van de cursus; ik heb te weinig inzicht in de praktijk na de cursus. Financieel vind ik dan ook het risico te groot. aarbij ligt mijn interesse eigenlijk alleen bij motor verkeersbegeleiding.”

2.4.

VKRC heeft [B] bij e-mail van 29 april 2015 gewezen op de onder r.o. 2.1 geciteerde voorwaarden. Zij heeft vervolgens op 12 mei 2015 de deelname van [B] aan de cursus alsnog bevestigd en herinneringen verstuurd voor de openstaande factuur.

2.5.

[B] heeft de factuur van VKRC niet betaald en niet deelgenomen aan de cursus.

2.6.

Op 23 juni 2016 heeft VKRC de vordering op [B] gecedeerd aan [A] .

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert - samengevat - veroordeling van [B] tot betaling van een bedrag van € 598,95, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 9 mei 2015 en een bedrag van € 89,94 aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens vordert [A] veroordeling van [B] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [A] - kort samengevat - dat [B] niet gerechtigd was om de overeenkomst (kosteloos) te ontbinden, omdat sprake is van een uitzondering zoals geformuleerd in artikel 6:230p aanhef en onder d BW.

3.3.

[B] voert verweer. Hij concludeert - kort samengevat - tot afwijzing van de vordering. Volgens [B] mocht hij de overeenkomst kosteloos ontbinden op grond van artikel 6:230o BW. Aan geen van beide voorwaarden van artikel 6:230p aanhef en onder d BW is volgens hem voldaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is of de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbonden mocht worden ingevolge artikel 6:230o lid 1 sub a BW of dat sprake is van de uitzondering zoals genoemd in artikel 6:230p aanhef en onder d BW.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat [B] een consument is en dat de overeenkomst buiten de verkoopruimte (via internet) tot stand is gekomen. In beginsel is [B] dan ook gerechtigd om de overeenkomst zonder opgave van redenen te annuleren binnen veertien dagen na het afsluiten van de overeenkomst, zoals hij gedaan heeft met zijn e-mail van 28 april 2015. Hij is echter niet gerechtigd tot ontbinding indien zich de situatie voordoet zoals omschreven in artikel 6:230p aanhef en onder d BW. Daarin staat dat een consument geen recht heeft op ontbinding bij een overeenkomst tot het verrichten van diensten, na nakoming van de overeenkomst, indien (1) de nakoming is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande instemming van de consument en (2) de consument heeft verklaard afstand te doen van zijn recht van ontbinding zodra de handelaar de overeenkomst is nagekomen. Uit de eerste zin van sub d volgt allereerst dat deze uitzondering op de bevoegdheid tot ontbinding enkel betrekking heeft op overeenkomsten waarbij de nakoming reeds heeft plaatsgevonden. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 6:230p onderdeel d BW (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33520, 3, p. 40) volgt dat deze bepaling ziet op de situatie dat de overeenkomst volledig is nagekomen tijdens de termijn waarbinnen kan worden ontbonden. Reeds om die reden is deze bepaling in deze situatie niet van toepassing. Vaststaat immers dat de overeenkomst is aangegaan op 19 april 2015 en dat de uitvoering van de cursus plaatsvond op 18 mei 2015, aldus buiten de termijn van veertien dagen. Bovendien is aan beide voorwaarden van onderdeel d niet voldaan. Van een uitdrukkelijke instemming met het beginnen van de nakoming is geen sprake. Daarvoor is het enkel weergeven van de voorwaarden en het bevestigen daarvan via een link onvoldoende. Naar het oordeel van de kantonrechter is voor een uitdrukkelijke instemming met het (vroegtijdig) beginnen van de nakoming een daarop gerichte actie van de consument vereist. Daar is geen sprake van geweest. Hetzelfde geldt voor de verklaring afstand te doen van het herroepingsrecht. Van een verklaring met die strekking is niet gebleken.

4.3.

Het vorenstaande betekent dat [B] gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden ex artikel 6:230o lid 1 sub a BW. Onder omstandigheden kan die ontbindingsbevoegdheid op grond van artikel 6:230s lid 4 BW ook betalingsverplichtingen met zich meebrengen voor de consument, indien de overeenkomst reeds voor een deel is nagekomen. Voorwaarde daarvoor is dat de consument uitdrukkelijk heeft verzocht om het verrichten van diensten al tijdens de ontbindingstermijn. Van een uitdrukkelijk verzoek is echter geen sprake geweest: het klikken op een link in een e-mail bericht waarin staat dat [B] gebonden is aan de kosten van de cursus is daarvoor onvoldoende. Ook hier is een actie van de consument vereist met een verzoek tot nakoming tijdens de ontbindingstermijn, bijvoorbeeld via een e-mailbericht met die strekking. [B] is om die reden op grond van deze bepaling evenmin kosten verschuldigd aan [A] in verband met het ontbinden van de overeenkomst. De vordering van [A] zal dan ook worden afgewezen, met inbegrip van de nevenvorderingen.

4.4.

De kantonrechter zal [A] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen, tot op heden aan de zijde van [B] begroot op € 200,00 voor salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 100,00).

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [A] af;

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [B] begroot op € 200,00;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2018.