Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2409

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-06-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
6689129 \ HA VERZ 18-25
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet thuiszorgmedewerkster blijft in stand. Werkneemster heeft herhaaldelijk uren gedeclareerd die zij niet heeft gewerkt. Ook heeft zij meerdere malen zorgrapportages opgesteld, terwijl zij geen zorg heeft verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0821
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 6689129 \ HA VERZ 18-25

Beschikking van de kantonrechter van 15 juni 2018

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, hierna te noemen werkneemster,

gemachtigde: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MT THUISZORG B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

verwerende partij, hierna te noemen werkgever,

gemachtigde: mr. N. Huberts

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van werkneemster, ter griffie binnengekomen op 1 maart 2018

- het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek

- de bij brieven van 28 maart en 3 april 2018 toegezonden aanvullende producties van werkgever

- ( het proces-verbaal van) de mondelinge behandeling d.d. 4 april 2018

- de pleitnota van werkneemster

- de akte van depot d.d. 4 april 2018

- de akte van werkgever d.d. 18 april 2018

- de akte uitlating, tevens akte overlegging producties van werkneemster

- de akte van werkgever d.d. 9 mei 2018.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Werkgever is een thuiszorgorganisatie die voornamelijk zorg verleent aan allochtone oudere mensen, die niet goed Nederlands spreken en zorgbehoevend zijn.

2.2.

Werkneemster, geboren op [1974] , is op 1 augustus 2015 in dienst getreden bij werkgever. De laatste functie die zij vervulde is die van helpende, met een salaris van € 11,69 per uur.

2.3.

In de laatste tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst d.d. 27 december 2016, die is ingegaan per 1 januari 2017, staat onder meer het volgende vermeld:

Artikel 3: Duur van de dienstbetrekking

3.1

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

De arbeidsovereenkomst is voor beide partijen tussentijds opzegbaar. Opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van de maand. (…) Voor de werknemer geldt eveneens een opzegtermijn van 1 maand.

(…)

Artikel 5: Arbeidsduur

5.1

De arbeidsduur bedraagt 32 uren gemiddeld per week, te meten op jaarbasis.

(…)

Artikel 8: Opleiding en cursussen

8.1


Werkgever kan werknemer verzoeken om her- en bijscholingscursussen te volgen. Werknemer is verplicht periodiek, indien nodig ook buiten de normale werktijden om, aan de her- en bijscholingscursussen deel te nemen waarvan de kosten voor rekening van werkgever komen. (…)


8.2

Indien binnen 3 jaar na het einde van de betreffende cursus/opleiding de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd door werknemer, en of het niet behalen of voortijdig beëindigen van de cursus c.q. werknemer schadeplichtig is, zal de werknemer de kosten van de betreffende cursus en de daarmee gepaard gaande andere studiekosten aan werkgever moeten terugbetalen volgende onderstaande rekenformule:

Gedurende het eerste jaar 100% van de totale kosten van de cursus / opleiding;

Gedurende het tweede jaar 66% van de totale kosten van de cursus / opleiding;

Gedurende het derde jaar 33% van de totale kosten van de cursus / opleiding.

Werknemer stemt op voorhand in met de verrekening van het ter zake verschuldigde met de eindafrekening van het dienstverband.

(…)”

2.4.

Werkgever heeft per 1 oktober 2017 een bedrijfsauto aan werkneemster ter beschikking gesteld.

2.5.

Werkneemster heeft zich op 15 januari 2018 ziek gemeld.

2.6.

De gemachtigde van werkneemster heeft werkgever bij brief van 2 februari 2018 om betaling van een bedrag van € 10.020,47 (bruto) verzocht. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:
“(…)

a. Op grond van art. 1.1 lid 2 onder 4 van de CAO omvat de arbeidstijd ook de reis- en wachttijden, indien reistijden meer bedragen dan de gebruikelijke reistijden voor woon-werkverkeer en voor ambulante werknemers de reistijden tussen cliënten.

b. Op grond van art. 3.9 van de CAO heeft de werknemer in november recht op een eindejaarsuitkering van 5,7 % van het bruto salaris in 2016 en 7% van het salaris in 2017.

c. Op grond van art. 3.9A van de CAO heeft de werknemer recht op een eenmalige uitkering over 2016 en 2017 van 1,2%.

Cliënte vertelde mij dat zij de onder a tot en met d genoemde loonbetalingen niet, danwel niet volledig heeft ontvangen. Namens haar vorder ik dan ook betaling van de volgende bedragen:

a. Betaling van de reistijd over de periode december 2015 tot en met december 2017, totaal 614.45 uur volgens bijlage, totaal (614,75 x € 11,69) € 7.186,43

b. Betaling van de eindejaarsuitkering over 2016 € 912,44

Betaling eindejaarsuitkering over 2017 € 1.517,41

c. Eenmalige vergoeding december 2016, 1,2 %*12*sal. dec. € 170,78

eenmalige vergoeding over 2017,1,2% 1,2%*12*sal. feb € 233,41 Totaal bruto € 10.020,47

(…)
Ik verzoek u en zo nodig sommeer ik u het netto equivalent van het bedrag van € 10.020,47 onder overlegging van een deugdelijke specificatie, binnen twee weken na dagtekening van deze brief te storten op onze derdenrekening, (…).

Mocht ik alsdan geen betaling danwel een reactie van u hebben ontvangen, dan zal ik zonder verdere aankondiging in rechte betaling vorderen. Alsdan zal eveneens de wettelijke rente en de wettelijke verhoging worden gevorderd.

(…)”

2.7.

Bij ongedateerde brief, die werkneemster op 16 februari 2018 heeft ontvangen, is werkneemster op staande voet ontslagen. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“Omstreeks 2 februari jl. ontvingen wij de brief van uw advocaat van 2 februari jl. In deze brief stelt u ons aansprakelijk voor betaling van ruim € 10.000,-. Naar aanleiding van uw brief hebben wij onderzoek gedaan naar de juistheid van uw stellingen.

Wij hebben bij het onderzoek een aantal ernstige feiten moeten constateren. Deze feiten zijn dusdanig

ernstig dat wij u per direct op staande voet ontslaan. Wij zullen hieronder uitleggen welke feiten wij

hebben geconstateerd. Vervolgens zullen wij aan de hand van voorbeelden uitleg geven bij de

geconstateerde feiten.

Uren declaratie en GPS registratie

1. Door u zijn uren gedeclareerd, terwijl u volgens de GPS registratie thuis was;

2. U heeft teveel uren gedeclareerd, die uren heeft u wel gewerkt en door u zijn gedeclareerd, maar teveel;

3. U heeft de auto privé gebruikt, dit is niet toegestaan;


4. U heeft volgens de GPS registratie, wel zorg verleend maar niet/ niet juist geregistreerd en/of

gerapporteerd;

5. Tijdens ziekte heeft u uren gedeclareerd;


Onjuiste en/of ontbrekende rapportages


6. Ontbreken van rapportages bij verleende zorg;

7. Achteraf onjuist opgestelde rapportages bij verleende zorg;

8. Opstellen van rapportages zonder dat zorg is verleend;

Voor de onder punt 1 t/m 5 geconstateerde feiten, verwijs ik u naar de bijlage. Hierin staat vermeld

welke adressen/ cliënten door u zijn gedeclareerd en welke adressen/ cliënten het GPS systeem heeft

geregistreerd. Tevens valt uit het GPS systeem af te lezen hoe lang de auto bij een bepaald adres heeft

stil gestaan.

(…)

Door uw handelen heeft u niet alleen ten onrechte salaris ontvangen, maar heeft u tevens onjuist zorg

verleend, cliënten tekort gedaan, schade toegebracht aan onze goede naam en schade veroorzaakt

aan het bedrijf.

Door het ontbreken van rapportages en het opstellen van foutieve rapportages, of het opstellen van rapportages terwijl u geen zorg heeft verleend, heeft u ernstige schade veroorzaakt aan het bedrijf. Immers zal bij onjuiste rapportages, het ontbreken van rapportages of het ten onrechte opstellen van rapportages door de zorgverzekering een boete worden opgelegd. Nu uw handelswijze kan worden gekwalificeerd als opzet en/of bewuste roekeloosheid stel ik u aansprakelijk voor de gehele dan wel een deel van de opgelegde of nog op te leggen boetes.

(…)
De genoemde gebeurtenissen leveren ieder voor zich, als ook tezamen of in enig andere samenhang

of in onderling verband een dringende reden op voor ontslag op staande voet.

Dit betekent dat het dienstverband per 15 februari 2018 is beëindigd. (…)”

2.8.

Werkgever heeft werkneemster een eindafrekening d.d. 28 februari 2018 verstrekt.

2.9.

Werkneemster heeft op kosten van werkgever twee opleidingen kunnen volgen, namelijk helpende in de zorg op MBO niveau 2 en verzorgende IG op MBO niveau 3.

3 Het verzoek

3.1.

Werkneemster verzoekt primair voor recht te verklaren dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt en dat dit ontslag ten onrechte is verleend. Ook verzoekt werkneemster te bepalen dat het ontslag in stand zal worden gehouden, dat werkgever binnen een maand na heden een billijke vergoeding dient te betalen van

€ 50.000,00 bruto, althans het netto equivalent daarvan, dan wel een vergoeding die de kantonrechter redelijk acht en dat werkgever binnen een maand na heden een transitievergoeding van € 2.611,24 dient te betalen.

Subsidiair verzoekt werkneemster de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen.

Zowel primair als subsidiair verzoekt werkneemster werkgever te veroordelen om binnen een maand na heden:

- aan werkneemster te betalen een bedrag van € 10.020,47, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

- een deugdelijke specificatie van voornoemde betalingen af te geven, alsmede een correctie van de specificatie van februari 2018;

- tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt werkneemster het navolgende ten grondslag. De dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet ontbreekt. Er is geen sprake van – bewust en opzettelijk – onjuiste declaraties, noch van het bewust onjuist opstellen van rapportages of van rapportages zonder dat zorg is verleend. Werkgever komt nu met gegevens waarop werkneemster nooit eerder is aangesproken en werkgever heeft de declaraties en rapportages van werkneemster ook steeds geaccepteerd. Werkgever heeft werkneemster er bovendien nooit op gewezen dat er op een andere manier gedeclareerd of gerapporteerd moest worden. Werkneemster heeft zich meer dan normaal ingezet voor de zorg voor de aan haar toevertrouwde cliënten en deze waren altijd zeer tevreden over haar. De opzegging is ook in strijd met het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW. Werkneemster kan op grond van artikel 7:681 BW aanspraak maken op een billijke vergoeding. Werkgever heeft het in de brief van 2 februari 2018 genoemde bedrag van € 10.020,47 nog altijd niet betaald. De van werkgever ontvangen eindafrekening is bovendien onjuist en dient gecorrigeerd te worden.

4 Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek van werkgever

4.1.

Werkgever verweert zich en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor het geval het verzoek tot achterstallig salaris wordt toegewezen, verzoekt werkgever te bepalen dat haar een beroep toekomt op verrekening van de teveel aan werkneemster betaalde uren. Voor zover geoordeeld wordt dat werkgever een transitievergoeding aan werkneemster verschuldigd is, verzoekt werkgever te bepalen dat zij deze in maximaal zes termijnen mag voldoen.

4.2.

Werkgever voert daartoe het volgende aan. Er is wel degelijk sprake van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Werkneemster heeft over een langere periode onjuiste zorgrapportages opgesteld en te hoge urendeclaraties ingediend. Ook heeft zij de aan haar ter beschikking gestelde bedrijfsauto privé gebruikt, hetgeen niet is toegestaan. Werkneemster is herhaaldelijk aangesproken op het juist en tijdig invullen van de declaratieformulieren. Ten aanzien van het declareren van uren die niet zijn gewerkt en het verzinnen van verleende zorg behoefde niet gewaarschuwd te worden, aangezien het evident is dat dergelijk gedrag niet getolereerd wordt. Werkneemster kan geen aanspraak maken op een transitievergoeding en op een billijke vergoeding. De loonvordering van werkneemster moet ook worden afgewezen, nu deze is gebaseerd op list en bedrog. Werkgever heeft schade geleden door het ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster, aangezien zij werkneemster te veel salaris heeft betaald en werkgever boetes opgelegd heeft gekregen of nog zal krijgen. Werkgever heeft in ieder geval een voorlopige boete opgelegd gekregen van € 40.000,00 als gevolg van onjuistheden in de zorgrapportages. Zodra de hoogte van deze boete definitief is vastgesteld, zal deze naar rato worden toegerekend aan werkneemster en op haar worden verhaald.

4.3.

Werkgever verzoekt de kantonrechter bij wijze van zelfstandig tegenverzoek te bepalen dat werkneemster een bedrag van € 7.500,00 bruto aan werkgever dient terug te betalen. Volgens werkgever heeft werkneemster dit bedrag over de periode 1 oktober 2017 tot 15 januari 2018 foutief gedeclareerd.

5 De beoordeling

van het verzoek

5.1.

Werkneemster heeft het verzoek tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop het ontslag op staande voet is gegeven.

5.2.

Het gaat in deze zaak primair om de vraag of het ontslag op staande voet terecht is gegeven en aan werknemer een transitievergoeding en een billijke vergoeding dient te worden toegekend. Ook ligt primair de vraag voor of werkneemster aanspraak kan maken op achterstallig salaris.

5.3.

Ingevolge artikel 7:677 lid 1 BW is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van werknemer, die ten gevolge hebben dat van werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.4.

Vooropgesteld wordt dat een ontslag op staande voet een uiterst middel is en dat het slechts mag worden gegeven als van de werkgever op grond van een dringende reden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de werknemer in kwestie nog langer te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zullen hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vergelijk HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BV9532).

5.5.

Indien het ontslag op staande voet terecht is gegeven, faalt het beroep van werkneemster op het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW. Het opzegverbod bij ziekte geldt immers niet bij een ontslag op staande voet.

5.6.

Werkneemster stelt zich zonder nadere toelichting op het standpunt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en dat werkgever geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Volgens werkgever was het toepassen van hoor en wederhoor echter niet mogelijk, aangezien alle communicatie met werkneemster door haar partner werd afgehouden. Werkneemster heeft deze stelling niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Dit leidt ertoe dat het beroep van werkneemster op het ontbreken van hoor en wederhoor wordt verworpen. Wat betreft de onverwijldheid stelt werkgever zich op het standpunt dat het ontslag wel onverwijld is gegeven, omdat zij het ontslag na haar constateringen en na het inwinnen van juridisch advies dezelfde dag nog heeft verleend. Aangezien werkneemster niet heeft toegelicht waarom het ontslag volgens haar niettemin niet onverwijld is gegeven, zal ook aan deze stelling voorbij worden gegaan.

5.7.

Blijkens de ontslagbrief heeft werkgever acht verschillende gronden aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd welke er samengevat op neerkomen dat werkneemster uren heeft gedeclareerd die zij niet gewerkt heeft, verleende zorg niet of niet juist gerapporteerd heeft, rapportages heeft opgesteld zonder dat er zorg is verleend en de bedrijfsauto privé heeft gebruikt terwijl dit niet is toegestaan. Werkgever heeft in de ontslagbrief vermeld dat de acht gronden ieder voor zich en tezamen of in onderling verband een dringende reden opleveren voor het ontslag. Op verzoek van de kantonrechter heeft werkgever in haar akte van 18 april 2018 negentien voorbeelden genoemd waaruit voornoemd gedrag van werkneemster zou moeten blijken. Ter onderbouwing van deze voorbeelden heeft werkgever onder meer (delen van) de GPS-uitdraai uit de bedrijfsauto van werkneemster overgelegd. De gehele GPS-uitdraai over de periode van 30 september tot en met 15 december 2017 heeft werkgever ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

5.8.

Werkneemster meent dat de GPS-uitdraai als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moet worden gelaten. Zij stelt dat het gebruik van de GPS-registratie een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op haar privacy en dat dit gebruik niet voorzienbaar, niet kenbaar, volledig willekeurig en disproportioneel is.

5.9.

Werkgever heeft ter zitting toegelicht dat zij het GPS-volgsysteem niet zelf in de auto heeft geplaatst, maar dat dit is geplaatst door het verhuurbedrijf waar zij de auto aanvankelijk heeft gehuurd en later heeft gekocht. Volgens werkgever heeft zij de

GPS-uitdraai ongevraagd toegestuurd gekregen en heeft zij deze gebruikt om de door werkneemster in de brief van 2 februari 2018 genoemde loonvordering te controleren. Bij deze controle is gebleken dat werkneemster onjuiste declaraties en zorgrapporten heeft ingediend, aldus werkgever.

5.10.

Gelet op voornoemde stellingen van werkgever, die werkneemster onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, is het nog maar zeer de vraag of sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Wat hier echt ook van zij, ook indien wordt vastgesteld dat bewijsmateriaal door de partij die zich erop beroept onrechtmatig is verkregen, geldt gelet op het bepaalde in artikel 152 Rv niet als algemene regel dat de rechter daarop geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is uitsluiting van dat bewijs gerechtvaardigd (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942 en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1632). Dergelijke bijkomende omstandigheden heeft werkneemster niet gesteld en zijn ook niet gebleken. De stelling van werkneemster dat de GPS-uitdraai als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moet worden gelaten, wordt daarom gepasseerd.

5.11.

Werkneemster heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de GPS-uitdraai niet deugt, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de daarin opgenomen gegevens.

5.12.

De door werkgever genoemde voorbeelden hebben deels betrekking op privégebruik van de bedrijfsauto. Partijen verschillen echter van mening of dit gebruik was toegestaan. Volgens werkneemster zijn er over het gebruik van de auto geen afspraken gemaakt en was het haar niet verboden de auto privé te gebruiken. Werkgever stelt dat zij nooit met werkneemster heeft afgesproken dat de auto ook privé gebruikt mocht worden en dat werkneemster hiervoor ook geen toestemming heeft gevraagd. Nu werkgever haar stellingen ten aanzien van de afspraken over het gebruik van de bedrijfsauto verder niet heeft toegelicht en onderbouwd, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Dit betekent dat de voorbeelden die betrekking hebben op het privégebruik van de auto geen bespreking behoeven en niet meewerken tot het bewijs van de dringende reden.

5.13.

De andere door werkgever genoemde voorbeelden hebben betrekking op het indienen van onjuiste declaraties en zorgrapportages. De kantonrechter constateert naar aanleiding van deze voorbeelden en de reactie daarop van werkneemster onder meer het volgende. Werkneemster heeft in haar urendeclaratie ingevuld dat zij op 6 oktober 2017 in de ochtend 1 uur en 40 minuten zorg heeft verleend aan de heer en mevrouw [A] en in de middag 1,5 uur zorg aan de heer en mevrouw [B] , terwijl zij niet bij deze cliënten is geweest. Volgens werkneemster moest zij met een andere cliënt naar de tandarts en hebben haar collega’s haar rooster opgepakt, maar dit verklaart niet waarom zij toch voornoemde uren heeft gedeclareerd. Ook in de declaratie over 12 oktober 2017 heeft werkneemster uren gedeclareerd voor aan de heer en mevrouw [A] verleende zorg, terwijl zij niet bij hen is geweest. Werkneemster stelt dat zij met een collega geruild heeft en dat zij de uren veel later aan de hand van haar rooster heeft gedeclareerd, maar uit het door werkgever overgelegde rooster blijkt dat werkneemster die dag helemaal niet stond ingepland bij de heer en mevrouw [A] . Werkneemster heeft verder 90 minuten gedeclareerd voor op 26 oktober 2017 aan de heer en mevrouw [B] verleende zorg en 120 minuten voor op die datum aan de heer en mevrouw [A] verleende zorg, terwijl zij maar 15 en 50 minuten bij deze cliënten is geweest. Volgens werkneemster heeft mevrouw [B] haar het huis uitgejaagd en is zij vervolgens naar huis gegaan om voor de familie [B] te koken. Uit de GPS-uitdraai blijkt echter niet dat werkneemster na het bezoek aan de familie [B] direct naar huis is gegaan. Op de ten aanzien van de heer en mevrouw [A] te veel gedeclareerde uren gaat werkneemster niet expliciet in.

5.14.

Op 2 november 2017 heeft werkneemster drie zorgmomenten gedeclareerd ten aanzien van de heer of mevrouw [B] en een zorgmoment van 1,5 uur bij de heer en mevrouw [A] . Ook heeft zij in de zorgrapportages van de heer en mevrouw [A] onder vermelding van de datum 2 november 2017 een aantekening gemaakt. Uit de GPS-uitdraai blijkt echter dat werkneemster niet bij de familie [A] is geweest en slechts één keer bij de familie [B] . Werkneemster stelt dat de familie [A] die middag niet thuis bleek te zijn en dat zij daarom ’s avonds bij hen is geweest. Wat betreft de familie [B] stelt werkneemster dat de deur niet werd open gedaan en dat zij daarom ’s middags thuis voor hen heeft gekookt en ’s avonds eten heeft gebracht. Werkneemster stelt dat de bezoeken in de avond aan de families [A] en [B] uit de GPS-registratie blijken, maar dat werkgever heeft verzuimd een uitdraai met betrekking tot die avond te overleggen. Uit de door werkgever ter griffie van de rechtbank gedeponeerde GPS-uitdraai blijkt echter dat de auto na 13.59 uur die dag niet meer is gestart.

Werkneemster erkent ook dat zij ten onrechte 90 minuten heeft gedeclareerd voor op 9 november 2017 aan de familie [A] verleende zorg. Zij stelt dat zij op dat moment een andere cliënt naar de huisarts heeft gebracht en dat zij afwijkingen niet in haar agenda heeft gezet en daardoor fouten heeft gemaakt met het declareren van haar uren. Werkneemster erkent verder dat zij een fout heeft gemaakt door twee keer een zorgmoment te declareren ten aanzien van op 19 november 2017 aan cliënt [C] verleende zorg, terwijl zij maar één keer bij haar is geweest en ook maar één keer ingeroosterd stond. Een verklaring voor deze fout heeft zij niet gegeven.

5.15.

Werkneemster heeft verder 110 minuten gedeclareerd voor op 24 november 2017 aan de heer en mevrouw [D] verleende zorg, terwijl zij maar 34 minuten bij deze cliënten is geweest. Volgens werkneemster is zij ’s middags terug gegaan om de heer of mevrouw [D] naar het ziekenhuis te brengen. Werkneemster stelt dat dit uit de GPS-registratie zou moeten blijken en dat werkgever verzuimd heeft de registratie met betrekking tot de gehele dag te overleggen. Uit de ter griffie van de rechtbank gedeponeerde GPS-uitdraai volgt echter dat werkneemster alleen in de ochtend van 24 november 2017 bij de familie [D] is geweest. In die uitdraai is het door werkgever genoemde adres van het ziekenhuis in Apeldoorn, welk adres werkneemster niet heeft weersproken, evenmin terug te vinden. Werkneemster heeft in het zorgrapport van de betreffende dag wel vermeld dat zij met meneer [D] naar het ziekenhuis is geweest.
Werkneemster erkent verder dat zij voor 26 november 2017 twee zorgmomenten bij cliënt [E] te veel heeft gedeclareerd en dat zij voor 1 december 2017 1,5 uur heeft gedeclareerd voor aan cliënt [F] verleende zorg, terwijl deze cliënt werkneemster niet binnen liet, althans niet thuis was. Dit eerste feit is volgens haar een vergissing. Ook erkent werkneemster dat zij op 5 december 2017 twee keer bij cliënt [E] is geweest, terwijl zij voor die dag drie zorgmomenten voor deze cliënt heeft gedeclareerd en heeft vermeld in de zorgrapportage. Tot slot erkent werkneemster dat zij ten onrechte uren gedeclareerd heeft voor op 28 december 2017 verleende zorg. Werkneemster was die dag ziek, maar heeft wel ruim 5,5 uren aan verleende zorg gedeclareerd. Volgens werkneemster was ook dit een vergissing.

5.16.

De conclusie uit het voorgaande is dat werkneemster herhaaldelijk uren heeft gedeclareerd die zij niet heeft gewerkt en meerdere malen zorgrapportages heeft opgesteld, terwijl zij geen zorg heeft verleend. Volgens werkneemster is er slechts sprake geweest van vergissingen en heeft zij zeker niet bewust onjuiste declaraties en zorgrapportages ingediend, maar gelet op de inhoud en de omvang van de geconstateerde onjuistheden kunnen deze niet louter als vergissingen bestempeld worden. Dit geldt te meer nu werkneemster ter zitting heeft verklaard de urendeclaraties niet alleen aan de hand van haar rooster maar ook aan de hand van weekbriefjes in te vullen. De verklaringen die werkneemster voor (een deel van) de geconstateerde onjuistheden geeft, zijn bovendien aantoonbaar onjuist, nu deze niet rijmen met de ter griffie gedeponeerde GPS-uitdraai. De kantonrechter merkt nog op dat voor zover werkneemster ten aanzien van bepaalde dagen inderdaad niet meer wist bij welke cliënten zij was geweest en voor hoe lang, het op haar weg had gelegen daarover contact op te nemen met werkgever en niet zomaar wat uren te declareren.

5.17.

Een werkgever moet er, ook zonder een duidelijke instructie daartoe en zonder dat een werknemer daarop eerst behoeft te worden aangesproken, op kunnen vertrouwen dat een werknemer zijn werktijden eerlijk en correct invult en geen werkzaamheden verzint. Dit geldt des te meer in een geval als het onderhavige, waarin de werknemer per uur betaald wordt. De geconstateerde onjuistheden leveren naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een dringende reden op in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW, op grond waarvan van werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met werkneemster te laten voortduren. Werkgever was derhalve gerechtigd werkneemster op staande voet te ontslaan. De persoonlijke omstandigheden van werkneemster kunnen gelet op de aard en de ernst van de dringende reden wat dit betreft niet tot een ander oordeel leiden.

5.18.

Het voorgaande leidt ertoe dat de door werkneemster verzochte verklaringen voor recht zullen worden afgewezen en dat de kantonrechter zal bepalen dat het ontslag op staande voet in stand zal worden gehouden. De verzochte billijke vergoeding zal eveneens worden afgewezen.

5.19.

Nu werkneemster zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog en daardoor het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden, is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde. Werkneemster kan daarom geen aanspraak maken op een transitievergoeding.

5.20.

Het subsidiaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet moet gelet op het voorgaande eveneens worden afgewezen.

5.21.

De loonvordering van werkneemster moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de geconstateerde onjuistheden in de urendeclaraties en kan alleen al om die reden niet worden toegewezen. De kantonrechter voegt daaraan toe dat de vordering tot betaling van het salaris over de reistijd onvoldoende is toegelicht en onderbouwd. Het in dit kader overgelegde excelbestand is zonder toelichting, die ontbreekt, niet te volgen. Ten aanzien van de eenmalige vergoedingen over 2016 en 2017 geldt daarnaast dat uit de door werkgever overgelegde eindafrekening d.d. 28 februari 2018 en de toelichting daarop lijkt te volgen dat deze reeds – op papier – betaald zijn. Dit geldt ook voor (een deel van) de gevorderde eindejaarsuitkeringen. Werkneemster houdt in haar berekening van de eindejaarsuitkeringen bovendien ten onrechte geen rekening met het bijzondere belastingtarief dat voor die uitkeringen geldt.

5.22.

Werkneemster verzoekt tot slot om een correctie van de eindafrekening d.d. 28 februari 2018. Volgens werkneemster worden op die afrekening ten onrechte 69,34 minuren, opleidingskosten van € 3.870,00 en een bedrag van € 2.421,39 vanwege onregelmatige opzegging in mindering gebracht en kloppen de op die afrekening genoemde reserveringen voor de eindejaarsuitkeringen en het vakantiegeld niet.

5.23.

De minuren betreffen de uren die werkneemster vanaf half februari 2018 niet meer heeft gewerkt als gevolg van haar ontslag. Nu dit ontslag terecht is gegeven en werkneemster verder geen verweer heeft gevoerd tegen het aantal minuren, gaat de kantonrechter ervan uit dat de eindafrekening op dit punt geen correctie behoeft. Dit geldt, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.21 is overwogen, ook voor de eindejaarsuitkeringen. Wat betreft de vakantiegeldreservering heeft de kantonrechter geen enkele aanleiding om aan te nemen dat dit bedrag onjuist is, zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan.

Werkgever heeft bij haar akte van 18 april 2018 een gecorrigeerde eindafrekening overgelegd, waarop een bedrag van € 2.475,00 aan opleidingskosten vermeld staat in plaats van € 3.870,00. Uit de specificatie behorend bij deze afrekening volgt dat werkgever dit bedrag op grond van artikel 9 van de arbeidsovereenkomst heeft ingehouden op het salaris van werkneemster. Werkgever heeft weliswaar een factuur van een opleidingsinstituut ad

€ 2.475,00 overgelegd, maar heeft niet toegelicht of en zo ja, wanneer de betreffende opleiding precies is afgerond, zodat niet nagegaan kan worden of werkgever terecht aanspraak maakt op terugbetaling van het gehele bedrag. Werkgever dient de eindafrekening dan ook zodanig te corrigeren dat er geen opleidingskosten meer in mindering worden gebracht. De eindafrekening moet tot slot ook gecorrigeerd worden op het punt van de schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, nu werkgever deze post evenmin voldoende heeft toegelicht. Deze post dient ook gecorrigeerd te worden tot nihil. Werkgever dient vervolgens tot een correcte afwikkeling van het dienstverband met werkneemster over te gaan.

5.24.

De proceskosten komen voor rekening van werkneemster, omdat zij ongelijk krijgt. Deze kosten worden aan de zijde van werkgever tot op heden begroot op € 800,00 aan salaris gemachtigde.

van het zelfstandig tegenverzoek

5.25.

Hoewel werkgever in de gelegenheid is gesteld het door haar gestelde bedrag van

€ 7.500,00 aan te veel betaald salaris nader toe te lichten en te onderbouwen, is zij hiertoe niet overgegaan. Het tegenverzoek van werkgever zal daarom wegens onvoldoende onderbouwing worden afgewezen.

5.26.

De proceskosten komen voor rekening van werkgever, omdat zij ongelijk krijgt. Deze kosten worden aan de zijde van werkneemster tot op heden begroot op nihil.

6 De beslissing

De kantonrechter:

op het verzoek van werkneemster

6.1.

bepaalt dat het ontslag op staande voet in stand blijft;

6.2.

veroordeelt werkgever om binnen een maand na heden een correctie van de eindafrekening d.d. 28 februari 2018, zoals bedoeld in rechtsoverweging 5.23., aan werkneemster af te geven en haar dienstverband dienovereenkomstig af te wikkelen;

6.3.

veroordeelt werkneemster tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de werkgever tot en met vandaag vaststelt op € 800,00;

6.4.

verklaart voornoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af;

op het zelfstandig tegenverzoek

6.6.

wijst het verzoek af;

6.7.

veroordeelt werkgever tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de werkneemster tot en met vandaag vaststelt op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2018.

(md)