Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2413

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
C/08/201067 / FA RK 17-903
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot vernietiging erkenning van een minderjarig kind. Uit getuigenverklaringen maakt de rechtbank op dat man een bewuste keuze heeft gemaakt om het minderjarige kind te erkennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/201067 / FA RK 17-903

datum beschikking: 26 april 2018

beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[X] , handelende onder de naam Fikara bewindvoeringen,

gevestigd te Slagharen,

in haar hoedanigheid als bewindvoerder van:

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. B.P.G. Dijkers,

en

1 [belanghebbende ] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. S.H.G. Swennen

2 mr. M.A. Knobben,

verder ook te noemen: de bijzondere curator van [A] ,

gevestigd te Deventer,

belanghebbenden.

Het procesverloop

Eerder is in deze zaak op 21 november 2017 door deze rechtbank een beschikking gegeven.

Bij die beschikking zijn de verzoeken tot vernietiging van de erkenning, de zorgregeling en de kinderalimentatie met betrekking tot het minderjarige kind: [A] , geboren [2001] te [geboorteplaats] , aangehouden.

Daarna heeft de rechtbank nog kennis genomen van de navolgende stukken:

- een op 15 december 2017 binnengekomen brief van mr. Swennen met bijlage;

- een op 19 december 2017 binnengekomen brief van mr. Dijkers van 14 december 2017

met bijlagen;

- een op 19 december 2017 binnengekomen brief van mr. Swennen van 15 december 2017

met bijlagen;

- een op 28 december 2017 binnengekomen brief van mr. Knobben van 22 december 2017.

Op 20 februari 2018 heeft de rechtbank getuigen gehoord, waarvan een proces-verbaal van getuigenverhoor is opgemaakt.

Vervolgens heeft de rechtbank kennis genomen van de navolgende stukken:

- een op 22 februari 2018 binnengekomen brief van mr. Swennen van 20 februari 2018;

- een op 19 maart 2018 binnengekomen brief van mr. Knobben van 16 maart 2018;

- een op 19 maart 2018 binnengekomen brief van mr. Swennen van 16 maart 2018;

- een op 20 maart 2018 binnengekomen brief van mr. Dijkers.

De vaststaande feiten

Voor een overzicht van de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar hetgeen hieromtrent in deze rubriek in voormelde beschikking is vermeld.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Thans zijn nog aan de orde de verzoeken omtrent de vernietiging van de erkenning, de zorgregeling en de kinderalimentatie.

De vernietiging van de erkenning

De man heeft gesteld dat hij ten tijde van de erkenning van [A] niet twijfelde en er van overtuigd was dat [A] zijn eigen biologische kind was. De vrouw heeft aangevoerd dat de man, al vóór de geboorte van [A] , wist dat [A] mogelijk niet zijn kind zou kunnen zijn, maar dat de man desondanks, vanwege de toenmalige affectieve relatie tussen partijen, [A] heeft erkend.

Uit de getuigenverklaringen maakt de rechtbank alles overziend op dat de man er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij ten tijde van de erkenning van [A] niet twijfelde, en er toen van overtuigd was en redelijkerwijs niet anders dan overtuigd kon zijn dan dat [A] ten tijde van de erkenning door hem zijn eigen biologische kind was.

Uit de getuigenverklaringen maakt de rechtbank op dat breed in de familie werd gedragen dat er direct na de geboorte van [A] twijfels bestonden of de man de biologische vader van [A] was en dat er gesprekken zijn gevoerd. De oma, aan wier verklaring de rechtbank doorslaggevende betekenis toekent, heeft verklaard dat zij die twijfel met de man besprak. De man erkent dat en heeft verklaard dat hij onbezonnen was respectievelijk dit niet met de vrouw wilde delen, omdat hij haar niet wilde verliezen. Aan de verklaring van oma komt betekenis toe, omdat zij naar eigen zeggen ter zitting – abusievelijk niet vermeld in het proces-verbaal – een vertrouwensband heeft en had met de man en alles met hem bespreekt, dus ook genoemde twijfel hetgeen de man expliciet heeft erkend.

Volgens haar moest de man "oppassen". Ook verklaart zij expliciet dat er binnen de familie vanaf de geboorte van [A] twijfels bestonden.

De man heeft verklaard dat oma die twijfel tegen hem heeft uitgesproken, maar dat hij onbezonnen was.

Al met al is de conclusie bijgevolg dat de man een bewuste keuze heeft gemaakt om [A] te erkennen, wat met zich brengt dat hij die erkenning niet kan vernietigen.

De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen en beslissen, zoals hieronder staat vermeld.

De onderhoudsplicht van de man ten opzichte van [A]

Nu de erkenning van [A] niet wordt vernietigd, is onder afwijzing van het primaire verzoek van de man, nog slechts aan de orde het subsidiaire verzoek van de man om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] met ingang van (I) datum onderbewindstelling, 23-5-2016, dan wel (II) datum indiening van het verzoekschrift, 20-4-2017, dan wel (III) een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum op nihil te stellen dan wel te wijzigen naar een bijdrage die de rechtbank rechtens juist voorkomt, onder gelijktijdige veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van al hetgeen zij vanaf 20-4-2017 van de man heeft ontvangen ten titel van onderhoudsbijdrage ten behoeve van [A] .

Uit bovenvermelde brief van de vrouw van 20 februari 2018 blijkt dat de vrouw instemt met het verzoek van de man om de onderhoudsbijdrage op nihil te stellen vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank van 19 mei 2017 waarin de verplichting van de man tot betaling aan de vrouw van een bijdrage van € 200,= per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] , als voorlopige voorziening tussen partijen, is opgeschort.

De vrouw heeft ingestemd met nihilstelling van de alimentatie nu de man is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling dan wel omdat hij op dit moment onvoldoende middelen heeft.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de situatie waarin de wettelijke schuldverlening op een onderhoudsplichtige van toepassing is verklaard, wordt zijn betalingsverplichting op nihil gesteld, tenzij in het vrij te laten bedrag rekening is gehouden met de alimentatieverplichting. In casu is geen sprake van een wettelijke schuldsanering, maar van een vrijwillige schuldhulpverlening, welke regeling op 7 september 2017 is ingegaan. De rechtbank ziet desondanks aanleiding om in de onderhavige zaak aansluiting te zoeken bij het hiervoor vermelde uitgangspunt.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande de kinderbijdrage ten behoeve van [A] met ingang van 7 september 2017 voor de duur van de schuldhulpverlening en de eventueel aansluitende wettelijke schuldsaneringsregeling op nihil stellen.

De rechtbank zal beslissen zoals hieronder is vermeld.

De terugbetalingsverplichting

Volgens vaste rechtspraak dient de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalings-verplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Bij die beoordeling is onder andere van belang de omvang van de eventuele terugbetalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de eerder betaalde bijdragen reeds zijn verbruikt, of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte, en het belang van de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bijdragen. Een onderhoudsgerechtigde die te hoge bedragen heeft ontvangen, zal immers in beginsel gehouden zijn tot terugbetaling daarvan.

De rechtbank overweegt als volgt. Alles overwegende waaronder het consumptieve karakter van de kinderbijdragen en de financiële positie waarin de vrouw verkeert, oordeelt de rechtbank dat van een terugbetalingsverplichting van mogelijk door de man teveel betaalde bijdragen in de kosten van de kinderen geen sprake kan zijn.

De zorgregeling

Het ligt vooralsnog op de weg van partijen vorm te geven aan een zorgregeling met inschakeling van de betrokkenen genoemd onder 4.10 van de beschikking van 21 november 2017.

Gelet op het familierechtelijk karakter van de zaak worden de kosten gecompenseerd.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 september 2010 ten aanzien van de aan de man opgelegde kinderbijdrage ten behoeve van [A] en bepaalt deze bijdrage met ingang van 7 september 2017 op nihil voor de duur van de schuldhulpverlening / wettelijke schuldsaneringsregeling van de man;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten in dier voege dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Rijksen, in tegenwoordigheid van J. Pol als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. en: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.