Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2412

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
08.262144.16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 27-jarige man tot een taakstraf van 100 uren voor het veroorzaken van brand, het vernielen van een bedrijfspand en het verlaten van de plaats van ongeval. De man is in de nacht van 17 december 2016 op een industrieterrein met zijn auto door een hekwerk, tegen een gasstation en in een bedrijfspand gereden. Als gevolg hiervan is brand ontstaan en is het bedrijfspand uitgebrand. Ook aan het gasstation is veel schade toegebracht. De man heeft de plaats van het ongeval vervolgens verlaten. Naast de taakstraf moet de man een bedrag aan schadevergoeding aan zijn slachtoffers betalen van ruim 3900 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.262144.16 (P)

Datum vonnis: 12 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juni 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M. Tijken, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 28 juni 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat:

feit 1 primair: aan verdachtes schuld is te wijten dat het bedrijfspand van [naam 1] is verbrand en/of dat verdachte een H.A.S. gasstation van [naam 2] . en een bedrijfspand van [naam 1] heeft vernield;

feit 1 subsidiair: verdachte gevaar en/of schade heeft veroorzaakt op de weg;

feit 2: verdachte onder invloed van alcohol en/of cocaïne een auto heeft bestuurd terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hij niet tot behoorlijk besturen van een auto in staat moest worden geacht;

feit 3: verdachte, terwijl hij als bestuurder van een auto betrokken was bij een verkeersongeval, de plaats van het ongeval heeft verlaten.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 17 december 2016 in de gemeente Enschede grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam met zijn auto door een gesloten afrastering is gereden (daarbij een H.A.S. gasstation aanreed) en/of/vervolgens met ongeveer 50 kilometer per uur of/althans met onverminderde snelheid tegen en door de voorgevel van een bedrijfspand (waarin het bedrijf [naam 1] was gevestigd) is gereden, (mede) ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat dit bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval, dat er brand is ontstaan en daardoor gemeen gevaar voor mogelijke personen in het pand aanwezig, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond

en/of

hij op of omstreeks 17 december 2016 in de gemeente Enschede opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw of zijn lading/inhoud toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 1] , althans toebehorende aan een ander dan verdachte, en/of een H.A.S. gasstation, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] ., althans aan een ander dan verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar of omklaar heeft gemaakt door met eeen snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur en/of met onverminderde snelheid met zijn auto door een gesloten afrastering is gereden, daarbij een H.A.S. gasstration heeft aangereden (eigendom van [naam 2] .) en/of vervolgens tegen en door de voorgevel van een bedrijfspand (waarin het bedrijf [naam 1] was gevestigd) is gereden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Enschede als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [adres 2] , tegen een afrastering en/of een gasstation en/of tegen en door een gevel van een bedrijfspand is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar en/of schade op die weg werd veroorzaakt, althans kon worde veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Enschede als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een alcoholhoudende drank (125 Ugl) en/of een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in de gemeente Enschede op/aan de [adres 2] , op of omstreeks 17 december 2016 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam 1] en/of [naam 2] .) schade was toegebracht.

3 De voorvragen

De verdediging heeft gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 primair niet voldoet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdediging heeft daarvoor aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in de dagvaarding ten aanzien van de tenlastegelegde brand de aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid niet feitelijk heeft omschreven en ten aanzien van de tenlastegelegde vernieling de opzet niet feitelijk heeft omschreven. Het Openbaar Ministerie heeft kennelijk het rijden onder invloed als verwijtbare gedraging ten laste willen leggen, maar er is verzuimd een beschrijving te geven van wat verdachte daartoe precies zou hebben gedaan. De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte wordt onder 1 primair verweten dat hij grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld als gevolg waarvan brand is ontstaan en een bedrijfspand is verbrand. De tenlastegelegde culpa is naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijk en duidelijk omschreven. In de tenlastelegging is immers door de zin ‘met zijn auto door een gesloten afrastering is gereden (daarbij een H.A.S. gasstation aanreed) en/of/vervolgens met ongeveer 50 kilometer per uur of/althans met onverminderde snelheid tegen en door de voorgevel van een bedrijfspand (waarin het bedrijf [naam 1] was gevestigd) is gereden’ omschreven uit welke gedragingen de culpa volgens de officier van justitie bestaat.

Verdachte wordt verder onder 1 primair verweten dat hij opzettelijk en wederrechtelijk een H.A.S. gasstation van [naam 2] . en een bedrijfspand van [naam 1] heeft vernield. De tenlastegelegde opzet is naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijk en hoeft niet nader te worden omschreven. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging en stelt vast dat de dagvaarding geldig is

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder
1 (primair), 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte met onverminderde snelheid op een T-splitsing rechtdoor is gereden, waarna hij door een hek en vervolgens door de gevel van een bedrijfspand is gereden. Hoewel onduidelijk is gebleven wat zich op dat moment in het hoofd van verdachte heeft afgespeeld kan op basis van voornoemde gedragingen wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen, als gevolg waarvan brand is ontstaan, het bedrijfspand is verbrand en gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. De officier van justitie acht op grond van het voorgaande tevens de tenlastegelegde vernieling van het H.A.S. gasstation wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zijn standpunt gebaseerd op de ademanalyse waaruit blijkt dat 125 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht is gemeten. Weliswaar is verdachte daarmee binnen de toegestane hoeveelheid gebleven, maar gelet op de aanrijding die hij heeft veroorzaakt moet verdachte hebben geweten dat hij onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie zijn standpunt gebaseerd op het feit dat verdachte na het ongeval lopend naar huis is gegaan alvorens zijn identiteit kenbaar te maken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat op basis van de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en de ademanalyse niet kan worden vastgesteld dat het alcohol- en drugsgebruik van verdachte een rol heeft gespeeld bij de aanrijding. Tevens kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld met welke snelheid verdachte heeft gereden ten tijde van het ongeval. Naar de toedracht van het ongeluk en de brand is bovendien geen technisch onderzoek gedaan. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen ten gevolge waarvan brand en gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Dat verdachte opzettelijk het bedrijfspand heeft vernield, dan wel gevaar op de weg heeft veroorzaakt kan gelet op het voorgaande evenmin wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat uit het NFI rapport blijkt dat er geen drugs of geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden zijn aangetoond in het bloed van verdachte. Het gemeten alcoholgehalte is bovendien binnen de wettelijk toegestane hoeveelheid gebleven. Niet duidelijk is verder wanneer en binnen welk tijdsbestek verdachte de alcohol heeft genuttigd, zodat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Daarnaast stelt de raadsman dat de ouders van verdachte de identiteit van verdachte hebben kenbaar gemaakt toen de politie daar aan de deur kwam.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zich niets meer van het voorval kan herinneren en vermoedelijk in shock verkeerde. Verdachte is zich dus niet bewust geweest van de schade die hij had toegebracht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feit 1

Culpoze brandstichting

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage weergegeven bewijsmiddelen vast dat verdachte op 17 december 2016 vanuit de Jaargetijdenweg de T-splitsing met de [adres 2] is genaderd en dat verdachte vervolgens rechtdoor rijdende op die T-splitsing door een hek is gereden, een H.A.S. gasstation heeft geraakt en uiteindelijk door de gevel van een bedrijfspand is gereden, waarna de auto in het bedrijfspand tot stilstand is gekomen. In dat bedrijfspand is brand ontstaan. Zowel de auto van verdachte als het bedrijfspand zijn volledig uitgebrand. Hoewel er geen nader technisch onderzoek aan de auto is verricht omdat de auto al was uitgebrand, acht de rechtbank gelet op het feit dat verdachte bij het binnen rijden van het bedrijfspand een gasleiding heeft geraakt, alsmede gelet op de verklaring van getuige [getuige] dat zij een gigantische knal hoorde en vervolgens zag dat de gevel van het bedrijf kapot was en dat er rook en vuur was, het causaal verband tussen de door verdachte veroorzaakte aanrijding en de brand wettig en overtuigend bewezen.

Bij de beantwoording van de vraag of de brand aan de schuld van verdachte is te wijten overweegt de rechtbank dat onder schuld als delictsbestanddeel volgens vaste jurisprudentie een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of sprake is van schuld in strafrechtelijke zin, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is voorts afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van de gedragingen kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank overweegt dat uit de bewakingsbeelden van twee ondernemingen gelegen aan de [adres 3] blijkt dat verdachte met zeer hoge snelheid langs is gereden. Zoals reeds hiervoor overwogen, is verdachte vervolgens op de T-splitsing met de [adres 2] rechtdoor gereden en is hij achtereenvolgens door een hekwerk, tegen een H.A.S. gasstation en in een bedrijfspand gereden. Hoewel de snelheid waarmee gereden is niet kon worden vastgesteld, komt de rechtbank, gelet op het feit dat verdachte op de T-splitsing rechtdoor is gereden, de omstandigheid dat de auto van verdachte, ondanks een aanrijding met een hekwerk en een H.A.S. gasstation, ook nog dwars door de gevel van een bedrijfspand is gereden, tot de conclusie dat verdachte met onverminderde snelheid op die T-splitsing heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door op voornoemde wijze te rijden grovelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

De rechtbank acht derhalve het eerste onderdeel van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten de culpoze brandstichting, wettig en overtuigend bewezen.

Vernieling

De rechtbank acht het tweede onderdeel van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten de vernieling, eveneens wettig en overtuigend bewezen, aangezien verdachte door zich te gedragen zoals hiervoor overwogen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij spullen zou kunnen vernielen. Dat hij zich niet bewust was van het feit dat zich op de plek van de aanrijding een H.A.S. gasstation bevond, maakt dit niet anders. Door zich te gedragen zoals hij zich heeft gedragen heeft hij op de koop toe genomen dat er meer beschadigd en vernield zou worden dan alleen het voor hem zichtbare hek en bedrijfspand, dus ook het H.A.S. gasstation. De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte het bedrijfspand heeft vernield.

4.3.2

Feit 2

Bij de beantwoording van de vraag of wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 8 WVW is beslissend of uit het bewijs kan worden afgeleid dat de verdachte onder een zodanige invloed van een stof verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.1 Het gaat om de vraag of aangenomen mag worden dat de gemiddelde bestuurder in de vastgestelde omstandigheden van het geval niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht en een daarop gegrond ernstig vermoeden dat ook de verdachte niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.2

De rechtbank overweegt dat uit de rapportage van het NFI van 16 januari 2017 blijkt dat er geen (omzettingsproducten van) drugs en/of geneesmiddelen zijn aangetoond in het bloed van verdachte die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte zijn auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van cocaïne verkeerde. Uit onderzoek met een ademanalyseapparaat dat enkele uren na het ongeval op 17 december 2016 om 05:08 uur heeft plaatsgevonden, blijkt dat er 125 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht is gemeten. Dat is minder dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol per liter uitgeademde lucht waarmee iemand een auto mag besturen. Reeds gelet hierop kan niet worden aangenomen dat de gemiddelde bestuurder in de vastgestelde omstandigheden niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Daar komt bij dat gelet op het tijdsverloop tussen het ongeval en de ademanalyse niet kan worden vastgesteld dat verdachte op het tijdstip van de aanrijding onder zodanige invloed was dat hij niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Hoewel verdachte niet heeft verklaard dat hij na het ongeluk nog alcohol heeft genuttigd, kan dit ook niet worden uitgesloten. De enkele verklaring van verdachte zelf dat hij die avond zes a zeven biertjes heeft genuttigd is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde.

4.3.3

Feit 3

De verdediging betwist niet dat verdachte als bestuurder van een motorrijtuig dat betrokken is geweest bij een verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten, maar heeft gesteld dat verdachte zich niet bewust is geweest van de schade die was toegebracht zodat er geen bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit kan volgen. Daarnaast stelt de raadsman dat de ouders van verdachte de identiteit van verdachte hebben kenbaar gemaakt toen de politie daar aan de deur kwam.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte is door een hekwerk, tegen een H.A.S. gasstation en in een bedrijfspand gereden, dat vervolgens in brand is gevlogen. Verdachte, die door de aanrijding zelf ook gewond was geraakt, is vervolgens uit zijn auto gestapt, die zich middenin het bedrijfspand bevond, en naar huis gelopen. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat hij door het ongeval schade aan anderen had toegebracht en acht de verklaring van verdachte dat hij zich daar niet bewust van was volstrekt ongeloofwaardig. De wet kent de mogelijkheid van uitsluiting van strafbaarheid wanneer de verdachte zich binnen twaalf uur na het verkeersongeval, en voordat hij als verdachte is aangehouden, vrijwillig bij de politie meldt en zijn identiteit en die van het motorrijtuig bekend maakt. Nog daargelaten dat de vraag kan worden gesteld of de ouders van een meerderjarige dit ook zouden kunnen doen, is er in het onderhavige geval geen ruimte meer voor vrijwilligheid, nu de politie bij verdachte aan de deur is geweest en het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de politie hem zocht.

De rechtbank acht feit 3 derhalve wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 17 december 2016 in de gemeente Enschede grovelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam met zijn auto door een gesloten afrastering is gereden, daarbij een H.A.S. gasstation aanreed, en met onverminderde snelheid tegen en door de voorgevel van een bedrijfspand, waarin het bedrijf [naam 1] was gevestigd, is gereden, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat dit bedrijfspand is verbrand en daardoor gemeen gevaar voor goederen, ontstond;

en

hij op 17 december 2016 in de gemeente Enschede opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw en zijn inhoud toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 1] en een H.A.S. gasstation, toebehorende aan [naam 2] ., heeft vernield door met onverminderde snelheid met zijn auto door een gesloten afrastering te rijden, daarbij een H.A.S. gasstration heeft aangereden (eigendom van [naam 2] .) en tegen en door de voorgevel van een bedrijfspand, waarin het bedrijf [naam 1] was gevestigd, is gereden;

3.

hij, die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in de gemeente Enschede aan de [adres 2] , op 17 december 2016 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [naam 1] en [naam 2] ., schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 158, 350 en 352 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair:

de eendaadse samenloop van:

het misdrijf: aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

en

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat aan een ander toebehoort, vernielen;

en

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 3

het misdrijf: overtreding van artikel 7 WVW.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is in de nacht van 17 december 2016 op een industrieterrein met zijn auto door een hekwerk, tegen een H.A.S. gasstation en in een bedrijfspand gereden. Als gevolg hiervan is brand ontstaan en is het bedrijfspand uitgebrand. Verdachte heeft hiermee veel schade aan de eigenaar van het bedrijfspand, de heer [naam 1] , toegebracht. Het bedrijfspand is uitgebrand en de heer [naam 1] is nog steeds bezig om zijn onderneming weer op de rit te krijgen en de schade af te wikkelen. Ook aan [naam 2] ., de eigenaar van het gasstation, heeft verdachte veel schade toegebracht. Verdachte heeft bovendien de plaats van het ongeval verlaten zonder dat hij de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit. Zodoende heeft hij zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer mag worden verwacht.

Uit het reclasseringsadvies van 26 juni 2018 blijkt dat de reclassering het recidiverisico als laag inschat en dat zij geen indicaties ziet voor reclasseringsbegeleiding en of interventies.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten, alsmede gelet op de omstandigheid dat

verdachte een first offender is, acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1 heeft [naam 1] zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 11.356,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- vier autobanden en velgen Audi € 3.242,--

- reservesleutel auto; € 224,--

- onderdelen Harley; € 2.710,--

- vier autobanden en velgen Mini; € 3.200,--

- vier autobanden en velgen Toyota; € 525,--

- vier autobanden en velgen Ford; € 1.400,--

- naaimachine Singer; € 500,--

- elektrische fiets; € 1.000,--

- skibox; € 400,--

- hondenmand met diversen € 100,--

Bovengenoemde schadeposten bedragen in totaal € 13.301,-- maar daarop is door de benadeelde partij in mindering gebracht de schade die door de verzekeraar zal worden vergoed, te weten € 1.945,00, zodat een bedrag van € 11.356,-- resteert.

Ten aanzien van feit 1 heeft tevens [naam 2] . zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.922,70 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    transportbedrag € 2.204,11

  • -

    gassstation HASA € 1.134,06

  • -

    klein materiaal € 14,31

  • -

    herstel tekenwerk € 36,87

  • -

    uren graafmachine € 318,72

  • -

    handelingskosten € 214,63

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [naam 2] ., te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam 2] . en [naam 1] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat de behandeling gelet op de complexiteit van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vordering van [naam 1] onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd zodat de vordering dient te worden afgewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De door de benadeelde partij [naam 1] opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn vordering alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De rechtbank verklaart [naam 1] om die reden niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de door [naam 2] gevorderde schadevergoeding overweegt de rechtbank dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder feit 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan [naam 2] . De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom volledig toewijzen tot € 3.922,70 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

[naam 2] . heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 27, 55, 57 en 91 Sr en de artikelen 176 en 178 WVW.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt

hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair:

de eendaadse samenloop van:

het misdrijf: aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

en

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat aan een ander toebehoort, vernielen;

en

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 3

het misdrijf: overtreding van artikel 7 WVW.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair en feit 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 (honderd) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

ten aanzien van feit 1 primair:

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 1] , niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] . van een bedrag van € 3.922,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.922,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van

49 dagenzal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. J.H. Olthof en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.

Buiten staat

Mr. Olthof is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] van 19 januari 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] van 19 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van vernieling van mijn pand. Als gevolg van een aanrijding, er is een personenauto ons pand ingereden, is in ons pand brand ontstaan. Ons pand is onherstelbaar beschadigd als gevolg van de aanrijding en de daaropvolgende brand. Ook de goederen die in ons pand waren opgeslagen zijn allemaal verloren gegaan.

2. Een geschrift, zijnde een afschrift van de aangifte door [naam 2] . voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Een auto heeft een afrastering omver gereden vervolgens een HAS gas station

geraakt en toen een bedrijfspand binnen gereden. De schade is € 4.000,--.

3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 17 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb gisteren onder invloed van alcohol gereden en ben in aanrijding met het pand gekomen.Ik ben door de weilanden naar huis gelopen met verwondingen.

4. Het proces-verbaal sporenonderzoek van 23 december 2016, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 17 december 2016 omstreeks 01.55 uur werd er melding gedaan van een brand in een

bedrijfspand, waarbij een explosie werd gehoord. In het pand, in de brand, zag de brandweer een auto staan waar het bestuurdersportier van open stond. Door de brandweer werd in het brandende pand gekeken naar eventuele inzittenden van de auto en of slachtoffers. Deze werden niet aangetroffen. De brandweer had het pand gecontroleerd uit laten branden.

We zagen dat het pand op een t-splitsing stond van de [adres 2] met de

[adres 3] . Gezien de situatie moet de auto vanaf de [adres 3] zijn

aan komen rijden. Vanaf de [adres 3] zagen we dat er aan de rand van de [adres 2] zich een groenstrook bevond met aansluitend een hekwerk, enkele meters straatwerk dat ingericht was als parkeerplaats en dan de voorgevel van het pand. Ik zag dat er zich in het gaashekwerk zich een loophek had bevonden, waarvan de paal

er compleet uit getrokken was en dat deze ernstig vervormd was.

Op de plek waar de auto het pand binnen gereden moet zijn zagen we dat een horizontaal

geplaatste H-balk aan zijn bevestiging losgescheurd was.

Aan de rechterzijde van de plek waar de auto het pand was binnen gereden zag ik een

kapotte gasleiding, die inmiddels afgesloten was.

5. Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 4 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Door mij zijn de bewakingsbeelden bekeken van de bedrijven [naam 3] . en [naam 4] , respectievelijk gevestigd aan de [adres 3] en de [adres 3] te Enschede. Op zowel de beelden van [naam 3] . alsmede de beelden van [naam 4] is enkel een personenauto te zien die met zeer hoge snelheid voorbij de panden rijdt.

6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 17 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik werd wakker van een gigantische knal en hoorde vervolgens gesis. Ik ben meteen uit

bed gegaan en keek naar buiten. Ik zag dat de voorgevel van het bedrijf kapot was. Ik zag rook en vuur.

1 HR 21 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR5013.

2 HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2669.