Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:224

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
08/730229-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 36-jarige man uit Enschede tot een gevangenisstraf van 3 maanden voor mishandeling van zijn tweelingbroer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/730229-17 (P)

Datum vonnis: 23 januari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in PPC Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 juli 2017, 23 oktober 2017 en 9 januari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd zijn tweelingbroer, [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ), zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel [slachtoffer] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 april

2017 tot en met 17 april 2017 te Enschede

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan (zijn tweelingbroer) [slachtoffer] (telkens)

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

doordat hij, verdachte, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) een of

meermalen

- bij de keel heeft gepakt en/of de keel dicht heeft geknepen en/of

- een (zogenaamde) kopstoot in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft

gegeven en/of

- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft

geslagen en/of gestompt en/of

- met een mes en/of een scheermes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp in/tegen het lichaam heeft gesneden en/of gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 april

2017 tot en met 17 april 2017 te Enschede (telkens)

(zijn tweelingbroer) [slachtoffer] heeft mishandeld door die voornoemde [slachtoffer]

(met kracht) een of meermalen

- bij de keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of

- een (zogenaamde) kopstoot in het gezicht, althans op/tegen het hoofd te

geven en/of

- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te

slaan en/of te stompen en/of

- met een mes en/of een scheermes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, in/tegen het lichaam te snijden en/of te steken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Primair tenlastegelegde

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat zij hem hiervan zal vrijspreken.

4.2

Subsidiair tenlastegelegde

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelingen als vermeld in het tenlastegelegde onder het eerste en het vierde gedachtestreepje niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zodat verdachte van dit deel dient te worden vrijgesproken. De handelingen als vermeld in het tenlastegelegde onder het tweede en derde gedachtestreepje kunnen wel wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt, nu hij uitgaat van wat [slachtoffer] in zijn aangifte heeft verklaard, te weten dat verdachte de agressor was.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelingen als vermeld in het tenlastegelegde onder het tweede en derde gedachtestreepje wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en dat verdachte van het tenlastegelegde als vermeld onder het eerste en het vierde gedachtestreepje dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt voor de handelingen onder het tweede en derde gedachtestreepje, zodat hij ook van deze handelingen dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer] probeerde verdachte met geweld uit zijn woning te zetten en dat verdachte zich tegen deze aanval mocht en moest verdedigen.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna als bijlage aangehechte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft de nacht van 16 april 2017 op 17 april 2017 op de bank in de woning van [slachtoffer] doorgebracht. [slachtoffer] werd in de ochtend van 17 april 2017 eerder wakker dan verdachte. [slachtoffer] heeft verdachte wakker gemaakt toen hij zag dat de kussens uit de bank op de grond lagen en hem gevraagd de kussens op te ruimen. Verdachte raakte hierdoor geïrriteerd en wilde niet meewerken. Toen [slachtoffer] merkte dat verdachte een agressieve houding aannam, heeft hij verdachte verzocht zijn woning te verlaten. [slachtoffer] had de voordeur van zijn woning reeds open gezet. Verdachte weigerde de woning te verlaten, waarop er een worsteling in de hal ontstond, waarbij [slachtoffer] probeerde verdachte uit zijn woning te zetten. Verdachte heeft tijdens deze worsteling [slachtoffer] geslagen en gestompt tegen zijn hoofd en lichaam. Ook heeft verdachte zijn [slachtoffer] een kopstoot in zijn gezicht gegeven.

Het noodweer verweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake moet zijn geweest van een noodweersituatie, door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij het doel van de verdediging noodzakelijk en het verdedigingsmiddel proportioneel moet zijn.

De rechtbank is op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, waarbij verdediging door verdachte noodzakelijk was. Niet gebleken is dat de voordeur van de woning op slot zat, dat [slachtoffer] verdachte de weg versperde of dat het anderszins voor verdachte onmogelijk was om de woning te verlaten. Bij de aangifte heeft [slachtoffer] bovendien verklaard dat verdachte als eerste heeft geslagen. Ter zitting als getuige gehoord is [slachtoffer] hier enigszins op teruggekomen, maar uit zijn verklaring ter zitting blijkt niet dat [slachtoffer] als eerste geweld heeft toegepast, althans zodanig geweld heeft toegepast dat dat verdachte noopte tot het geven van een kopstoot en het meerdere keren slaan van [slachtoffer] .

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder het tweede en derde gedachtestreepje heeft begaan. De rechtbank heeft op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter zitting niet onomstotelijk kunnen vaststellen dat verdachte [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt noch dat verdachte [slachtoffer] met - al dan niet voorwaardelijke - opzet met een mes heeft gestoken of gesneden. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder gelet op de foto van de stang waarmee tijdens de ruzie over en weer geslagen is en op grond waarvan de rechtbank meent dat het niet duidelijk voor verdachte hoefde te zijn dat aan die stang een mesje bevestigd was. De rechtbank acht het tenlastegelegde zoals vermeld onder het eerste en vierde gedachtestreepje dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte van dit deel vrijspreken.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

subsidiair

op 17 april 2017 te Enschede zijn tweelingbroer [slachtoffer] heeft mishandeld door die voornoemde [slachtoffer] met kracht een kopstoot tegen het hoofd te geven en in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en te stompen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

het misdrijf: mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de eis van de officier van justitie gematigd dient te worden, mede gelet op het rapport van het Medisch Centrum Twente waaruit blijkt dat het slachtoffer nauwelijks letsel heeft opgelopen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van zijn tweelingbroer [slachtoffer] . Verdachte sliep in het huis van zijn broer en in de ochtend kregen zij ruzie, omdat verdachte het huis van zijn broer niet wilde verlaten. Er ontstond een worsteling en verdachte heeft zijn broer geslagen en een kopstoot in zijn gezicht gegeven. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Door aldus te handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportages van drs. D.B. Wisman, GZ-psycholoog, van 13 december 2017 en drs. L.P. Heinsman, psychiater, van 16 december 2017. De deskundigen concluderen dat bij verdachte gesproken kan worden van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een ongespecificeerde schizofreniespectrum -of andere psychotische stoornis en een stoornis in gebruik van een stimulantium (cocaïne) en in cannabisgebruik, beiden in ernstige mate, alsmede een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een ongespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis (met problemen in de informatieverwerking). Ook is sprake van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Volgens de deskundigen dient verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van de inhoud van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 27 december 2017, opgemaakt door mevrouw [naam] , reclasseringswerker. In genoemd advies is vermeld dat sprake is van een zich herhalend patroon: verdachte heeft geen ziekte-inzicht en zodra hij buiten de kliniek is valt hij terug in drugsgebruik (cannabis en cocaïne), staakt (medicamenteuze) behandeling waardoor er een nieuwe psychose ontstaat die gevolgd wordt door een nieuwe opname totdat hij weer stabiel is en niet langer tegen zijn wil klinisch behandeld en gehouden kan worden. De reclassering adviseert verdachte in aanmerking te laten komen voor TBS met voorwaarden dan wel een voorwaardelijke veroordeling met toezicht op de bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 28 november 2017. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Gelet op de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om thans een voorwaardelijk strafdeel met eventueel daaraan te koppelen bijzondere voorwaarden op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden is.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 27 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf

subsidiair: mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr. K.J. Haarhuis, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2018.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Enschede met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 januari 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

De nacht van 16 april 2017 op 17 april 2017 sliep ik bij mijn broer thuis op de bank. De ochtend van 17 april 2017 werd ik wakker, omdat ik een voet van mijn broer in mijn gezicht kreeg. Hij was bezig met zijn domme geouwehoer en toen ben ik opgestaan en heb hem uitgescholden voor weet ik veel wat. Toen ben ik doorgelopen naar de hal, want ik wilde mijn schoenen pakken en naar huis gaan. We raakten allebei de voorhoofden tegen elkaar en hij heeft mij een kopstoot gegeven op mijn oog. Ik heb hem toen een stomp op zijn neus gegeven en daarna is hij naar de keuken gelopen en toen heb ik snel het appartement verlaten. Ik stond in de hal van de flat.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 17 april 2017, pagina’s 27 en 28, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op maandag 17 april 2017, omstreeks 08:10 uur werd ik wakker. Ik ben toen naar de woonkamer gelopen en zag [verdachte] op de bank slapen. Ik zag dat er allemaal kussens op de grond lagen. Ik zei toen tegen [verdachte] : kun je die kussens niet opruimen, hierbij tikte ik hem zacht met mijn vinger aan op zijn arm. Ik zag dat [verdachte] meteen agressief op stond. Ik hoorde dat hij tegen mij zei "wat wil je dan, wat wil je!" of woorden van gelijke strekking. Hij liep meteen naar mij toe en pakte met zijn rechterhand mij bij de keel vast. (…) Ik heb mij toen verdedigd en zijn arm los kunnen rukken van mijn keel. Meteen daarna gaf [verdachte] mij met kracht een kopstoot op mijn neus. Ik voelde meteen pijn en mijn neus begon direct te bloeden. Ik probeerde [verdachte] van mij af te houden. Ik voelde dat ik daarna meteen met kracht werd geslagen in mijn gezicht en op mijn lichaam. Ik voelde dat ik met gebalde vuist werd geslagen. Tussen het slaan door hoorde ik [verdachte] allemaal vieze woorden tegen mij zeggen. Ik hoorde hem ook duidelijk zeggen "ik maak je dood". Het ging allemaal erg snel. Ik kreeg de kans om [verdachte] van mij af te duwen en liep toen weg richting de voordeur. Ik wilde de voordeur openen zodat [verdachte] mijn woning kon verlaten. Ik heb echt doodsangsten voor hem en ik ben nu ook echt klaar met hem daarom doe ik nu aangifte. Ik heb de voordeur open kunnen doen en [verdachte] naar buiten kunnen duwen. Mijn neus bloedde hevig en de woonkamer zat onder het bloed Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.