Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2325

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
C/08/204292 / FA RK 17-1589
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige. Behoefte jongmeerderjarige vastgesteld aan de hand van een “behoeftelijstje”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/204292 / FA RK 17-1589

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 26 april 2018

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. M. Kieft,

en

[verweerder] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

advocaat mr. R.E. Schepers.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 04 juli 2017;

- het verweer, met bijlagen, binnengekomen op 24 oktober 2017;

- een op 25 januari 2018 binnengekomen brief van mr. Kieft met bijlagen;

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 7 februari 2018. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat, waarbij mr. Kesler is verschenen voor mr. Schepers.

1.3.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen:

- een op 8 maart 2018 binnengekomen brief van mr. Kieft met bijlagen;

- een op 14 maart 2018 binnengekomen brief van mr. Kesler met bijlagen;

- een op 13 april 2018 ingekomen reactie van mr. Kieft.

2 De feiten

2.1.

Verzoeker, verder te noemen de zoon, is geboren uit het huwelijk van

verweerder, nader te noemen de vader, en [A] . Dit huwelijk is in 2014

ontbonden.

De zoon, inmiddels 19 jaar oud, woont bij de moeder en bij de vader woont de nog

minderjarige, eveneens uit genoemd huwelijk geboren, dochter.

3 Het verzoek

De zoon verzoekt vaststelling van een onderhoudsbijdrage meerderjarige ad € 957,- per maand met ingang van 14 maart 2017.

In het schooljaar 2016/2017 heeft de zoon zijn VMBO opleiding afgerond en vanaf het schooljaar 2017/2018 is hij gestart met de MBO-opleiding Eerste bedrijfs-autotechnicus. De zoon heeft PDD-NOS en wordt begeleid door ZekerZorg. De moeder van de zoon heeft geen inkomen en heeft een draagkracht van € 25,- per maand. De zoon heeft een begroting gemaakt van zijn behoefte en komt op een bedrag van € 980,- per maand. De behoefte van de bij de vader wonende dochter stelt hij op € 553,- per maand.

Sinds 1 juni 2017 betaalt de vader een bedrag ad € 100,- per maand aan de zoon en hij betaalt ook het GSM abonnement.

De zoon ontvangt vanaf de aanvang van zijn MBO studie een basisbeurs van € 82,56 per maand en hij ontvangt zorgtoeslag. De zoon stelt dat, als hij in aanmerking komt voor een stagevergoeding, hij het redelijk vindt dat deze in mindering kan worden gebracht op de hoogte van zijn behoefte. Dit is echter nog niet aan de orde.

In verband met zijn aandoening rijdt de zoon een auto, die hij zelf heeft aangekocht.

De zoon had een PGB, dit is geëindigd per 15 juli 2017 en vanuit de WMO wordt thans “zorg in natura” vergoed. Er is geen mogelijkheid op deze wijze extra reiskosten vergoed te krijgen.

4 Het verweer

De vader verzoekt de rechtbank het verzoek af te wijzen. Hierbij geeft hij aan dat er voor hem nog onduidelijkheid is over welke vergoedingen de zoon nu precies vanuit PGB of WMO kan verkrijgen en hij vraagt zich af of er echt reden is voor de zoon om een auto te gebruiken.

Vanuit zijn draagkracht stelt de vader dat hij een bedrag ad € 401,- per maand zou kunnen betalen, waarbij hij de behoefte van de zoon stelt op € 424,- en de behoefte van de bij hem wonende dochter op € 495,- per maand.

5 De beoordeling

De behoefte

De rechtbank stelt voorop dat de zoon, die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, in principe behoeftig is en dus recht heeft op een bijdrage van zijn ouders in zijn kosten van levensonderhoud en studie.

De zoon heeft een behoeftelijst in het geding gebracht en door de vader is bezwaar gemaakt tegen de daarin opgenomen post voor een auto, het deel van de premie voor de WA- en inboedelverzekering, het kostgeld, het eigen risico van de zorgverzekering, de kosten van een huisdier en de tandartskosten.

De rechtbank stelt vast dat in soortgelijke gevallen als de onderhavige de hoogte van de behoefte van een jongmeerderjarige wordt vastgesteld aan de hand van de WSF-norm of gegevens vanuit het NIBUD.

Nu de zoon zich heeft gebaseerd op een concreet behoeftelijstje en de vader op zich tegen deze berekeningswijze geen bezwaar maakt, zal de rechtbank ook hiervan uit gaan.

Dit betekent wel dat de rechtbank niet alle door de zoon opgevoerde posten zal mee berekenen, omdat een deel van de bezwaren door de vader terecht worden gemaakt.

De rechtbank zal de volgende maandelijkse posten meenemen:

- leefgeld € 200,-

- kleding € 100,-

- GSM € 60,-

- school € 135,-

- auto € 80,-

- eigen risico € 32,-

- tandarts € 42,-

- zorgverzekering € 100,-

- huisdier € 30,-

Totaal € 779,-

Er worden geen kosten voor woning, deel WA- en inboedelverzekering meegenomen, nu de zoon thuiswonend is en dit geacht kunnen worden verschaffngen/bijdragen in natura te zijn door de andere onderhoudsplichtige ouder.

Wat betreft de auto geldt dat voldoende is komen vast te staan dat hiervoor een noodzaak bestaat en de rechtbank heeft hier een redelijk bedrag opgenomen. Ditzelfde geldt voor de tandartskosten en de kosten eigen risico, deze zijn voldoende komen vast te staan.

Eigen inkomsten kunnen in mindering komen op de hoogte van de behoefte en partijen verschillen niet van mening over het feit dat de basisbeurs en de zorgtoeslag in mindering dienen te worden gebracht.

Voorts is thans voldoende gebleken dat de zoon geen andere financiële tegemoetkoming ontvangt.

Dit betekent dat de hoogte van de behoefte van de zoon komt op € 609,- per maand.

De draagkracht

Gelet op de door de man in het geding gebracht draagkrachtberekening en de reactie van de zoon hier op, oordeelt de rechtbank dat de man een draagkracht heeft van € 885,- per maand voor de kosten van beide kinderen.

De rechtbank volgt hier de draagkrachtberekening zoals door de man opgesteld, omdat niet gebleken is dat hier van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. Hierbij verwerpt de rechtbank de stelling namens de zoon ingenomen dat de man andere keuzes had moeten maken bij de financiering van zijn uit het huwelijk stammende schuld of dat niet volgens de forfaitaire uitgangspunten gerekend moet worden.

De behoefte van de zoon is hierboven gesteld op € 609,- per maand en de rechtbank stelt vervolgens de behoefte van de bij de man wonende dochter op € 495,-. Bij de behoeftevaststelling van de dochter volgt de rechtbank hier de berekening van de man, nu dit in het voordeel van de zoon is.

Gelet op de hoogte van de behoefte van de kinderen samen en gelet op de minimale draagkracht van de vrouw, kan niet volledig in de behoefte van de kinderen worden voldaan.

De rechtbank heeft naar rato van de hoogte van de behoefte van de kinderen berekend dat de man met een bedrag van € 488,- per maand dient bij te dragen in de behoefte van de zoon en deze bijdrageverplichting zal de man dan ook worden opgelegd.

De ingangsdatum

De rechtbank zal de ingangsdatum voor de door de man te betalen bijdrage stellen op

5 juli 2017, nu de zoon per deze datum zijn verzoek heeft ingediend en een en ander ook

dicht ligt bij de datum dat de zoon zijn huidige studie is aangevangen.

De proceskosten

Nu partijen vader en zoon zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

bepaalt de door de vader aan de zoon te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 5 juli 2017 op € 488,- ( vierhonderdachtentachtig EURO) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. T.M. Blankestijn en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.