Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2359

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
08/996760-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie zorginstellingen uit Twente en Katwijk en zeven van hun bestuurders zijn door de rechtbank Overijssel vrijgesproken van een miljoenenfraude met persoonsgebonden budgetten (pgb). De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van ongeoorloofd geschuif van soorten zorg en budgetten, het vervalsen van facturen en oplichting. De destijds gehanteerde werkwijze was niet ongewoon in de zorgwereld en wordt gesteund door de uitvoeringspraktijk van de zorgkantoren, de parlementaire geschiedenis en rechterlijke uitspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996760-14 (P)

Datum vonnis: 10 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van:

Stichting [verdachte/zorgverlener 1],

gevestigd aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 juni 2016, 16 juni 2016, 19 februari 2018, 14 mei 2018, 5 juni 2018, 7 juni 2018, 12 juni 2018 en 26 juni 2018. Op 14 mei 2018, 5 juni 2018, 7 juni 2018 en 12 juni 2018 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.

[vertegenwoordiger] geboren op [geboortedatum] 1954 in [geboorteplaats] en wonende aan de [woonplaats] (hierna: [vertegenwoordiger] ) heeft de verdachte vertegenwoordigd in de zin van artikel 528 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie mr. L.L.H. Roebroek en mr. H.C. Vermaseren en van hetgeen [vertegenwoordiger] en de raadslieden van verdachte, mr. J. de Haan en mr. J.W.D. Roozemond, beiden advocaat te Utrecht, bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op 5 juni 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting, door:

  • -

    op één of meer facturen andere bedragen en/of uren te vermelden dan waarvoor in werkelijkheid zorg was verleend;

  • -

    verblijf te factureren, terwijl daarvan geen sprake was;

  • -

    op facturen een andere zorgvorm te vermelden dan in werkelijkheid was verleend;

  • -

    op facturen een zorgvorm te vermelden die in werkelijkheid niet of niet voor het volledige op deze factuur vermelde bedrag was verleend;

  • -

    één of meer valse of vervalste verantwoordingsformulieren pgb in te vullen;

  • -

    verantwoordingsformulieren te verzenden naar één of meer instanties die betrokken zijn bij de uitvoering/uitbetaling/uitkering van pgb-gelden;

waardoor personen, zorgverzekeraars en/of zorgkantoren die betrokken zijn bij de uitvoering/uitbetaling/uitkering van pgb-gelden werden bewogen tot afgifte van één of meer (grote) geldbedragen;

feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door een groot aantal verantwoordingsformulieren valselijk op te maken of te vervalsen, door:

  • -

    op die verantwoordingsformulieren andere zorgvormen te vermelden dan in werkelijkheid waren verleend;

  • -

    een zorgvorm te vermelden die in werkelijkheid niet of niet voor het volledige op dit verantwoordingsformulier vermelde bedrag was verleend;

feit 3: zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen van een geldbedrag van in totaal € 1.267.741,--, door pgb-gelden afkomstig van valselijk opgemaakte facturen en/of verantwoordingsformulieren te gebruiken voor uitgaven ten aanzien van algemene en/of gehele bedrijfskosten en/of bedrijfsvoering en/of niet-budgethouders;

feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het oogmerk had om onder meer oplichting, valsheid in geschrift en/of witwassen te plegen.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepersisteerd in haar standpunt dat de dagvaarding ten aanzien van de tenlastegelegde oplichting (feit 1) onvoldoende feitelijk is omschreven en aldus (partieel) nietig moet worden verklaard.

3.1.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de eerste regiezitting reeds heeft beslist op dit punt en dat de verdediging en verdachte er blijk van hebben gegeven dat voldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd, waar ter plaatse en onder welke omstandigheden het feit begaan zou zijn. Centraal bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding staat dat de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed moet kunnen verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. Eén van de factoren die volgens de jurisprudentie bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding dient te worden meegewogen, is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de inhoud van het dossier (per verdachte is een dossier opgemaakt en ten aanzien van iedere specifieke cliënt is een zaaksdossier uitgewerkt) en het geheel van de tenlastegelegde strafbare feiten in onderlinge samenhang bezien, verdachte in staat moet worden geacht de tekst van de tenlastegelegde oplichting te kunnen begrijpen. Daarnaast heeft de verdediging blijk gegeven van begrip van de tenlastelegging ten aanzien van het verwijt oplichting.

De tenlastelegging behelst naar het oordeel van de rechtbank een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. Dat in de tenlastelegging bij dit feit geen specifieke facturen en verantwoordingsformulieren zijn opgenomen maakt, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet dat de tekst van de tenlastelegging niet voldoende duidelijk, begrijpelijk of feitelijk is. Het verweer wordt daarom verworpen.

3.2

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3.3

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.3.1

Het standpunt van de verdediging

Het Openbaar Ministerie dient volgens de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu er sprake is van ernstige vormverzuimen. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat informatie, die voor de beoordeling van de zaak essentieel is, door het Openbaar Ministerie niet aan het dossier is toegevoegd, waardoor deze informatie, die bij hem bekend zou moeten zijn, ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling om (al dan niet) tot vervolging over te gaan. De verdediging doelt op het ontbreken van indicatiebesluiten, zorgprofielen, bestuursrechtelijke jurisprudentie en de uitvoeringspraktijk. Het recht van verdachte op een eerlijk proces is door de werkwijze van het Openbaar Ministerie in deze zaak op zo’n grove wijze geschonden dat er aldus sprake is van een vormverzuim ex artikel 359a Sv. De verdediging verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2013 in de Family House-zaak1, in welke zaak het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard nu de gehele zaak was gestart op onjuiste veronderstellingen.

3.3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Volgens het Openbaar Ministerie is er in het onderhavige onderzoek geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring. Het Openbaar Ministerie heeft betwist dat verdachte een beroep kan doen op een vermeende gedoogconstructie. Verder heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat uit de brief van het Zorginstituut Nederland van
11 april 2018 blijkt dat de desbetreffende afspraak op 20 mei 2014 – dus na de tenlastegelegde periode – is gemaakt en dat uit niets blijkt dat het Openbaar Ministerie of de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) wetenschap hadden van deze afspraak. Ook indien sprake zou zijn van een bestuurlijk gedogen, kan dat, aldus het Openbaar Ministerie, nog niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Tot slot heeft het Openbaar Ministerie opgemerkt dat de door de verdediging aangehaalde uitspraken niet één-op-één gelijk zijn te stellen aan deze zaak en dat het Gerechtshof Den Haag in de Family House-zaak het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk heeft verklaard.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen voor toepassing in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Bij de beoordeling of er sprake is van een eerlijke behandeling, dient de strafprocedure in zijn geheel te worden bezien.

Medeverdachte [medeverdachte 1] , die in een deel van de tenlastegelegde periode directeur van de hierna te noemen Stichting [Zorg en Dienstverlening] ( [Zorg en Dienstverlening] ) was alsmede directeur van verdachte, heeft van meet af aan erkend dat de door de “Taskforce Restoring Justice” geschetste werkwijze, waaronder het factureren op basis van de zorgovereenkomst in plaats van de feitelijk afgenomen zorg, in grote lijnen overeen kwam met de werkwijze van [Zorg en Dienstverlening] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gesteld dat deze werkwijze is doorgesproken met Menzis Zorgkantoor en dat de heer [naam 1] , medewerker van Menzis Zorgkantoor, de hele systematiek heeft goedgekeurd.

Bij de eerste regiezitting op 13 juni 2016 heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat alle zorg die is gedeclareerd, geleverd is, sterker nog: dat in veel gevallen aanzienlijk meer zorg is geleverd dan gedeclareerd. Ook toen heeft medeverdachte [medeverdachte 1] uitvoerig stilgestaan bij de uitvoeringspraktijk van de zorgkantoren en is benoemd dat de werkwijze van [Zorg en Dienstverlening] al jaren door het zorgkantoor akkoord werd bevonden. De rechtbank heeft, mede naar aanleiding van de verzoeken van de verdediging en ondanks dat het Openbaar Ministerie zich ten dele verzette tegen toewijzing, bepaald dat 75 getuigen bij de rechter-commissaris dienden te worden gehoord.

Voorafgaand aan de tweede regiezitting van 19 februari 2018 heeft de verdediging verzocht om een aantal, naar de mening van de verdediging relevante, stukken te voegen in het dossier. Deze stukken waren volgens de verdediging nodig om aan te tonen dat er sprake was van een ‘gedoogconstructie’ bij de desbetreffende zorgkantoren. De rechtbank heeft deze stukken toegevoegd aan het dossier, ondanks dat het Openbaar Ministerie zich wederom ten dele heeft verzet tegen voeging van deze stukken.

Op 14 mei 2018 is de inhoudelijke behandeling van de zaak aangevangen. Voorafgaand aan deze inhoudelijke behandeling heeft de verdediging nog de brief van het Zorginstituut Nederland van 11 april 2018 overgelegd. Volgens de verdediging maakt deze brief eens te meer duidelijk dat de afgestemde uitvoeringspraktijk van de zorgkantoren aanzienlijk afwijkt van de letterlijke tekst van de pgb-wetgeving.

De rechtbank overweegt dat indien er inderdaad sprake zou zijn van een ‘gedoogconstructie’ dit ontlastend voor verdachte zou kunnen zijn. De rechtbank constateert dat op basis van de overgelegde stukken de stellingen van de verdediging in ieder geval niet zonder meer naar het rijk der fabelen konden worden verwezen. Ook constateert de rechtbank dat van het overgrote deel van de budgethouders inderdaad geen zorgplannen en indicatiebesluiten in het dossier zijn opgenomen, terwijl deze stukken volgens de verdediging van groot belang zijn voor het in kaart brengen van de bestaande uitvoeringspraktijk. Relevante onderdelen van de wetsgeschiedenis zijn evenmin door het Openbaar Ministerie in het dossier gevoegd.

Ondanks dat de verdediging haar standpunt betreffende de ‘gedoogconstructie’ meerdere malen herhaald heeft, heeft het Openbaar Ministerie op geen enkel moment zelfstandig onderzoek gedaan naar de juistheid van dit standpunt, terwijl het voor het Openbaar Ministerie bekend moet zijn geweest dat wanneer dit standpunt juist zou zijn, dit grote gevolgen voor het vervolg van de strafzaak zou kunnen hebben. Van doelbewust achterhouden van informatie is, anders dan de verdediging insinueert, overigens niet gebleken, enkel van het nalaten van het doen van onderzoek.

Dit alles roept de vraag op waarom (mogelijk) relevant materiaal niet door het Openbaar Ministerie onder de aandacht van de rechtbank is gebracht in deze zaak. Van het Openbaar Ministerie mag verwacht worden dat het een zo volledig mogelijk dossier presenteert met betrekking tot alle specifieke zaken. Het op meerdere fronten achterwege laten van nader onderzoek is, gelet op de verweren die de verdediging reeds in een zeer vroeg stadium naar voren heeft gebracht en waarbij zij later nadrukkelijk persisteerde, onbegrijpelijk en verwijtbaar. Niet alleen het belang dat een verdachte heeft bij het verzamelen van óók ontlastend materiaal speelt daarbij een rol, maar ook het belang van de maatschappij bij waarheidsvinding.

Het ligt ook niet primair op de weg van de rechtbank om op basis van haar bevoegdheid van artikel 315 Sv alsnog gedetailleerd aanvulling van het dossier te gelasten. Van de verdediging wordt bovendien principieel niet verwacht om bewijs aan te leveren.

De rechtbank is van oordeel dat het (niet) handelen van het Openbaar Ministerie zich niet verhoudt met zijn taak van de objectieve waarheidsvinding. Dit roept de vraag op of dat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid. Voor de beoordeling van die vraag dient te worden bezien of sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Bij de beoordeling van de vraag of verdachtes recht op een eerlijke behandeling is geschonden, moet niet enkel naar het voorbereidend onderzoek worden gekeken, maar naar het strafproces in zijn geheel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verdediging ruimschoots onderzoekswensen heeft geformuleerd die grotendeels zijn ingewilligd, waardoor de rechtbank alsnog over een dossier beschikt waarin zowel belastend als ontlastend materiaal is opgenomen. Over het strafproces in zijn geheel kan daarom niet worden geconcludeerd dat het recht van verdachte op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. De conclusie moet zijn dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is gebleven in zijn recht op vervolging.

3.4

Redenen voor schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De rechtbank constateert dat de navolgende feiten niet ter discussie hebben gestaan. De rechtbank neemt deze mede tot een goed begrip van dit vonnis strekkende feiten daarom als vaststaand aan.

4.1.1

Aanleiding onderzoek

De werkgroep “Taskforce Restoring Justice”, die bestaat uit voormalige medewerkers van
[Zorg en Dienstverlening] , heeft op 19 december 2012 aangifte gedaan van strafbare feiten met betrekking tot de besteding van pgb-gelden (persoonsgebonden budget). Deze strafbare feiten zouden worden gepleegd door verdachte, [Zorg en Dienstverlening] en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Na een voorbereidend onderzoek door de afdeling projectvoorbereiding van de Inspectie SZW, is medio april 2014 een strafrechtelijk onderzoek onder de naam LAAX gestart.

In dit strafrechtelijk onderzoek zijn meerdere rechtspersonen en natuurlijke personen als verdachte aangemerkt, waaronder St. [verdachte/zorgverlener 1] .

4.1.2

Rol St. [verdachte/zorgverlener 1]

St. [verdachte/zorgverlener 1] is opgericht op 1 oktober 1970. Binnen de stichting wordt een pastoraal centrum/herstellingsoord in Beuningen gevoerd.

Tussen verdachte en [Zorg en Dienstverlening] is een “overeenkomst van opdracht tot aspirant zorgverlenende relatie” gesloten. St. [verdachte/zorgverlener 1] was sindsdien een zogenaamde (Aspirant)Zorgverlenende Relatie (ZVR) van [Zorg en Dienstverlening] . [Zorg en Dienstverlening] verzorgde onder meer de boekhouding en de facturatie voor ZVR’s en zorgde voor kennisoverdracht richting de ZVR’s, bijvoorbeeld op zogenaamde netwerkdagen.

4.1.3

Werkwijze

[Zorg en Dienstverlening] hanteerde een standaard werkwijze, aan welke werkwijze alle ZVR’s zich conformeerden. Nadat een cliënt een intake bij de ZVR had gehad, werd door de ZVR een zorgplan opgesteld, welk zorgplan naar [Zorg en Dienstverlening] werd verstuurd. [Zorg en Dienstverlening] vroeg vervolgens een indicatie aan bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Bij deze aanvraag werd een afschrift van het zorgplan meegezonden. Een eventueel door het CIZ afgegeven indicatie werd naar het zorgkantoor gestuurd, waarna het zorgkantoor een toekenningsbeschikking opstelde met eventueel een pgb daarin. Na toekenning van het pgb werd een zorgovereenkomst opgesteld. In de jaren 2009 en 2010 werd die zorgovereenkomst ondertekend door een medewerker van [Zorg en Dienstverlening] enerzijds en de budgethouder (cliënt) en/of - zo aanwezig - diens beschermingsbewindvoerder anderzijds en werd een afschrift van die getekende zorgovereenkomst aan de ZVR verstrekt. Na 2010 werd de zorgovereenkomst tevens ondertekend door een medewerker van de betreffende ZVR.

In de voorwaarden van de zorgovereenkomst stond vermeld dat [Zorg en Dienstverlening] maandelijks factureerde op basis van de ingekochte zorgverlening overeenkomstig het in de overeenkomst opgenomen declaratieoverzicht. Vanaf 2010, het moment dat de ZVR de overeenkomst mede ondertekende, stond daar tevens bij dat niet afgenomen zorg wel in rekening werd gebracht, tenzij dit voorafgaand aan de betreffende maand door middel van een wijzigingsformulier was gemeld.

Het in de zorgovereenkomst opgenomen declaratieoverzicht (vanaf 2012: zorginkoopschema) is rekenkundig gebaseerd op de toekenningsbeschikking van het zorgkantoor. Het totaal toegekende pgb werd namelijk (steeds) gedeeld door het aantal maanden waarop de zorgovereenkomst zag. Tevens stond in dit declaratieoverzicht per specifieke zorgvorm een aantal uren vermeld.


Door [Zorg en Dienstverlening] werd maandelijks gefactureerd op basis van het declaratieoverzicht. Vanaf januari 2010 werden de facturen in het CliëntVolgSysteem (CVS) aangemaakt. De facturen werden veelal aan het begin van de maand waarop de factuur betrekking had, opgemaakt. De factuur werd verzonden naar het adres van de budgethouder, diens bewindvoerder of de ZVR, waarna de budgethouder of diens bewindvoerder de factuur, al dan niet via automatische incasso, aan [Zorg en Dienstverlening] betaalde. [Zorg en Dienstverlening] maakte het factuurbedrag minus een met de ZVR overeengekomen percentage, gemiddeld 15%, over naar de ZVR.

Afhankelijk van de hoogte van het budget moesten budgethouders halfjaarlijks of jaarlijks richting het zorgkantoor door middel van een verantwoordingsformulier verantwoorden dat het pgb was besteed aan geïndiceerde zorg. Tot medio juli 2011 werden de verantwoordingsformulieren door een medewerker van [Zorg en Dienstverlening] ingevuld en vervolgens opgestuurd naar de bewindvoerder of het adres van de ZVR om deze te laten ondertekenen door de budgethouder. De gegevens die werden ingevuld op de verantwoordingsformulieren waren gebaseerd op het totaal van de facturen, zowel qua bedragen als zorgvormen. Het ondertekende verantwoordingsformulier werd vervolgens naar [Zorg en Dienstverlening] gezonden. Door een medewerker van [Zorg en Dienstverlening] werd het verantwoordingsformulier naar het zorgkantoor gestuurd.

Vanaf medio juli 2011 veranderde de werkwijze betreffende de verantwoordingsformulieren, welke verandering was ingegeven door het feit dat vanaf dat moment de verantwoordingsformulieren door het zorgkantoor voorzien waren van een unieke streepjescode, die per budgethouder verschilde, en de verantwoordingsformulieren door het zorgkantoor naar de budgethouders zelf werden verstuurd. Vanaf dat moment vulde [Zorg en Dienstverlening] de verantwoordingsformulieren niet meer in, maar verstuurde zij een invulinstructie aan de ZVR en/of de bewindvoerder. In deze invulinstructies stond per budgethouder het totaal aan facturen vermeld, zowel qua bedragen als zorgvormen. De budgethouder of diens bewindvoerder diende het verantwoordingsformulier in bij het zorgkantoor. Een afschrift van het verantwoordingsformulier werd naar [Zorg en Dienstverlening] gestuurd.

4.2

Standpunten

4.2.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Zij hebben daartoe – in het op schrift gestelde requisitoir uitgebreid en hier verkort weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

De verdachten in het strafrechtelijke onderzoek LAAX hebben een criminele organisatie gevormd die gericht was op het op grote schaal frauduleus incasseren van het maximale pgb, ten behoeve van hun stichtingen, terwijl de zorg waarvoor werd betaald, niet of niet volledig werd verleend of zorg werd verleend die niet uit het pgb mocht worden betaald. De zorgfacturen en de verantwoordingsformulieren werden daartoe valselijk opgemaakt.

Dát de facturen en verantwoordingsformulieren vals zijn, blijkt volgens het Openbaar Ministerie uit het volgende.

Pgb dient te worden gedeclareerd op uurbasis en alleen voor zover het daadwerkelijk gewerkte uren betreft. Het is op grond van artikel 5 van de regeling Declaratie AWBZ-zorg niet toegestaan om te factureren en incasseren ingeval van een ‘no show’, hetgeen in deze zaak wel gebeurde. In de onderhavige zaak werd ook het (volledige) in de toekenningsbeschikking vermelde pgb voorafgaand aan de feitelijke zorgverlening gefactureerd, terwijl er achteraf geen nacalculatie plaatsvond en er geen controle van de verleende zorg mogelijk was. Er werd immers geen enkele registratie van geleverde zorg bijgehouden.

Vast staat verder dat er veel minder zorg is geleverd dan er is gefactureerd en verantwoord, aldus het Openbaar Ministerie. Zo factureerde [Zorg en Dienstverlening] voor St. [verdachte/zorgverlener 1] op grote schaal de zorgfunctie verblijf, terwijl uit de toelichting op artikel 2.6.4 Regeling subsidies AWBZ (Rs AWBZ) blijkt dat deze niet met een pgb-budget mag worden betaald.

Dat op de verantwoordingsformulieren tijdelijk verblijf werd aangekruist terwijl langdurig verblijf was verleend is ook niet anders op te vatten dan valsheid in geschrift.

Het was ook voor de ZVR’s duidelijk dat de verantwoording werd gedaan op basis van de gefactureerde zorg en niet op basis van de geleverde zorg.

Omdat St. [verdachte/zorgverlener 1] niet voldoet aan de definitie van een kleinschalig wooninitiatief, zoals deze is gecodificeerd in artikel 1.1.1 onder u Rs AWBZ, kan een beroep op een vermeende gedoogconstructie op basis waarvan de gehanteerde facturatie- en verantwoordingsmethodiek werd gedoogd (mede gebaseerd op de brief van het Zorginstituut Nederland van 11 april 2018) niet slagen. Indien de rechtbank van oordeel is dat het beroep op de vermeende gedoogconstructie wel aan de orde kan zijn, doen de officieren van justitie een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de heer [naam 2] , de contactpersoon die wordt genoemd in de brief van het Zorginstituut Nederland, zodat hij een toelichting kan geven over de totstandkoming van de brief en de inhoud daarvan.

De bestuursrechtelijke jurisprudentie is volgens het Openbaar Ministerie in deze zaak niet relevant. De strafrechter is niet gebonden aan beslissingen van de bestuursrechter.

Het door cliënten of hun bewindvoerders doen indienen van valse verantwoordingsformulieren was het onherroepelijke gevolg van het op valsheid in geschrift gebaseerde facturatieproces, waarvoor [Zorg en Dienstverlening] en de ZVR’s gezamenlijk verantwoordelijk zijn te houden. Dat zij hierin nauw en bewust samenwerkten vloeit voort uit de werkwijze die door de ondernemingen was afgesproken en in de praktijk werd uitgevoerd. Verdachte is daarmee pleger/medepleger (met [Zorg en Dienstverlening] ) van het door budgethouders doen tekenen van valse verantwoordingsformulieren. Er is zodoende sprake van het plegen van valsheid in geschrift door verdachte.

Door de werkwijze van [Zorg en Dienstverlening] en verdachte (na beëindigen van de samenwerking met [Zorg en Dienstverlening] heeft verdachte deze werkwijze ook nog voortgezet) werd bewerkstelligd dat bij budgethouders, hun wettelijk vertegenwoordigers en bij de zorgkantoren een valse voorstelling van zaken ontstond, die inhield dat alle vermelde zorg daadwerkelijk zou zijn verleend. Door gebruik te maken van valse geschriften, met het oogmerk daar zelf beter van te worden, hebben [Zorg en Dienstverlening] en verdachte het zorgkantoor zo ver gekregen om het pgb dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd na verantwoording definitief toe te kennen. Dat levert oplichting op.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd verdachte van alle ten laste gelegde feiten vrij te spreken. Daartoe is – in de op schrift gestelde pleitnota uitgebreid en hier verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

Voorop wordt gesteld dat het op zich juist is dat op de facturen zorgfuncties zijn vermeld die – gelet op de uitleg van deze zorgfuncties zoals uiteengezet in het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (Bza AWBZ) – in werkelijkheid niet zijn verleend en dat deze zorgfuncties vervolgens op de verantwoordingsformulieren zijn verantwoord, aldus de verdediging.

Het standpunt dat het OM echter inneemt – inhoudende dat een budgethouder met pgb geen verblijf kan inkopen waarvoor hij zijn zogenaamde Zorgzwaartepakket (ZZP) indicatie heeft ontvangen en dat hij met pgb niet kan wonen in een voorziening voor zorg met verblijf – staat volledig haaks op de gedachte van de wetgever. De wetgever heeft immers als doel gehad dat een pgb-houder met zijn ZZP de zorg die betrekking heeft op de woonzorgcomponent (niet de huur) uit pgb kan betalen, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis en ook uit het Handboek Zorgzwaartebekostiging.

Voor langdurig verblijf kan in beginsel geen pgb worden toegekend, omdat de budgethouder geen zorg kan inkopen voor de zorgfunctie langdurig verblijf. Wanneer een budgethouder echter is geïndiceerd voor langdurig verblijf, zal het zorgkantoor op basis van een indicatie voor langdurig verblijf een pgb voor tijdelijk verblijf verlenen, zo blijkt uit de toelichting op artikel 2.6.4 Rs AWBZ. Voor het geval de budgethouder is geïndiceerd voor verblijf en aan hem een ZZP is toegekend, dan past het zorgkantoor een toekenningstabel toe om de hoogte van het budget, zoals in de toekenningsbeschikking vermeld, te bepalen. Deze tabel voorziet in een vertaling van een ZZP naar een pgb met de functies persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding.

In de strafrechtelijke jurisprudentie is reeds aangenomen dat – wanneer zorg in de vorm van tijdelijk verblijf is geïndiceerd en toegekend – die zorg kan worden omgezet in een andere zorgmodaliteit. Zo heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden2 overwogen dat het mogelijk was dat het pgb voor de zorgfunctie tijdelijk verblijf werd besteed voor de inkoop van andere zorgfuncties, ook voor de zorgfunctie langdurig verblijf. Eveneens werd geaccepteerd dat op het verantwoordingsformulier tijdelijk verblijf werd aangekruist, terwijl in werkelijkheid sprake was van langdurig verblijf.

Deze uitvoeringspraktijk van zorgkantoren met betrekking tot de omzetting van de functie tijdelijk verblijf is ook te begrijpen vanuit de methodiek van de zorgzwaartebekostiging. Wanneer een budgethouder voor een ZZP was geïndiceerd, werd hij geïndiceerd voor een totaalpakket aan zorg, waarbij het toegekende budget niet alleen betrekking heeft op direct geleverde zorg, maar ook uitgaat van indirect geleverde zorg die vanuit het ‘woonzorgteam’ wordt aangeboden. Ook wordt rekening gehouden met niet-cliëntgebonden tijd zoals scholing, intervisie en organisatieoverleg, en wordt er uitgegaan van een nachtdienst waarop de budgethouder een beroep kan doen. In de toekenningsbeschikking wordt het ZZP vertaald naar de verschillende zorgfuncties. Een budgethouder die bij een pgb-instelling vervolgens zijn ZZP inkoopt, kan niet anders dan deze vertaalde functies verantwoorden op het verantwoordingsformulier, terwijl de werkelijk ingekochte zorg in feite anders en veel uitgebreider is dan alleen deze zorgfuncties. De juistheid en toelaatbaarheid van deze aanpak is volgens de verdediging bevestigd door de bestuursrechter,3 die daarbij overweegt dat de vertaling in de toekenningsbeschikking van het ZZP naar zorgfuncties slechts een methode is waarmee de hoogte van het pgb wordt berekend, maar die niets zegt over de wijze waarop het pgb moet worden besteed en dus moet worden verantwoord.

Voor de bestuursrechter is in geen geval de inhoud van de factuur leidend, maar gaat het om de concrete vraag welke zorg is geleverd, waarbij wordt gekeken naar de indicatie, de beperkingen van de betrokkene, zijn zorgplan en naar een eventuele toelichting die is gegeven op zitting. Met name waar het dus gaat om de vraag of zorg is geleverd die werd geboden binnen een zorginstelling die 24-uurszorg levert of wanneer de budgethouder beschikt over een ZZP, is het voor de zorgaanbieder wettelijk gezien niet eens mogelijk om zijn declaratie in te richten conform de Rs AWBZ, aldus de bestuursrechter.

Behalve de gevolgen van de zorgzwaartebekostiging voor de pgb-regelgeving, was er in de praktijk zelfs een expliciete gedoogregeling voor wooninitiatieven. Dit blijkt uit de brief van het Zorginstituut Nederland van 11 april 2018. Deze gedoogconstructie hield in dat zorgkantoren accepteerden dat zorgaanbieders een vast maandbedrag bij de budgethouder in rekening brachten. Uit het verzoek tot openbaarmaking van stukken in het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), over de Thomashuizen blijkt dat het gevolg van de gedoogconstructie is dat wooninitiatieven het pgb door twaalf delen en dat dat bedrag in rekening werd gebracht. De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht om, indien de rechtbank aanleiding ziet het voorwaardelijke verzoek van het Openbaar Ministerie (tot het horen van de heer [naam 2] ) toe te wijzen, ook de heer Cnossen als getuige te horen.

Uit het dossier blijkt ook dat, na intensieve controles bij meerdere budgethouders door het zorgkantoor, de inkoop van toezichtzorg akkoord is bevonden, terwijl deze zorgfunctie als begeleiding individueel werd gedeclareerd en verantwoord.

De berekening van de feitelijk verleende zorg door de Inspectie SZW is volgens de verdediging ontoereikend om te komen tot de vaststelling dat minder zorg is geleverd dan is gedeclareerd. Uit het dossier blijkt dat de zorg is geleverd conform de indicatiebesluiten en dat er geen sprake is van een situatie dat er minder zorg is geleverd dan is gedeclareerd. Daarbij is ook van belang dat het mogelijk is te schuiven in de zorg en dat het is toegestaan dat de budgethouder de ene maand wat meer zorg ontvangt en de andere maand wat minder.

Indien de rechtbank toch tot het oordeel komt dat er meer zorg is gedeclareerd dan is geleverd, dan ontbreekt volgens de verdediging het voor oplichting vereiste oogmerk tot benadeling en het voor valsheid in geschrift vereiste oogmerk van misleiding. Verdachte was er oprecht van overtuigd dat zij handelde conform de uitleg van de regelgeving zoals die door de zorgkantoren werd gehanteerd. Nu de zorg die in de onderhavige zaak werd geleverd binnen een beschermd wonen-instelling, pgb-matig mag worden verantwoord op de wijze zoals dit in de onderhavige zaak is gedaan, kan volgens de verdediging geen bewezenverklaring volgen voor zowel oplichting als valsheid in geschrift. De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit voor witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

4.3

Persoonsgebonden budget

Voor een goed begrip acht de rechtbank het noodzakelijk om eerst inzicht te verschaffen in het systeem van het pgb (in de tenlastegelegde periode) en de plaats daarvan binnen het systeem van de zorgverlening op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De rechtbank zal, voor zover hier reeds aan de orde, hierbij ook ingaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging ter discussie staande onderdelen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

4.3.1

Wettelijk kader pgb

In de tenlastegelegde periode hadden Nederlandse ingezetenen op grond van de AWBZ aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Op grond van de AWBZ kan een verzekerde de zorg rechtstreeks van een zorgaanbieder ontvangen, welke zorg gefinancierd wordt via Zorg in Natura (ZIN), of kan een verzekerde de zorg die hij/zij nodig heeft, zelf inkopen met behulp van een pgb. De persoon die van het zorgkantoor een pgb krijgt toegekend, wordt hierna de budgethouder genoemd. In de onderhavige zaak is alleen sprake van budgethouders met een pgb.

Op grond van de Rs AWBZ kon de budgethouder in de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2012 het toegekende budget uitsluitend gebruiken voor betaling van één van de zorgvormen: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, vervoer en kortdurend verblijf. Vanaf

1 januari 2009 tot medio 2010 kon ook ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding worden ingekocht. Op 1 januari 2012 werden de Rs AWBZ en het onderliggende Bza AWBZ gewijzigd. De zorgvormen waaraan de budgethouder zijn budget kon besteden, waren echter nog steeds: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, vervoer en kortdurend verblijf.

Binnen de hiervoor genoemde zorgvormen had de budgethouder bestedingsvrijheid. Ook wanneer de budgethouder geen indicatie voor een specifieke zorgvorm had gekregen, had de budgethouder de mogelijkheid om het aan hem/haar toegekende budget te besteden aan (onder meer) die niet-geïndiceerde AWBZ-zorgvorm.

4.3.2

Zorgzwaartebekostiging
Op 1 januari 2009 is de zogenaamde zorgzwaartebekostiging in werking getreden. Een aantal van de in de tenlastelegging genoemde facturen en verantwoordingsformulieren heeft betrekking op budgethouders die in die periode bij een ZVR verbleven en een indicatie voor een ZZP hadden. Een ZZP is een volledig pakket van zorg dat aansluit op de kenmerken van de budgethouder en de zorg die de budgethouder nodig heeft. Een budgethouder krijgt een ZZP-indicatie wanneer hij/zij zorg met verblijf, dus voortdurend nabije zorg oftewel een beschermende woonomgeving, permanent toezicht en/of een therapeutisch leefklimaat, nodig heeft. In de ZZP-indicatie staat welke en hoeveel zorg de budgethouder nodig heeft. Het ZZP bestaat uit een mix aan zorgfuncties waarbij een totaal gemiddelde tijdsbesteding is vermeld en een daarbij behorend bedrag.

Het zorgkantoor vertaalt aan de hand van een toekenningstabel het ZZP naar een pgb waarmee de budgethouder zorg kan inkopen.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wanneer budgethouders met een ZZP-indicatie kiezen voor een pgb, langdurig intramuraal verblijf niet uit het pgb mag worden betaald. De verdediging heeft dit betwist.

Langdurig verblijf is strikt genomen op basis van de AWBZ geen zorgvorm waaraan het pgb kan worden besteed. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of, zoals het Openbaar Ministerie lijkt te veronderstellen, daarmee de spreekwoordelijke kous af is en het enkele feit dat langdurig verblijf op basis van de letter van de wet niet met pgb kan worden betaald tot de conclusie leidt dat een pgb-budgethouder het pgb niet mag besteden aan verblijf en daarmee 24-uurszorg.


- parlementaire geschiedenis

Gelet op de ZZP-indicatie hebben de betreffende budgethouders zorg met verblijf nodig. In de parlementaire geschiedenis is niet terug te vinden dat, zoals het Openbaar Ministerie stelt, deze budgethouders per definitie ervoor moeten kiezen om via ZIN hun zorg vergoed te krijgen als zij daadwerkelijk het geïndiceerde verblijf vergoed willen zien. Integendeel: bij brief van
14 december 2010 heeft de toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op een vraag vanuit het parlement het volgende geantwoord:

Is het in de toekomst nog mogelijk om zzp bij Langdurig verblijf via pgb te financieren?

Ja, dit blijft mogelijk. Ook in de toekomst kan een cliënt met een AWBZ-indicatie voor verblijf en een bijpassend zorgzwaartepakket deze zorg omzetten in een persoonsgebonden budget. Met deze maatregel zorg ik er wel voor dat de pgb-houder even veel te besteden heeft als iemand die een zorg in natura vergoeding ontvangt. Ik heb in mijn brief wel een aantal vormen van zorg benoemd die binnen een (aangewezen) zorg-in-natura instelling dienen te worden geleverd. Het betreft zorgzwaartepakketten, waarin het element behandeling aanwezig is en een prikkelloze, beschermde en besloten setting noodzakelijk is (de zogenaamde B-zzp’s in de GGZ, de zzp’s inzake de sglvg en lvg 4 en 5). 4

Niet gebleken is dat één van de in de tenlastelegging genoemde budgethouders een B-ZZP of een ZZP inzake SGLVG en LVG 4 of 5 heeft. Voor zover na te gaan, hebben deze budgethouders veelal een C-ZZP, hetgeen ook overeenkomt met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] ter zitting van 14 mei 2018 (waarvan het proces-verbaal is gevoegd in de zaak van verdachte).

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet van enige bedoeling van de wetgever om onderscheid te maken tussen de cliënt die een C-ZZP-indicatie had en koos voor financiering via ZIN enerzijds en de cliënt die zo’n zelfde C-ZZP-indicatie had en koos voor financiering via pgb. Integendeel. Met behulp van bijvoorbeeld budgetgaranties is in de jaren na invoering van de zorgzwaartebekostiging ervoor gezorgd dat aan mensen met een ZZP-indicatie voor verblijf een pgb werd toegekend dat overeen kwam met de kosten van de zorg in een instelling.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt overigens wel dat de wooncomponent, de huur, niet uit het pgb mag worden vergoed.


- uitvoeringspraktijk

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 24 juni 2016 in de ANSA-zaak5 reeds uitgemaakt dat het in de praktijk ook mogelijk was om het pgb te besteden aan langdurig verblijf.

In het onderhavige dossier zijn legio voorbeelden aangetroffen waaruit blijkt dat het zorgkantoor het accepteerde dat de pgb-gelden van ZZP-geïndiceerden aan langdurig verblijf werden besteed. Zo is er bijvoorbeeld het dossier van budgethouder [cliënt 1] , die bij verdachte verbleef. Op 20 juli 2011 vroeg medeverdachte [medeverdachte 3] aan het zorgkantoor om voor [cliënt 1] de functie verblijf in het jaar 2010 met terugwerkende kracht in pgb toe te kennen. Conform de zorgovereenkomst wordt op de facturen het aantal etmalen verblijf in rekening gebracht dat correspondeert met het aantal dagen in de maand en het tarief dat past bij langdurig verblijf. Vervolgens is op 12 augustus 2011 over het jaar 2010 een toekenningsbeschikking voor de functies begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf afgegeven. Eveneens op 12 augustus 2011 heeft Menzis Zorgkantoor aan [cliënt 1] een eindafrekening pgb verstrekt voor het volledige toegekende pgb. Ook in de tweede periode van 2011 staat op de facturen van [cliënt 1] nog steeds het aantal etmalen verblijf vermeld, dat overeenkomt met het aantal dagen per maand tegen het tarief van langdurig verblijf. Zelfs na intensieve controle door Menzis Zorgkantoor wordt de verantwoording over die periode goedgekeurd.

4.3.3

Wijze van factureren en verantwoorden

Op grond van artikel 2.6.9 Rs AWBZ is de budgethouder verplicht om een zorgovereenkomst te sluiten, waarin ten minste de volgende afspraak is opgenomen:

2°. een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer en de naam en het adres van de zorgverlener, en wordt door de zorgverlener ondertekend,

3°. een declaratie van een zorgverlenende instantie bevat het btw-nummer van die instantie, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen of etmalen, en de naam en het adres van de zorgverlenende instantie, en wordt namens de zorgverlenende instantie ondertekend.


Volgens de wettekst moet in de zorgfacturen dus het aantal gewerkte uren staan.


Op grond van artikel 2.6.9 Rs AWBZ dient in de zorgovereenkomst ook de afspraak te zijn opgenomen dat de budgethouder door middel van invulling en ondertekening van een daartoe door het zorgkantoor toegezonden formulier verantwoording aflegt over de besteding van het verleende pgb.


Ook hier doemt weer de vraag op hoe deze wettelijke bepalingen zich verhouden tot de zorgzwaartebekostiging. De budgethouders met ZZP-indicatie hebben immers zorg met verblijf, dus voortdurend nabije zorg oftewel een beschermende woonomgeving en permanent toezicht, nodig. Maar hoe factureer en verantwoord je permanent toezicht, terwijl je binnen de AWBZ-zorgvormen moet blijven, in het bijzonder gelet op het feit dat de AWBZ-zorgvorm langdurig verblijf niet kon worden aangekruist op het verantwoordingsformulier (hetgeen overigens ook in lijn met de tekst van de wet was)?

- uitvoeringspraktijk factureren

In de praktijk werd geaccepteerd dat de aanbieders van zorg met verblijf aan ZZP-budgethouders een vast maandbedrag in rekening brachten en dat zij daarbij de toekenningsbeschikking (de vertaling van het ZZP naar de AWBZ-vormen) aanhielden. Hiervan zijn meerdere voorbeelden in het dossier LAAX aangetroffen: zonder uitputtend te zijn, wordt verwezen naar de budgethouders [cliënt 2] , [cliënt 3] , [cliënt 4] en [cliënt 5] .

De constatering dat dit geaccepteerd werd, wordt bovendien ondersteund door hetgeen in de brief van het Zorginstituut Nederland van 11 april 2018 hierover staat vermeld:

Deze uitvoeringspraktijk stond op gespannen voet met de RSA (de rechtbank begrijpt: Rs AWBZ) en heeft dan ook geregeld tot discussie geleid. De uitkomst van deze discussie is echter iedere keer geweest dat zorgkantoren hebben besloten om deze wijze van declareren en verantwoorden te accepteren.

- uitvoeringspraktijk verantwoording

Volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd geaccepteerd dat er op het verantwoordingsformulier ‘tijdelijk verblijf’ werd aangekruist, terwijl in werkelijkheid sprake was van langdurig verblijf.6

Ook in deze zaak zijn daar diverse voorbeelden van.

Zo werd bijvoorbeeld bij budgethouder [cliënt 6] , die een ZZP had, in 2011 het aantal etmalen verblijf gefactureerd dat overeen kwam met het aantal dagen in die maand tegen het tarief van langdurig verblijf en werd in 2011 kortdurend verblijf verantwoord, terwijl [cliënt 6] 24 uur per dag bij verdachte verbleef. Die verantwoording is geaccepteerd door Menzis Zorgkantoor en de eindafrekening is overeenkomstig het verantwoordingsformulier opgesteld.

En ook bij budgethouder [cliënt 3] , die een ZZP had en 24 uur per dag bij St. [zorgverlener 2] verbleef, werd in 2010 onder meer tijdelijk verblijf gefactureerd en werd ook tijdelijk verblijf verantwoord. Ook die verantwoording werd goedgekeurd door het zorgkantoor, in dit geval Zorgkantoor Zorg en Zekerheid, en de eindafrekening is overeenkomstig het verantwoordingsformulier opgesteld. Hoewel laatstgenoemde budgethouder niet op de tenlastelegging van verdachte staat, maakt de informatie over deze budgethouder wel onderdeel uit van het strafdossier LAAX en is dit voorbeeld tekenend voor wat er in de praktijk werd geaccepteerd.

- bestuursrechtelijke jurisprudentie

Hoewel de strafrechter uiteraard een zelfstandig oordeel dient te vellen over de feiten en in zoverre niet gebonden is aan de uitspraken van de bestuursrechter, acht de rechtbank de bestuursrechtelijke jurisprudentie wel degelijk van belang voor haar beoordeling hoe met deze materie in de praktijk wordt omgegaan, en wat in de praktijk rechtens is toegelaten.

Ook in de bestuursrechtelijke jurisprudentie wordt geaccepteerd dat in geval van een ZZP niet conform de strikte wettelijke regeling wordt verantwoord.


De bestuursrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 28 november 2012 overwogen dat voor een afdoende verantwoording in geval van een ZZP niet noodzakelijk is dat in alle details wordt voldaan aan artikel 2.6.9, eerste lid, onder c en 2 dan wel 3, Rs AWBZ, zolang inzichtelijk wordt gemaakt dat het pgb is besteed aan de geïndiceerde zorg. Of het pgb is besteed aan de geïndiceerde zorg blijkt, aldus de rechtbank Amsterdam, uit het samenstel van de zorgovereenkomst, het zorgplan, een toelichting daarop, de maandfacturen en de dagelijkse gang van zaken in de zorginstelling.7 Ook de beperkingen die tot de gestelde indicatie hebben geleid, zijn daarvoor relevant.8


De bestuursrechter in de rechtbank Arnhem heeft verder overwogen dat indien een budgethouder met ZZP volledig afhankelijk is van zorg een verantwoordingsformulier niet mag worden afgekeurd omdat andere zorgvormen zijn aangekruist op het formulier dan werkelijk zijn verleend.9

4.4

Tenlastelegging

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de werkwijze van [Zorg en Dienstverlening] en verdachte zich niet verhoudt met de pgb-regelgeving en dat deze werkwijze leidt tot de strafbare feiten: oplichting, valsheid in geschrift, (gewoonte)witwassen en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of, en zo ja welke consequentie het voorgaande heeft ten aanzien van de tenlastegelegde strafbare feiten.

4.5

Feit 2 valsheid in geschrift

In artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zich schuldig maakt aan valsheid in geschrift.

Valsheid

Niet in geding is dat een deel van de in de tenlastelegging genoemde verantwoordingsformulieren, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, zorgvormen, uren en totaalbedragen vermelden die niet één op één overeenstemmen met de daadwerkelijk verleende zorg. Wanneer er immers werd geschoven met zorgvormen, bijvoorbeeld door persoonlijke verzorging te verlenen in plaats van groepsbegeleiding, terwijl alleen voor groepsbegeleiding een indicatie was afgegeven, werd meestal nog steeds gefactureerd en verantwoord conform de zorgovereenkomst en dus conform de toekenningsbeschikking. In dat geval werd groepsbegeleiding gefactureerd en verantwoord, terwijl die groepsbegeleiding feitelijk niet was verleend maar in plaats daarvan persoonlijke verzorging werd verleend. Daarmee zijn die verantwoordingsformulieren technisch gezien (intellectueel) vals en valselijk opgemaakt door medewerkers van [Zorg en Dienstverlening] en later
St. [verdachte/zorgverlener 1] . De rechtbank zal, na de bespreking van het oogmerk, wanneer dat nodig is, per budgethouder ingaan op de vraag of het verantwoordingsformulier in dat specifieke geval vals is.

Oogmerk tot misleiding

Noodzakelijk voor een bewezenverklaring van valsheid in geschrift is dat [Zorg en Dienstverlening] en/of verdachte het wettelijk vereiste oogmerk had(den) om de genoemde verantwoordingsformulieren als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Met andere woorden: of [Zorg en Dienstverlening] en/of verdachte het oogmerk tot misleiding van een derde had(den).

Voor de beoordeling van de vraag of zij het oogmerk tot misleiding hadden is van belang om een onderscheid te maken tussen de ZZP-geïndiceerde budgethouders en de niet-ZZP-geïndiceerde budgethouders. Het dossier is op dit punt echter verre van compleet. Het Openbaar Ministerie heeft geen indicatiebesluiten aan het dossier toegevoegd, terwijl juist die documenten van belang zijn om vast te stellen of een budgethouder al dan niet voor een ZZP is geïndiceerd.

Dit ontbreken van relevante informatie is ten dele gedurende de procedure gecorrigeerd. Bij de rechter-commissaris heeft een aantal budgethouders tijdens de verhoren alsnog een afschrift van de indicatie verstrekt. Ook zijn bij de inhoudelijke behandeling door de verdediging indicatiebesluiten overgelegd.

Aan de hand van de indicatiebesluiten is gebleken dat ongeveer de helft van de in de tenlastelegging genoemde budgethouders in de relevante periode geïndiceerd was voor een ZZP. Van budgethouder [cliënt 7] staat vast dat zij niet voor een ZZP geïndiceerd was.

Wat betreft de budgethouders waarvan uit de stukken blijkt dat zij wel ZZP-geïndiceerd waren, overweegt de rechtbank het volgende. De verdediging heeft betoogd dat [Zorg en Dienstverlening] (en later verdachte) heeft gefactureerd (en verantwoord) conform de toekenningsbeschikking en dat dit geaccepteerd werd door het zorgkantoor. Onder 4.3.2 en 4.3.3 is hieromtrent het nodige overwogen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de parlementaire geschiedenis, de uitvoeringspraktijk waaruit blijkt dat deze werkwijze inderdaad geaccepteerd werd door de zorgkantoren en de bestuursrechtelijke jurisprudentie, welk samenstel van informatie ook nog ondersteund wordt door de brief van het Zorginstituut Nederland van 11 april 2018, niet kan worden bewezen dat [Zorg en Dienstverlening] en/of verdachte het oogmerk had(den) om de budgethouder of het zorgkantoor te misleiden.

Ten aanzien van budgethouder [cliënt 7] , waarvan vaststaat dat zij geen ZZP had, overweegt de rechtbank als volgt.

Mevrouw [cliënt 7] was sinds 2011 cliënt bij verdachte en woonde op het terrein van St. [verdachte/zorgverlener 1] . Volgens de toekenningsbeschikking van 19 juli 2011 werd in het jaar 2011 aan [cliënt 7] een pgb verstrekt voor “Begeleiding individueel, klasse 2” ad € 5.773,--. Ter zake de maanden oktober, november en december 2011 werden per maand twee facturen aangetroffen: één met omschrijving begeleiding uren, die telkens werd gecrediteerd, en één met omschrijving verblijf tegen het tarief dat volgens de zorgovereenkomst bij langdurig verblijf hoort. Feitelijk komt het erop neer dat bij mevrouw [cliënt 7] , die een indicatie had voor begeleiding, verblijf werd gefactureerd (en vervolgens verantwoord). Uit het dossier blijkt dat mevrouw [cliënt 7] daadwerkelijk ‘verblijf’ ontving van verdachte. Dát aan haar vervolgens ‘verblijf’ gefactureerd wordt en dat dit ook wordt verantwoord, is dan ook niet in strijd met de werkelijkheid. De vraag of mevrouw [cliënt 7] dat ‘verblijf’ uit haar pgb mocht bekostigen, is voor de tenlastegelegde valsheid in geschrift niet van belang. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat het in de tenlastelegging genoemde verantwoordingsformulier vals is.

Er resteert vervolgens een groep budgethouders waarvan geen indicatie is overgelegd. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om ervoor te zorgen dat de rechtbank over een compleet dossier beschikte, inclusief de indicatiebesluiten van de in de tenlastelegging genoemde budgethouders. Dat deze documenten van belang zouden kunnen zijn, had het Openbaar Ministerie kunnen en moeten weten, zeker gelet op het feit dat de verdediging reeds in een vroeg stadium en bij herhaling te kennen heeft gegeven dat de zorgzwaartebekostiging een essentieel onderdeel van haar verweer inhield. Nu deze wezenlijke informatie ontbreekt, kan de rechtbank voor deze budgethouders de relevante feiten en omstandigheden niet vaststellen en dus ook niet vaststellen of [Zorg en Dienstverlening] en/of verdachte het oogmerk had(den) tot misleiding.

Conclusie

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde valsheid in geschrift.

4.6

Feit 1 oplichting

Ten laste is gelegd dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het oplichten van de in de tenlastelegging genoemde budgethouders en instanties door gegevens op de facturen en verantwoordingsformulieren te vermelden die niet overeenkomen met de werkelijk verleende zorg. Gelet op de tekst van de tenlastelegging behelst het gemaakte verwijt dat de betreffende personen/instanties zijn bewogen tot de afgifte van geld. Van de mogelijke afgifte van andere goederen blijkt immers niet uit het dossier. Gelet op de formulering van de tenlastelegging is bovendien uitgesloten dat het gemaakte verwijt (ook) ziet op het bewegen van die personen/instanties tot afgifte van de incassomachtiging aan [Zorg en Dienstverlening] .

Om tot bewezenverklaring van oplichting te komen is vereist dat sprake is van “oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen”. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de valsheid is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er sprake is van wederrechtelijk handelen door [Zorg en Dienstverlening] en/of verdachte, laat staan dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat deze stichtingen het oogmerk hadden op wederrechtelijke bevoordeling.

De rechtbank overweegt verder dat de facturen gebaseerd waren op de zorgovereenkomst, die mede door de budgethouder en/of de beschermingsbewindvoerder werd ondertekend, waarin de afspraak was opgenomen dat het pgb in gelijke maandelijkse bedragen bij vooruitbetaling werd gefactureerd. Door het maken van die betalingsafspraken met [Zorg en Dienstverlening] was de budgethouder en/of de beschermingsbewindvoerder geheel op de hoogte hoe en hoeveel van het pgb werd gefactureerd en wat maandelijks bij vooruitbetaling uit dat budget moest worden betaald. Gelet op die gehanteerde werkwijze kan geen sprake zijn van de voor oplichting vereiste valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en/of samenweefsel van verdichtsels, die moeten hebben bewogen tot – in dit geval steeds – betaling.

Dit strookt met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 20 december 2016:10

2.4.

Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.

Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.

Verder verdient hier overweging dat “Menzis Zorgkantoor en/of Achmea Zorgkantoor en/of Zorgkantoor Zorg en Zekerheid” niet kunnen zijn opgelicht juist door toezending van facturen en/of verantwoordingsformulieren, zoals is tenlastegelegd. Immers doen die niet ter zake voor de toekenning van (nieuwe) pgb-gelden aan de hulpbehoevende/pgb-gerechtigde, en is daarom niet te bewijzen dat zij “bewogen zijn” tot betaling (aan een derde) door de genoemde oplichtingsmiddelen.

4.7

Feit 3 witwassen

Verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van pgb-gelden afkomstig van valselijk opgemaakte (zorgverlenings)facturen en/of verantwoordingsformulieren, welke gelden zouden zijn uitgegeven aan de kosten van de bedrijfsvoering en niet-budgethouders.

Om tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde (gewoonte)witwassen te komen is onder meer vereist dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wist dat de gelden – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn van enig misdrijf.

Gelet op de tekst van de tenlastelegging zou het moeten gaan om pgb-gelden afkomstig van valselijk opgemaakte facturen en verantwoordingsformulieren. De rechtbank begrijpt dat hiermee wordt gedoeld op de onder 2 tenlastegelegde valsheid in geschrift. Uit het hiervoor overwogene blijkt echter al dat hiervan niet is gebleken. Zodoende kan ook niet worden bewezen dat verdachte gelden afkomstig uit misdrijf heeft gebruikt voor onder meer de bedrijfsvoering.

4.8

Feit 4 criminele organisatie

Als feit 4 is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten van onder meer het plegen van oplichting, het plegen van valsheid in geschrift en/of het plegen van witwassen.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen niet is gebleken. Van het bestaan van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen is eveneens niet gebleken. In het dossier zijn bovendien geen bewijsmiddelen aangetroffen (en overigens zijn deze door het Openbaar Ministerie ook niet aangehaald) waaruit zou blijken dat sprake zou zijn van het oogmerk tot het plegen van andere misdrijven, zoals wel uit de tekst van de tenlastelegging volgt.

4.9

Conclusie

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één van de in tenlastelegging genoemde strafbare feiten. De rechtbank acht zodoende niet bewezen wat aan verdachte ten laste is gelegd, zodat zij haar zal vrijspreken.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank niet nader ingaan op verder gevoerde verweren.

5 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. S.K. Huisman en

mr. M.L.J. Koopmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

Mr. Koopmans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage 1: de tenlastelegging

1.

Zij

op één of meer tijdstip(pen),

in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 6 februari 2014

te Losser en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen,

(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

één of meer nagenoemde (rechts)perso(o)n(en) en/of zorgverzekeraar(s) en/of

zorgkanto(o)r(en), in elk geval één of meer instantie(s) die betrokken zijn

bij de uitvoering/uitbetaling/uitkering van PGB-gelden, in elk geval (een)

ander(en) dan verdachte en/of één of meer van haar mededader(s),

te weten onder meer: [cliënt 6] en/of [cliënt 9] en/of [cliënt 31] en/of [cliënt 2]

en/of [cliënt 10] en/of [cliënt 11] en/of [cliënt 12] en/of

[cliënt 7] en/of [cliënt 1] en/of Menzis Zorgkantoor en/of Achmea Zorgkantoor en/of

Zorgkantoor Zorg en Zekerheid te Leiden,

heeft bewogen, en/of doen bewegen, tot de afgifte van één of meer (grote)

geldbedrag(en), in elk geval van enig(e) goed(eren),

immers hebbende verdachte en/of één of meer van haar mededader(s) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk, in elk geval in strijd met de waarheid,

-op één of meer (zorgeverlenings) factu(u)r(en) (telkens (een) ander(e)

bedrag(en) en/of uren vermeld en/of laten vermelden en/of doen vermelden, dan

waarvoor in werkelijkheid zorg was verleend, en/of

-verblijf gefactureerd en/of doen factureren, terwijl daar geen sprake van

was, en/of

-op voornoemde factu(u)r(en) (telkens (een) ander(e) zorgvorm(en) vermeld

en/of laten vermelden en/of doen vermelden, dan in werkelijkheid was/waren

verleend, en/of

-op voornoemde factu(u)r(en) (telkens (een) zorgvorm(en) vermeld en/of laten

vermelden en/of doen vermelden, die in werkelijkheid in zijn geheel niet,

althans niet voor het volledige bedrag zoals genoemd in dat/die factu(u)r(en)

heeft/hebben plaatsgevonden en/of is/zijn verleend, en/of

-één of meer valse en/of vervalste, immers in strijd met de waarheid

opgemaakte verantwoordingsformulier(en) PGB ingevuld en/of laten invullen

en/of doen invullen, en/of

-(vervolgens) voornoemde verantwoordingsformulier(en) PGB verzonden en/of

laten verzenden en/of doen verzenden, naar één of meer zorgkanto(o)r(en) één

of meer zorgverzekeraars, in elk geval één of meer instantie(s) die betrokken

zijn bij de uitvoering/uitbetaling/uitkering van PGB-gelden,

-bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsingen, immers in strijd met de

waarheid daaruit dat op die verantwoordingsformulier(en) (telkens (een)

ander(e) zorgvorm(en) vermeld en/of laten vermelden en/of doen vermelden dan

in werkelijkheid was/waren verleend, en/of (telkens (een) zorgvorm(en) vermeld

en/of laten vermelden en/of doen vermelden, die in werkelijkheid in zijn

geheel niet, althans niet voor het volledige bedrag zoals genoemd in dat/die

verantwoordingsformulier(en) heeft/hebben plaatsgevonden en/of is/zijn

verleend,

waardoor voornoemde (rechts)perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven

afgifte(n),

2.

Zij

op één of meer tijdstip(pen),

in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 6 februari 2014,

te Almelo en/of Losser en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

een groot aantal verantwoordingsformulieren,

waaronder

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 6] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2011', verantwoordingsperiode

01-01-2011 tot en met 30-06-2011 (DOC-007-02), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 9] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2012', verantwoordingsperiode

01-01-2012 tot en met 30-06-2012 (DOC-011-03), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 9] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2012', verantwoordingsperiode

01-07-2012 tot en met 01-12-2012 (DOC-011-04), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 31] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2013', verantwoordingsperiode

01-01-2013 tot en met 30-06-2013 (DOC-012-02), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 2] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2010', verantwoordingsperiode

01-10-2010 tot en met 31-12-2010 (DOC-005-03), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 10]

met omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2009',

verantwoordingsperiode 09-01-2009 tot en met 26-02-2009 (DOC-004-03), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 10]

met omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2009',

verantwoordingsperiode 27-02-2009 tot en met 30-06-2009 (DOC-004-04), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 11] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2011', verantwoordingsperiode

01-01-2011 tot en met 30-06-2011 (DOC-008-05), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 31]

met omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2010',

verantwoordingsperiode 01-01-2010 tot en met 30-06-2010 (DOC-006-02), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 7] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2011', verantwoordingsperiode

01-07-2011 tot en met 31-12-2011 (DOC-009-06), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 1] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2013', verantwoordingsperiode

01-01-2013 tot en met 30-06-2013 (DOC-013-02), en/of

-het verantwoordingsformulier met betrekking tot budgethouder [cliënt 1] met

omschrijving 'Verantwoordingsformulier PGB-AWBZ 2013', verantwoordingsperiode

01-07-2013 tot en met 31-12-2013 (DOC-013-03),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, en/althans

heeft/hebben doen opmaken en/of doen vervalsen, althans opzettelijk

heeft/hebben gebruikt dan wel opzettelijk heeft/hebben afgeleverd of

voorhanden heeft/hebben gehad en/of doen afleveren en/of doen voorhanden

hebben terwijl zij wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit

geschrift bestemd was voor zodanig gebruik,

immers heeft/hebben genoemde (rechts)perso(o)n(en) en/of haar mededader(s)

en/of (een) derde(n) (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

- zakelijk weergeven -

-op die verantwoordingsformulier(en) (telkens (een) ander(e) zorgvorm(en)

vermeld en/of laten vermelden en/of doen vermelden dan in werkelijkheid

was/waren verleend, en/of

-(telkens (een) zorgvorm(en) vermeld en/of laten vermelden en/of doen

vermelden, die in werkelijkheid in zijn geheel niet, althans niet voor het

volledige bedrag zoals genoemd in dat/die verantwoordingsformulier(en)

heeft/hebben plaatsgevonden en/of is/zijn verleend,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

3.

Zij,

op één of meer tijdstip(pen),

in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 oktober 2105,

te Almelo en/of Losser en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

van (een) voorwerp(en), te weten (totaal) EUR 1.267.741,- althans één of meer

geldbedrag(en),

(telkens),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of doen verbergen en/of verhuld en/of doen

verhullen, althans heeft verborgen en/of doen verbergen en/of heeft verhuld

en/of doen verhullen wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was/waren of

wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den), en/of

dat/die voorwerp(en) verworven en/of doen verwerven en/of voorhanden gehad

en/of doen voorhanden hebben en/of overgedragen en/of doen overdragen en/of

omgezet en/of doen omzetten of van één of meer voorwerp(en) gebruik gemaakt

en/of doen gebruik maken,

terwijl zij en/of haarmededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en), - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

zulks terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) van het plegen van

voormeld(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

immers zijn PGB-gelden afkomstig van valselijk opgemaakte

(zorgverlenings)facturen en/of verantwoordingsformulieren gebruikt en/of

omgezet voor uitgaven ten aanzien van de algemene en/of gehele bedrijfskosten

en/of bedrijfsvoering en/of niet-budgethouder(s),

4.

Zij,

op één of meer tijdstip(pen),

in of omstreeks de periode van van 1 januari 2009 tot en met 30 oktober 2015,

te Almelo en/of Losser en/of (elders) in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door onder meer:

- Stichting [Zorg en Dienstverlening] en/of

- Stichting [verdachte/zorgverlener 1] en/of

- Stichting [zorgverlener 2] en/of

- Stichting [zorgverlener 3] en/of

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 5] en/of

- [medeverdachte 6] en/of

- [medeverdachte 7] en/of

- [medeverdachte 8] ,

en/of één of meer andere (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten van

onder meer

- het plegen van oplichting en/of

- het plegen van valsheid in geschrift en/of

- het plegen van witwassen;

1 ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8787.

2 ECLI:NL:GHARL:2016:5131

3 ECLI:NL:RBAMS:2012:BY6298.

4 Persoonsgebonden Budgetten; Lijst van vragen en antwoorden; Lijst van vragen en antwoorden over persoonsgebonden budget, vergaderjaar 2010-2011, Kamerstukken 25657, nr. 42.

5 ECLI:NL:GHARL:2016:5131.

6 ECLI:NL:GHARL:2016:5131.

7 ECLI:NL:RBAMS:2012:BY6298.

8 ECLI:NL:CRVB:2018:335.

9 ECLI:NL:RBARN:2012:BZ0533.

10 ECLI:NL:HR:2016:2889.