Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2406

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
C/08/207858 / ES RK 17-4625 (echtscheiding)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap; IPR; Nederlands recht van toepassing en naar Nederlands recht voldoet de op de huwelijksakte - naar Tunesisch recht - vermelde regimekeuze, te weten gescheiden vermogens, niet aan de naar Nederlands recht uitdrukkelijk gestelde vormvereisten voor het afwijken van het wettelijke stelsel van de gemeenschap van goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/93
JPF 2018/110
FJR 2018/73.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/207858 / ES RK 17-4625 (echtscheiding)

zaaknummer: C/08/210142 / ES RK 17-5490 (verdeling)

beschikking van 29 mei 2018

inzake

[A] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat: mr. G.B. Meijer,

en

[B] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de volgende stukken:

  1. het verzoek van de vrouw, ontvangen op 26 september 2017;

  2. het verweer van de man, ontvangen op 27 oktober 2017;

  3. het formulier verdelen en verrekenen van de vrouw, ontvangen op 29 januari 2018;

  4. het formulier verdelen en verrekenen van de man, ontvangen op 2 februari 2018.

1.2.

De echtscheidingsprocedure en verdelingsprocedure zijn gesplitst.

1.3.

Op 13 februari 2018 heeft in beide zaken een mondelinge behandeling ter zitting plaatsgehad. Verschenen en gehoord zijn: beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is de heer [C] verschenen. Aan de wijkcoach van de vrouw mevrouw [D] is bijzondere toegang tot het bijwonen van de zitting verleend.

1.4.

Na de zitting heeft de rechtbank kennis genomen van (de inhoud van) de aanvullende stukken van de vrouw, ontvangen op 28 februari 2018.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] te [plaats] (Tunesië) met elkaar gehuwd.

2.2.

Ten tijde van de huwelijksvoltrekking hadden beide partijen zowel de Nederlandse als de Tunesische nationaliteit. Hierin is nadien geen wijziging gekomen.

2.3.

Partijen zijn ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[E] , geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] ,

[F] , geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] ,

[G] , geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] .

3 Het verzoek

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. te bepalen dat de minderjarigen hoofdverblijf bij haar hebben;

  3. te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de te geven beschikking;

  4. e verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform haar voorstel;

  5. te bepalen dat de peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap op datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding wordt gesteld;

  6. een beslissing te geven omtrent de kosten van de procedure.

4 Het verweer tevens houdend zelfstandig verzoek

4.1.

De man stemt in met de verzochte echtscheiding en ook hij is van mening dat het ouderschapsplan onderdeel dient te zijn van de te geven beschikking.

4.2.

De man verzoekt de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast stellen conform zijn voorstel.

5 De beoordeling

inzake zaaknummer: C/08/207858 / ES RK 17-4625 (echtscheiding)

De echtscheiding

De bevoegdheid van de rechtbank en het toe te passen recht

5.1.

De rechtbank komt rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in artikel 3 van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder te noemen: Brussel II-bis).

5.2.

Op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Ontvankelijkheid

5.3.

Bij de betekening van het verzoekschrift zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen.
De in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd.

5.4.

In de procedure hebben partijen een door hen beiden getekend ouderschapsplan overgelegd.

Het verzoek

Nu de vrouw stelt en de man erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom worden toegewezen.

Ouderlijke verantwoordelijkheid

De bevoegdheid van de rechtbank en het toe te passen recht

5.5.

Deze rechtbank ontleent haar bevoegdheid ten aanzien van beslissingen over de ouderlijke verantwoordelijkheid aan het bepaalde in artikel 8 lid 1 juncto artikel 61 Brussel II-bis, nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996), inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van minderjarigen. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 HKBV 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in casu dat de Nederlandse rechter Nederlands recht toepast.

Ten aanzien van het ouderlijk gezag

Uit het feit dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag blijven uitoefenen over de minderjarige kinderen, vloeit voort dat personen die beroepshalve bij de minderjarigen betrokken zijn volgens de wet verplicht zijn om aan beide ouders dezelfde informatie te verstrekken.

Ten aanzien van het hoofdverblijf

5.6.

Partijen zijn het er over eens dat de minderjarigen kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben. Niet gebleken is dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet, zodat het verzoek van de vrouw wordt toegewezen.

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling)

5.7.

In het ouderschapsplan zijn de ouders een omgangsregeling overeengekomen maar ter zitting is gebleken dat er toch wat ruis is ontstaan met name ten aanzien van het contact tussen [G] en vader.

De rechtbank stelt vast dat beide ouders bereid zijn om ter oplossing van de problematiek met betrekking tot de zorgregeling zich rechtstreeks of met hulp van hun advocaten aan te melden bij het project BOR-Humanitas Twente, en zich door medewerkers van dit project op vrijwillige basis willen laten begeleiden.

De ouders zijn het erover eens dat in dit traject alle drie minderjarige kinderen worden betrokken.

De ouders weten dat omtrent het verloop van de hulp en begeleiding niet schriftelijk gedetailleerd zal rapporteren en dat zij zelf via de advocaat aan de rechter informatie zullen moeten verstrekken over het resultaat van die hulp en begeleiding bij de omgang.

De rechtbank zal een raadsonderzoek verzoeken indien alsnog blijkt dat het de ouders niet lukt om in onderling overleg afspraken te maken.

Uiterlijk op 18 juli 2018 dienen de beide advocaten de rechtbank te informeren over de stand van zaken. De beide advocaten kunnen de rechtbank op ieder moment verzoeken om een datum te bepalen waarop de kwestie ter zitting wordt behandeld.

De rechtbank zal het ouderschapsplan thans nog niet aan deze beschikking hechten, omdat er wellicht sprake kan een andere zorgregeling.

6 inzake zaaknummer: C/08/210142 / ES RK 17-5490 (verdeling)

Huwelijksvermogensregime

De bevoegdheid van de rechtbank en het toe te passen recht

6.1.

Nu de rechtbank rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzochte echtscheiding, heeft de rechtbank tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

6.2.

De rechtbank dient te beoordelen aan welk huwelijksvermogensrecht partijen onderworpen zijn, gelet op de nationaliteiten van partijen op het moment van hun huwelijkssluiting. Zoals hiervoor vermeld zijn partijen in Tunesië gehuwd en hadden beiden op het moment van de huwelijkssluiting de Nederlandse en de Tunesische nationaliteit.

6.3.

Partijen zijn na 31 augustus 1992 gehuwd. Het huwelijk is dus een verdragshuwelijk in de zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HV 1978). Het toepasselijke recht op hun huwelijksgoederenregime dient derhalve volgens de bepalingen van dit verdrag te worden vastgesteld. Conform artikel 15 HV 1978 hadden partijen ten tijde van het huwelijk geen gemeenschappelijke nationaliteit.

6.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd.

6.5.

In de Tunesische huwelijksakte van partijen is opgenomen “Les deux épouses ont choisir le régime de séparation des biens”. Vertaalt uit het Frans betekent dit dat in de huwelijksakte staat dat de echtgenoten hebben gekozen voor het gescheiden houden van eigendom. Tussen partijen staat ter discussie of hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van huwelijkse voorwaarden naar Nederlands recht althans dat behoort te worden afgeweken van het wettelijk stelsel, met name ten aanzien van de echtelijke woning.

6.6.

Volgens de vrouw is er sprake van gescheiden vermogens, nu dit uit de huwelijksakte blijkt. De vrouw stelt dat partijen voorafgaand aan het huwelijk hebben afgesproken dat de zich in Nederland bevindende woning geen deel zal uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap omdat die woning al voor het huwelijk eigendom van de man was. Volgens de vrouw hebben zij dit in Tunesië ook ten overstaan van de ambtenaar verklaard, waardoor in de huwelijksakte de hiervoor genoemde vermelding is opgenomen.

6.7.

Volgens de man zijn partijen niet bij een notaris geweest en zijn er voor of tijdens het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Volgens de man wordt de huwelijksgoederengemeenschap beheerst door Nederlands recht en naar Nederlands recht is er sprake van gemeenschap van goederen, omdat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld.

6.8.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt het huwelijksvermogensrecht beheerst door Nederlands recht. Niet gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan. De enkele aantekening op de huwelijksakte dat partijen – naar Tunesisch recht – hebben gekozen voor het gescheiden houden van vermogen, is een zogenaamde regimekeuze en geen rechtskeuze in de zin van het verdrag. Nu – gelet op artikel 15 HV 1978 – partijen ten tijde van het sluiten van het huwelijk voor het verdrag geen rechtskeuze hebben gedaan, geen gemeenschappelijke nationaliteit bezaten en de eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland was gelegen, is op grond van artikel 4 lid 1 HV 1978 Nederlands recht op hun huwelijksvermogensregime van toepassing. Naar Nederlands recht voldoet de op de huwelijksakte vermelde regimekeuze, te weten gescheiden vermogens, niet aan de naar Nederlands recht uitdrukkelijk gestelde vormvereisten voor het afwijken van het wettelijk stelsel van de gemeenschap van goederen. Naar Nederlands recht moeten immers, op straffe van nietigheid, huwelijkse voorwaarden bij notariële akte worden opgemaakt (artikel 1:115 van het Burgerlijk Wetboek). Niet is gesteld of gebleken dat partijen hieraan hebben voldaan. Derhalve geldt dat naar Nederlands recht het wettelijke stelsel van toepassing is en wel de gemeenschap van goederen. Hieraan doet niet af, dat naar Tunesisch recht deze regimekeuze wel mogelijk was, nu het huwelijksvermogensrecht, zoals hiervoor is overwogen, door Nederlands recht wordt beheerst.

De verdeling

6.9.

Na bovenomschreven vaststelling dat er sprake is van een gemeenschap van goederen, komt de rechtbank toe aan de verdeling hiervan.

Peildatum

6.10.

Partijen hebben zich niet uitgelaten over de peildatum. De rechtbank gaat voor wat betreft de samenstelling dan ook uit van de wettelijke peildatum, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift 26 september 2017 (artikel 1:99 lid 1 onder b BW). Dit houdt in dat goederen en schulden van partijen of van een van hen die voor die datum zijn verkregen of ontstaan in de gemeenschap vallen, tenzij sprake is van de in artikel 1:94 lid 2 BW genoemde uitzonderingen. De rechtbank zal vooralsnog voor wat betreft de waardering eveneens uitgaan van genoemde peildatum, nu de vrouw zulks – onweersproken – heeft verzocht en niet is gebleken dat de man een andere datum hanteert.

Bestanddelen

6.11.

Ten aanzien van de omvang en samenstelling van de te verdelen gemeenschap tussen partijen oordeelt de rechtbank op grond van de overgelegde stukken en uit de stellingen van partijen dat deze in ieder geval uit de volgende bestanddelen (goederen en schulden) bestaan en voor zover dit uit de stukken en stellingen van partijen is te herleiden tot de navolgende waarde van dat moment:

  1. de echtelijke woning staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] en de aan die woning gekoppelde hypotheek Obvion nummer [1] en de aan die hypotheek gekoppelde polis Obvion [2]

  2. inboedelgoederen;

  3. auto, merk Skoda Fabia;

  4. scooter;

  5. flexibel krediet ABN-Amro;

  6. belastingschulden.

De echtelijke woning staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] en de aan die woning gekoppelde hypotheek Obvion nummer [1] en de aan die hypotheek gekoppelde polis Obvion 40408160

6.12.

Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken is het volgende gebleken. De echtelijke woning was vóór het huwelijk van partijen eigendom van de man. De hypothecaire leningen die aan deze woning verbonden zijn staan eveneens op naam van de man. Ter zitting is gesteld dat de hypothecaire leningen door de man zijn gesloten voor het huwelijk, maar relevante stukken hieromtrent ontbreken. Hiervan uitgaande geldt dat artikel 1:102 (oud) Burgerlijk Wetboek van toepassing is, nu dit artikel eerst op 18 april voor 2011 is gewijzigd. Aan de hypothecaire leningen is een levensverzekering gekoppeld ten name van de man. Ook hiervan ontbreken stukken. Door de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd en de daarop volgende echtscheiding is de vrouw, op grond van het bepaalde in artikel 1:102 (oud) Burgerlijk Wetboek (verder: BW), -met de man- hoofdelijk verbonden voor de op de woning rustende hypothecaire leningen.

6.13.

De man heeft om toebedeling van de woning verzocht. Volgens hem dient de taxatiewaarde gelijk te zijn aan de WOZ-waarde. De vrouw is van mening dat er een nieuwe taxatie van de woning dient plaats te hebben. Tussen partijen staat vast dat er sprake is van onderwaarde. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van de onderwaarde aan hem dient te voldoen. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij zich zullen wenden tot makelaarskantoor Snelder Zijlstra makelaars te [woonplaats] voor een bindende taxatie.

6.14.

De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid het bindende taxatierapport, de akten van de aan de echtelijke woning gekoppelde hypothecaire geldleningen en de akte van de levensverzekering die aan de hypothecaire leningen is verbonden in het geding te brengen en zich uit te laten over de over/onderbedelingsvordering en verwijst de zaak hiervoor naar het familiejournaal van 29 juni 2018.

Inboedel

6.15.

Partijen zijn het erover eens dat de inboedel tussen hen is verdeeld zonder nadere verrekening over en weer.

Auto, merk Skoda Fabia en scooter

6.16.

Partijen zijn het erover eens dat de auto en de scooter tussen hen zijn verdeeld, zonder nadere verrekening over en weer.

Flexibel krediet ABN-Amro

6.17.

Ten name van de man bestaat een flexibel krediet bij de ABN-Amro onder nummer [3] . Tussen partijen is niet in geschil dat deze schuld op de peildatum € 3.099,56 heeft bedragen. Volgens de man dient dit krediet door beide partijen bij helfte te worden afgelost. De vrouw heeft hiermee ter zitting ingestemd.

Belastingschulden

6.18.

Partijen zijn het erover eens dat de belastingschulden bij helfte tussen hen dienen te worden gedragen. Partijen zijn het erover eens dat het om de volgende schulden gaat:

huurtoeslag over 2015 ad € 3.867,=;

zorgtoeslag over 2015 ad € 767,=;

kindgebonden budget over 2015 ad € 836,=;

IB 2016 ad € 1.204,=.

Met betrekking tot de schulden

Dit alles zonder nadere verrekening en waarbij de toedeling van de schulden plaatsvindt in die zin dat beslist wordt over de draagplicht in de onderlinge verhouding.

Pensioenen

6.19.

De rechtbank stelt vast dat voor zover er pensioenaanspraken zijn die vallen onder de Wet Verevening Pensioenen (WVP) hierover in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap geen besluit behoeft te worden genomen. Er is immers sprake van een rechtstreeks wettelijk recht (1:155 BW).

7 De beslissing

inzake zaaknummer: C/08/207858 / ES RK 17-4625 (echtscheiding)

De rechtbank:

7.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] te [plaats] (Tunesië) gehuwd;

7.2.

bepaalt dat het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen bij de vrouw zal zijn;

7.3.

stelt vast dat de ouders zich aanmelden bij het project BOR;

7.4.

verzoekt nu reeds de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te doen inzake het zorgrecht van de niet dagelijks verzorgende ouder en de kinderen en omtrent dat onderzoek rapport uit te brengen en de rechtbank te adviseren over de te nemen beslissing, indien en zodra aan de Raad uit mededeling van BOR of (een van) de advocaten blijkt dat ondanks de aangeboden hulp en begeleiding een zorgregeling in onderling overleg niet tot de mogelijkheden behoort.

7.5.

verwijst de zaak naar het bij deze rechtbank gehouden roljournaal op 18 juli 2018 en verzoekt de advocaten zich uit te laten over het traject bij BOR en de voortgang van de procedure;

7.6.

verklaart onderdeel 7.2. van deze beschikking zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

inzake zaaknummer: C/08/210142 / ES RK 17-5490 (verdeling)

7.8.

stelt de man in de gelegenheid om de akten van de hypothecaire geldleningen, de akte van de levensverzekering die aan de hypothecaire leningen is verbonden in het geding te brengen en het bindende taxatierapport in het geding te brengen;

7.9.

verwijst de zaak met inachtneming van 7.8 van het dictum naar het familiejournaal van 29 juni 2018 waarop partijen zich dienen uit te laten over de over/onderbedelings-vordering, waarna beide partijen twee weken de tijd krijgen om te reageren op elkaars reactie;

7.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. H.M. Jongebreur en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.