Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2372

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
08/770304-17 en 08/730418-17 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 32-jarige man tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 31 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met algemene en bijzondere voorwaarden voor belaging en bedreiging van zijn ex-vriendin. Daarnaast verlengt de rechtbank de proeftijd met 2 jaar van een eerder aan de man opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/770304-17 en 08/730418-17 (tul)

Datum vonnis: 10 juli 2018

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 januari 2018, 29 maart 2018 en 26 juni 2018. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Blanco en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een ontploffing teweeg heeft gebracht op het balkon van de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan de [adres 2] in Almelo;

feit 2: [slachtoffer 1] heeft belaagd;

feit 3: [slachtoffer 1] heeft bedreigd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 27 september 2017 in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zogenaamde Cobra 6, zijnde een massaexplosief , althans een stuk vuurwerk met knaleffect, in elk geval enig vuurwerk, aan te steken en/of vervolgens op het balkon van de woning aan de [adres 2] te gooien, waarna dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen en/of het tuin meubilair en/of die woning, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was en/of terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die woning, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , die zich in de onmiddellijke nabijheid van de ramen van die woning, althans in die woning bevonden, te duchten was, althans levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2017 tot en met 11 oktober 2017 in de gemeente Almelo, althans in Nederland, meermalen wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees

aan te jagen, door één of meermalen die [slachtoffer 1] e-mailberichten, sms-berichten en/of

Whatsapp/Messenger-berichten te verzenden met beledigende en/of dreigende teksten en/of die [slachtoffer 1] te dreigen om al dan niet erotisch getinte foto's/video's - waarop die [slachtoffer 1] staat - te verspreiden en/of één of meermalen per dag door de straat te rijden waar die [slachtoffer 1] woont en/of die [slachtoffer 1] te benaderen en/of die [slachtoffer 1] uit te schelden;

3.

hij op of omstreeks 10 oktober 2017 in de gemeente Almelo ten overstaan van [naam 1] en/of [naam 2] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met gijzeling en/of met brandstichting, althans met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk tegen die [naam 1] en/of die [naam 2] dreigend de woorden geuit - zakelijk weergegeven -: dat hij, verdachte, de vuurwerkbom niet heeft gegooid, maar er wel voor kan zorgen dat er een tweede of een derde bom kan komen en/of dat er mensen klaar staan om het kindje mee te nemen en/of dat het een optie is om die [slachtoffer 1] in de kofferbak te gooien, af te laten voeren en met het kind te spelen en haar (die [slachtoffer 1] ) te laten terug brengen als hij, verdachte, is uitgespeeld en/of dat hij, verdachte, het geduld wel kan opbrengen om te wachten tot zijn kind op de peuterspeelzaal zit, de juf kan dan toch niks tegen hem beginnen en/of dat, hij, verdachte, zelfs in de gevangenis, wel mannetjes en zijn familie heeft klaar staan om het kind te ontvoeren naar Turkije en/of dat het straks zover gaat dat niemand het kind meer heeft en/of dat er sowieso wat gaat gebeuren, is het niet vandaag dan wel een andere

keer en/of dat als het zo door gaat, wij het straks wel op het nieuws horen, althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke bedreigingen en/of dreigende woorden voornoemde [slachtoffer 1] kennis heeft gekregen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en heeft vrijspraak voor dit feit gevorderd. De onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, gelet op de aangiftes, de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 11 oktober 2017 in de gemeente Almelo, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, door aan die [slachtoffer 1] e-mailberichten te verzenden met beledigende en/of dreigende teksten;

3.

hij op 10 oktober 2017 in de gemeente Almelo ten overstaan van [naam 1] en

[naam 2] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met gijzeling en met brandstichting, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk tegen die [naam 1] en die [naam 2] dreigend de woorden geuit - zakelijk weergegeven -: dat hij, verdachte, de vuurwerkbom niet heeft gegooid, maar er wel voor kan zorgen dat er een tweede of een derde bom kan komen en dat er mensen klaar staan om het kindje mee te nemen en dat het een optie is om die [slachtoffer 1] in de kofferbak te gooien, af te laten voeren en met het kind te spelen en haar (die [slachtoffer 1] ) te laten terug brengen als hij, verdachte, is uitgespeeld en dat hij, verdachte, het geduld wel kan opbrengen om te wachten tot zijn kind op de peuterspeelzaal zit, de juf kan dan toch niks tegen hem beginnen en dat, hij, verdachte, zelfs in de gevangenis, wel mannetjes en zijn familie heeft klaar staan om het kind te ontvoeren naar Turkije en dat het straks zover gaat dat niemand het kind meer heeft en dat er sowieso wat gaat gebeuren, is het niet vandaag dan wel een andere keer en dat als het zo door gaat, wij het straks wel op het nieuws horen, van welke bedreigingen en/of dreigende woorden voornoemde [slachtoffer 1] kennis heeft gekregen.

Feit 2

De rechtbank is ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde van oordeel dat verdachte, anders dan door de raadsman ter zitting is betoogd, stelselmatig en wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Hierbij acht de rechtbank van belang de grote hoeveelheid e-mailberichten gedurende de tenlastegelegde periode, het dreigende karakter van deze berichten en de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen het slachtoffer. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Feit 3

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van bedreiging, onder meer, vast moet staan dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee gedreigd werd. Niet is vereist dat de dader het voornemen heeft om de bedreiging te realiseren.

Door en/of namens verdachte is aangevoerd dat hij de bedreigingen niet ten uitvoer heeft willen brengen en dat het niet zijn intentie was dat wat hij aan wijkcoaches [naam 1] en [naam 2] vertelde, aan [slachtoffer 1] zou worden doorverteld.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarbij het volgende

Dat verdachte die bedreigingen nooit heeft willen uitvoeren is, voor de vraag of hij wel of niet bedreigd heeft als bedoeld in artikel 285 Sr, niet van belang. De woorden die hij gebruikte, in combinatie met het feit dat hij [slachtoffer 1] in de voorafgaande maanden stelselmatig had belaagd, maken dat de rechtbank van oordeel is dat bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte alles waarmee hij dreigde zou gaan uitvoeren.

Door die bedreigingen te uiten ten overstaan van de wijkcoaches [naam 1] en [naam 2] heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij [slachtoffer 1] hiervan op de hoogte zouden brengen. [naam 2] en [naam 1] waren immers in gesprek met verdachte, met de bedoeling de rust tussen hem en [slachtoffer 1] terug te laten keren en om een veiligheidsschatting te kunnen maken, zoals [naam 1] tegenover de politie heeft verklaard. Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: belaging;

feit 3

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met gijzeling en met zware mishandeling en met brandstichting.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, bestaande uit een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod en een locatieverbod, en deze bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, aldus de officier van justitie.

8.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman verzoekt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering voorgesteld, met afwijzing van de dadelijke uitvoerbaarheid.

8.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. In het bijzonder neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van zijn ex-vriendin. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vriendin. Dergelijke feiten leiden over het algemeen tot langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers.

Als uitgangspunt voor dit soort strafbare feiten dient te worden gekeken naar hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met zijn justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder gelijksoortige strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte is op 2 augustus 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 dagen waarvan 18 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, wegens opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing. Op 24 augustus 2017 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voor belaging, mishandeling, vernieling en afluisteren met een technisch hulpmiddel.

De rechtbank houdt voorts rekening met de inhoud van de rapportage van psycholoog

dr. drs. L.E.E. Ligthart van 22 februari 2018, de inhoud van de rapportage van psychiater

drs. K.N. Broek van 17 februari 2018 en het reclasseringsadvies van 15 maart 2018.

Psycholoog dr. drs. L.E.E. Ligthart heeft beschreven dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de geestvermogens in de vorm van een stoornis in het gebruik van een stimulantium, waarmee de psycholoog, zoals uit de verdere inhoud van het rapport blijkt, cocaïne bedoelt. Er kan in de ogen van de psycholoog niet worden gesproken van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van de tenlastegelegde feiten. De psycholoog schat het risico op herhaling van de tenlastegelegde feiten bij adequate ondersteuning, begeleiding en behandeling in als matig. Zonder deze condities wordt het recidiverisico door de psycholoog als hoog ingeschat.

Psychiater drs. K.N. Broek heeft beschreven dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in het gebruik van cocaïne. De psychiater adviseert om de tenlastegelegde feiten aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is bereid om de strijd om zijn zoon op te geven (of via civielrechtelijke procedures te gaan voeren), gebruikt geen cocaïne meer en hij is bereid hulp te accepteren bij het oplossen van zijn problemen. Hierdoor wordt het risico op recidive op de korte termijn als laag tot matig ingeschat. Het is echter de vraag in hoeverre verdachte in staat is om het geduld op te brengen voor een rechtszaak over zijn zoon, of hij op de langere termijn bereid is om hulp te accepteren, en of hij een behandeling accepteert en niet weer terugvalt in cocaïnegebruik. De psychiater schat daardoor in dat het risico op recidive op de middellange termijn oploopt naar matig en op de lange termijn mogelijk naar nog hoger.

De reclassering heeft in haar reclasseringsadvies van 15 maart 2018 geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel met daaraan een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod en een locatieverbod gekoppeld.

De rechtbank neemt deze adviezen over en legt ze ten grondslag aan de strafbepaling.

Alles overwegende acht de rechtbank het passend en geboden om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden waarvan 31 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de voorwaarden. Het bewezenverklaarde omvat geen misdrijven die zonder meer gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 14e Sr en er is ook overigens onvoldoende grond voor het oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte dergelijke misdrijven zal begaan.

9 De vordering tenuitvoerlegging 08/730418-17

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de proeftijd van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf met twee jaren wordt verlengd.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Gelet op het feit dat verdachte zich aan de voorwaarden houdt en hij gemotiveerd is voor behandeling en begeleiding, acht de raadsman het niet opportuun om de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen Subsidiair heeft de raadsman verzocht de proeftijd te verlengen als extra stok achter de deur. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

9.3

De beoordeling van de rechtbank

Verdachte is bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van 2 augustus 2017 veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van 28 dagen, waarvan 18 dagen voorwaardelijk. De proeftijd is gesteld op twee jaren en is ingegaan op 17 augustus 2017. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. Maar de rechtbank acht het niet passend de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te bevelen. Volgens de reclassering houdt verdachte zich aan de bijzondere voorwaarden en is hij gemotiveerd voor behandeling en begeleiding. Om de goede weg die verdachte heeft ingeslagen en zijn behandeling niet te doorkruisen, zal de rechtbank volstaan met het verlengen van de proeftijd met twee jaren.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 2 het misdrijf: belaging;

feit 3 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met gijzeling en met zware mishandeling en met brandstichting;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 31 (eenendertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Molenstraat 50 in Enschede op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen bij JusTact of soortgelijke ambulante forensische zorg voor conflicthantering en middelengebruik, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1992, tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de navolgende straten gelegen in de plaats Almelo: de [adres 2] en de vierhoek gevormd door de [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en de [adres 6] , tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en de daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 08/730418-17

- verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 2 augustus 2017 met een termijn van 2 (twee) jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H.W. Teekman, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en

mr. A.M. den Dulk, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.