Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2326

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
08/955035-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 20-jarige jongeman tot het betalen van een geldboete van 500 euro en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar voor het niet verlenen van voorrang op de Langeveenseweg in de gemeente Tubbergen. De man heeft tijdens het keren van zijn auto zijn slachtoffer niet op tijd gezien en geen voorrang aan hem verleend, waardoor hij in aanrijding is gekomen met de auto van het slachtoffer en als gevolg hiervan is een ongeval ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/955035-17 (P)

Datum vonnis: 5 juli 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 juni 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zodanig onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan, dan wel dat hij zodanig heeft gereden dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 18 januari 2017 te Geesteren in de gemeente Tubbergen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Langeveen en/of gaande in de richting Geesteren, daarmee rijdende op de weg, de Langeveenseweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij, verdachte een achter hem, rijdende auto had waargenomen,

ter hoogte van de kruising van deze weg en de weg de Wierenseveldweg is gaan keren, zijnde een bijzonder manoeuvre, als omschreven in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

tijdens dat rijden over die weg (de Langeveenseweg) en/of bij dat keren in strijd met het gestelde in artikel 61a van voormeld reglement een mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of daarmee heeft gebeld en/of

bij dat keren niet of in onvoldoende mate links over zijn, verdachtes schouder en/of in de spiegels van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) heeft gekeken en/of is blijven kijken of hij, verdachte die manoeuvres kon uitvoeren, zonder het overige verkeer op die weg (de Langeveenseweg) te hinderen en/of in gevaar te brengen en/of

bij het uitvoeren van die bijzondere manoeuvre op die weg (de Langeveenseweg), in strijd met het gestelde in artikel 54 van voormeld reglement, een achter hem, verdachte rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto), -welke bestuurder van dat andere motorrijtuig (personenauto) doende was hem, verdachte in te halen of voorbij te rijden-, niet heeft laten voorgaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat op die weg (de Langeveenseweg) rijdende, toen hem, verdachte dicht van achteren genaderd zijnde en/of inhalende of voorbijrijdende andere motorrijtuig (personenauto), ten gevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto), gezien de rijrichting van dat andere motorrijtuig (personenauto), tegen een in de linker berm van die weg (de Langeveensweg) staande boom is gebotst of aangereden,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 18 januari 2017 te Geesteren in de gemeente Tubbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Langeveen en/of gaande in de richting Geesteren, daarmee heeft gereden op de weg, de Langeveenseweg en

ter hoogte van de kruising van deze weg en de weg de Wierenseveldweg is gaan keren, zijnde een bijzonder manoeuvre, als omschreven in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

tijdens dat rijden over die weg (de Langeveenseweg) en/of bij dat keren in strijd met het gestelde in artikel 61a van voormeld reglement een mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of daarmee heeft gebeld en/of

bij het uitvoeren van die bijzondere manoeuvre op die weg (de Langeveenseweg), in strijd met het gestelde in artikel 54 van voormeld reglement, een achter hem, verdachte rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto), -welke bestuurder van dat andere motorrijtuig (personenauto) doende was hem, verdachte in te halen

of voorbij te rijden-, niet heeft laten voorgaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat op die weg (de Langeveenseweg) rijdende, toen hem, verdachte dicht van achteren genaderd zijnde en/of inhalende of voorbijrijdende andere motorrijtuig (personenauto), ten gevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto), gezien de rijrichting van dat andere motorrijtuig (personenauto), tegen een in de linker berm van die weg (de Langeveensweg) staande boom is gebotst of aangereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, in die zin dat sprake is van zodanig onoplettend en onachtzaam rijgedrag dat sprake is van (aanmerkelijke) schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Er is ook sprake van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, omdat hij geruime tijd uitgeschakeld is geweest.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, aangezien hij niet verwijtbaar onvoorzichtig is geweest. Verdachte moet ook van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 5 WVW is tenminste vereist dat enige verwijtbaarheid kan worden vastgesteld. Deze verwijtbaarheid ontbreekt. Het kan niet anders dan dat het slachtoffer veel te hard gereden heeft, anders vindt niet een dergelijk ongeval plaats, waarbij de auto om de boom hen is gedraaid.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het primair ten laste gelegde

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR: AO5822) komt het bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in algemene zin is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan.

Voor schuld is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte wordt in de kern verweten dat hij onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, omdat hij als bestuurder van een motorrijtuig voorafgaand en tijdens het verrichten van een bijzondere manoeuvre het slachtoffer niet tijdig heeft waargenomen en geen voorrang aan hem heeft verleend, terwijl hij zijn telefoon gebruikte, waarna hij in aanrijding is gekomen met het door het slachtoffer bestuurde motorrijtuig, aldus een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen.

De rechtbank stelt het volgende vast. Verdachte is, rijdende op de Langeveenseweg in de richting van Geesteren, rechtsaf de Wierenseveldweg ingeslagen. Daarbij heeft hij direct zijn auto gekeerd om de Langeveenseweg weer op te rijden in de richting van Langeveen. Het slachtoffer reed eveneens over de Langeveenseweg in de richting van Geesteren. Verdachte heeft toen hij de Langeveenseweg weer op wilde rijden de auto van het slachtoffer niet gezien en hem geen voorrang verleend. De auto’s hebben elkaar geraakt en de auto van het slachtoffer is vervolgens tegen een boom gebotst aan de linkerkant van de weg. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder de gegeven omstandigheden weliswaar kan worden verweten dat hij onachtzaam heeft gereden, door tijdens het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre onvoldoende te kijken of de weg vrij was, maar niet zodanig dat in dit geval sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank zal de verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Het subsidiair tenlastegelegde

In artikel 5 WVW heeft ‘gevaar’ betrekking op de veiligheid op de weg. Het gevaar is gelegen in een reële kans op een ongeval. Artikel 5 WVW stelt als minimumeis een zekere mate van concreet gevaar scheppend gedrag. Hij die zich in het verkeer van een gevaar bewust behoort te zijn, moet zichzelf evenwel in de gelegenheid stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet (HR 23 oktober 1962, VR 1963 en HR 7 juni 2005, NJ 2005, 435).

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde. Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte als bestuurder van een motorrijtuig voorafgaand en tijdens het verrichten van een bijzondere manoeuvre het slachtoffer niet tijdig waargenomen, geen voorrang aan hem verleend, waarna hij in aanrijding is gekomen met het door het slachtoffer bestuurde motorrijtuig en aldus een ongeval heeft plaatsgevonden. Dat is verdachte aan te rekenen. Verdachte heeft daarmee gevaar op de weg veroorzaakt. Voor de stelling van de verdediging dat het slachtoffer met zeer hoge snelheid zou hebben gereden, biedt het dossier geen aanknopingspunten zodat dat verweer door de rechtbank wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte zijn telefoon heeft vastgehouden of daarmee heeft gebeld, terwijl hij aan het keren was en het door het slachtoffer bestuurde motorrijtuig raakte. Voor dit deel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 januari 2017 te Geesteren in de gemeente Tubbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Langeveen en gaande in de richting Geesteren, daarmee heeft gereden op de weg, de Langeveenseweg en

ter hoogte van de kruising van deze weg en de weg de Wierenseveldweg is gaan keren, zijnde een bijzondere manoeuvre, als omschreven in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en

bij het uitvoeren van die bijzondere manoeuvre op die weg (de Langeveenseweg), in strijd met het gestelde in artikel 54 van voormeld reglement, een achter hem, verdachte rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto), welke bestuurder van dat andere motorrijtuig (personenauto) doende was hem, verdachte, in te halen of voorbij te rijden, niet heeft laten voorgaan en

in aanrijding is gekomen met dat, op die weg (de Langeveenseweg) rijdende, toen hem, verdachte, voorbijrijdende andere motorrijtuig (personenauto), ten gevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto), gezien de rijrichting van dat andere motorrijtuig (personenauto), tegen een in de linker berm van die weg (de Langeveenseweg) staande boom is gebotst,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 177 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit en verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is als bestuurder van een motorrijtuig een kruising opgereden waarna een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij een medeweggebruiker zwaar gewond is geraakt. Op verdachte rust als bestuurder van een motorrijtuig de verantwoordelijkheid zich te allen tijde te vergewissen of er andere verkeersdeelnemers op de openbare weg aanwezig zijn. Verdachte heeft door zijn onachtzaamheid een verkeersfout gemaakt, waardoor gevaar ontstond en een ongeval is gevolgd. Het ongeval heeft fors letsel veroorzaakt bij het slachtoffer. Dat blijkt onder meer uit de letselrapportage van de GGD Twente, waarin het letsel van het slachtoffer wordt beschreven en het herstel wordt ingeschat.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, nu zij verdachte vrijspreekt van het primair ten laste gelegde misdrijf. Een geldboete van € 500,00 acht de rechtbank passend voor het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaar. Dit om verdachte ervan te doordringen dat hij als beginnend bestuurder er alles aan moet doen om gevaar op de weg te voorkomen. Hoe gering de fout ook is, de gevolgen van een dergelijk ongeval zijn vaak groot, zo is ook in dit geval gebleken.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 178 en 179 WVW.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het subsidiair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

  • -

    omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en

mr. M. van Meel, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

Buiten staat

Mr. Van Meel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juni 2018, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

“(…) Op 18 januari 2017 reed ik in mijn auto over de Langeveenseweg in de richting van Geesteren. (…) Op een gegeven moment reed ik ter hoogte van een kruising. (…) Ik moest de andere kant op en heb mijn auto toen gekeerd. (…) Toen ik de weg was opgedraaid was de auto er. (…) Ik stond een stukje met mijn auto op de weg. (…) Ik heb de auto niet gezien. De auto die van links kwam, raakte mijn auto. (…).”

2.

Het proces-verbaal verhoor betrokkene [slachtoffer] , van 6 maart 2017, pagina’s 6 t/m 7, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven de verklaring van betrokkene:

“(…) Op woensdag 18 januari 2017, omstreeks 18.15 uur reed ik met mijn personenauto over de Langeveenseweg te Geesteren. Ik reed in een BMW voorzien van het kenteken

[kenteken 1] . Ik kwam vanuit de richting Langeveen en reed in de richting Geesteren. (…) Op een gegeven moment zag ik aan de rechterzijde een auto stilstaan. Ik zag de achterlichten van een auto. (…) Net toen ik wilde passeren, zag ik dat die auto wilde keren. (…) Ik stuurde toen naar links en heb met de achterzijde van mijn auto, die andere auto geraakt. (…) Ik reed toen tegen een boom. (…).”

3.

Het proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeers Ongevallen Analyse, met foto’s, van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 16 maart 2017, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

“(…)

1.2

Beknopte beschrijving ongeval

De bestuurder van de Volkswagen was voornemens op een kruising te keren en kwam daarbij met de linkervoorzijde in botsing met de BMW, waarna de BMW bestuurder de controle over zijn voertuig verloor en aan de linkerzijde van de weg tegen een boom botste. De BMW bestuurder liep ten gevolge daarvan zwaar letsel op.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken 2]

Personenauto, merk BMW, type 3-serie, kenteken [kenteken 1]

(…)

1.4

Conclusie / beantwoording

A. Een fotoreportage is in dit proces-verbaal verwerkt.

B. Beide voertuigen verkeerden in een voldoende staat van onderhoud en vertoonden geen

gebreken die eventueel de oorzaak van, dan wel van invloed zouden kunnen zijn geweest op

het ontstaan van het ongeval.

C. Ten tijde van het ontstaan van het ongeval was het droog en helder weer. De rijbaan van de Langeveenseweg was droog en goed onderhouden. De toegestane maximum snelheid

bedroeg 80 km/h. (…) De bestuurder van de Volkswagen reed over de Langeveenseweg in de richting Geesteren en was zoekende naar een bestemming in de omgeving. Om die bestemming te bereiken was de Volkswagen bestuurder voornemens om op of bij de kruising van de Langeveenseweg en de Wierenseveldweg te keren en daar gebruik te maken van de ruimte op de Wierenseveldweg, direct bij de aansluiting op het hiervoor vermelde kruisingsvlak. De Volkswagen bestuurder was kennelijk voornemens linksom te keren, om daarna zijn weg te vervolgen. De bestuurder van de BMW reed eveneens over de Langeveensweg in de richting Geesteren, en was voornemens om na de kruising met de Wierenseveldweg zijn weg rechtdoor te vervolgen. Gelet op de beschikbare verklaringen voerden beide voertuigen verlichting. Vermoedelijk zag de Volkswagen bestuurder niet, of niet tijdig, dat de BMW, hem naderde. Op het moment dat de Volkswagen bestuurder linksom stuurde, bevond de linkervoorzijde van de Volkswagen zich deels op het kruisingsvlak, in casu de doorgaande rijbaan van de Langeveenseweg. Op dat moment passeerde de BMW bestuurder het kruisingsvlak en botste en/of schampte de Volkswagen met bumper aan de linkervoorzijde, de rechtervoorzijde van de BMW. Bij nader onderzoek zagen wij namelijk dat aan de linkervoorzijde van de bumper van de Volkswagen en aan de bumper en spatscherm aan de rechtervoorzijde van de BMW recente schade. Door de botsing met de Volkswagen verloor de BMW bestuurder kennelijk de controle over zijn voertuig. Hij raakte namelijk met de BMW, gezien vanuit zijn rijrichting, in de linkerberm en botste met de linkervoorzijde tegen een boom. Door de kracht van de botsing roteerde de BMW linksom, om de boom, en kwam vervolgens tot stilstand. (…).”