Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:2069

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-06-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
6685382 EJ VERZ 18-64
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer werkt als beveiliger bij een beveiligingsbedrijf. Hij wordt verdacht van een ernstig misdrijf. De korpschef van de politie-eenheid Oost-Nederland heeft daarop de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus om werknemer (beveiligings)werkzaamheden te laten verrichten ingetrokken. Als gevolg daarvan is de arbeidsovereenkomst van rechtswege ontbonden. De (inmiddels) voormalige werknemer maakt aanspraak op een transitievergoeding. De kantonrechter oordeelt het handelen van werknemer als ernstig verwijtbaar en wijst de verzochte vergoeding af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 6685382 EJ VERZ 18-64

Beschikking van de kantonrechter van 14 juni 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

woonplaats kiezende te Enschede ten kantore van zijn gemachtigde,

verzoekende partij, hierna ook wel te noemen de werknemer,

gemachtigde: mr. L. de Widt, advocaat te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

R.J. Security B.V.,

gevestigd te Enschede,

verwerende partij, hierna ook wel te noemen de werkgeefster,

gemachtigde: mr. J.E. Middelveld, advocaat te Enschede.

1 De procedure

1.1

De werknemer heeft een verzoekschrift, voorzien van producties, ingediend, ontvangen door de griffie op 27 februari 2018, onder meer strekkende tot veroordeling van werkgeefster tot betaling van een transitievergoeding.

De werkgeefster heeft een verweerschrift, voorzien van producties, ingediend en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de verzoeken van de werknemer.

1.2

Op 17 mei 2018 heeft een zitting plaatsgevonden, waar mr. De Widt namens de werknemer is verschenen en werkgeefster zich heeft laten vertegenwoordigen door [A] , directeur, en [B] , HR Business partner, bijgestaan door mr. Middelveld. Mr. Middelveld heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat voorts ter zitting is besproken.

2 De feiten

2.1

De werknemer, geboren [1968] , is op 1 december 2010 in dienst getreden bij werkgeefster als particulier beveiliger gedurende 36 uur per week, vanaf 1 juni 2012 op basis van een contract voor bepaalde tijd. Het laatstverdiende loon bedroeg 2.092,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld, dertiende maand en variabele looncomponenten.

2.2

In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 13:

De werkgever behoudt zich het recht voor het dienstverband per direct te beëindigen, zonder opzegtermijn, wanneer aan werknemer, ingevolge circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, geen toestemming aan de werknemer wordt verleend om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren. De arbeidsovereenkomst wordt dan van rechtswege ontbonden.

2.3.

Bij brief van 19 september 2017 heeft de korpschef van de politie-eenheid Oost-Nederland (hierna: korpschef) aan werkgeefster onder meer het volgende meegedeeld:

Op 1 juli 2016 heb ik toestemming verleend (…) om (beveiligings)werkzaamheden ten behoeve van uw organisatie te laten verrichten door (…) [verzoeker] , (…)

Gezien de binnengekomen ambtsberichten, ben ik voornemens om de verleende toestemming in te trekken.

(…)

c) op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

(…)

Ad. c.

Van het bepaalde onder c. zal sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is, kan worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat.

(…)

Om reden van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene wordt dit voornemen niet nader gemotiveerd dan middels een verwijzing naar artikel 7, vijfde lid, van genoemde wet waarin wordt gesteld dat de toestemming ingetrokken kan worden indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden die betrekking hebben op de betrouwbaarheid, op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Deze motivatie heb ik wel nader weergegeven in mijn brief die ik separaat aan de betrokkene heb gezonden.

(…).

2.4.

Bij brief van 28 november 2017 heeft de korpschef aan werkgeefster meegedeeld dat de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus om werknemer (beveiligings)werkzaamheden te laten verrichten (verder: de toestemming), is ingetrokken. Verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 7, vijfde lid van genoemde wet, zoals reeds vermeld in het hiervoor opgenomen voornemen. Werknemer heeft tegen het voorgenomen besluit geen zienswijze ingediend. Evenmin heeft hij tegen het besluit tot intrekking van de toestemming bezwaar gemaakt.

2.5.

Bij ongedateerde brief, blijkens de poststempel op 5 december 2017 ter post bezorgd, heeft werkgeefster aan werknemer onder meer het volgende meegedeeld:

U verblijft sinds enige tijd na uw aanhouding op 29 augustus jl. in voorarrest/detentie. Middels onze brief van d.d.31 augustus jl. hebben wij u reeds laten weten dat het loon zal worden gestaakt aangezien u nu geen arbeid kunt verrichten voor ons bedrijf. Deze maatregel is ook geeffectueerd.

Recentelijk, op 1 december jl., zijn wij ermee bekend geworden dat de eerder verleende toestemming van de overheid om het verrichten van (beveiligings)werkzaamheden (thans ex artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties) is ingetrokken door de politie.

Op grond van de cao particuliere beveiligers (…) mag een werkgever een werknemer slechts in dienst nemen en houden, indien de werknemer in het bezit is van de toestemming van de overheid om de functie van beveiliger uit te oefenen. Vanwege het ontbreken van deze toestemming is uw arbeidsovereenkomst betekenisloos geworden omdat wij u niet langer de werkzaamheden kunnen laten doen waarvoor wij u hadden aangenomen.

Verder zijn wij met u overeengekomen, zoals bepaald in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst, dat uw arbeidsovereenkomst in dat geval – het ontbreken van voornoemde toestemming – van rechtswege wordt ontbonden.

Hierbij delen wij u bij deze mee dat uw arbeidsovereenkomst van rechtswege ten einde is gekomen (is ontbonden) als gevolg van het feit dat u niet langer beschikt over de voornoemde toestemming van de overheid. Indien nodig en vereist dient u dit tevens e beschouwen als een opzegging van uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang om voornoemde reden.

(…).

3 De verzoeken van werknemer

3.1.

De werknemer verzoekt de kantonrechter werkgeefster te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 7.101,00 bruto, als bedoeld in artikel 7:673 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het verstrekken van een deugdelijke netto-bruto specificatie ter zake op straffe van een nader omschreven dwangsom, alsmede een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van werkgeefster in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt de werknemer ten grondslag – kort gezegd – dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is opgezegd dan wel dat sprake is van een einde van rechtswege op 6 december 2017, dan wel 2 december 2017, dan wel 28 november 2017. Op grond van het bepaalde in artikel 7:673 BW maakt werknemer aanspraak op de transitievergoeding die door hem is berekend op een bedrag van € 7.101,00. Van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer is geen sprake, aldus werknemer.

4. Het verweer

4.1

De werkgeefster concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van het verzochte. Zij stelt daartoe, kort samengevat, dat het dienstverband is geëindigd om een reden welke werknemer ernstig te verwijten is. De korpschef is, na een zorgvuldige procedure, pas eind november 2017 overgegaan tot intrekking van de toestemming. De constatering van de korpschef staat los van de onschuldpresumptie. Of werknemer nu wel of niet veroordeeld gaat worden voor de moord of doodslag is niet relevant; het enkele feit dat hij in verband wordt gebracht met dit ernstige delict maakt dat de korpschef op grond van artikel 7 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus tot de conclusie komt dat de bedoelde toestemming wordt ingetrokken. Dit is werknemer ernstig te verwijten. Voor het geval wel een transitievergoeding betaald dient te worden, is werkgeefster van mening dat deze becijferd dient te worden op een bedrag van € 5.485,72.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de werkgeefster moet worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW.

5.2.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de arbeidsovereenkomst ingaande 28 november 2017 is geëindigd, zodat daar vanuit zal worden gegaan. Nu werknemer het verzoek tijdig heeft ingediend, is hij ontvankelijk.

5.3.

Tussen partijen is eveneens niet in geschil dat werkgeefster op grond van het bepaalde in artikel 7:673, lid 1 BW in beginsel een transitievergoeding verschuldigd is. Partijen zijn daarentegen wel verdeeld over de vraag of het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 onder c BW.

5.4.

Ter beantwoording van die vraag wordt het volgende overwogen.

5.5.

Ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst was werknemer al vanaf 29 augustus 2017, derhalve gedurende drie maanden, niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten omdat hij is aangehouden op verdenking van moord/doodslag en om die reden is gedetineerd. De werkgeefster is ten gevolge van de verdenking van werknemer dagenlang geconfronteerd met een rechercheonderzoek binnen haar bedrijf. Een medewerker is daar drie dagen door in beslag is genomen. Ook heeft de aanhouding van haar werknemer geleid dat grote - negatieve - aandacht in de media. Werknemer heeft geen zienswijze ingediend naar aanleiding van het voornemen van de korpschef om de toestemming in te trekken en hij heeft geen bezwaar (en beroep) ingesteld tegen het besluit waarbij de korpschef daadwerkelijk tot intrekking van de toestemming is overgegaan. In verband met de privacy van de werknemer staan de omstandigheden die betrekking hebben op het komen vervallen van de vereiste betrouwbaarheid als beveiliger weliswaar niet vermeld in het, aan werkgeefster gezonden voornemen en besluit van de korpschef, maar, gelet op de berichtgeving in de media en het rechercheonderzoek dat heeft plaatsgevonden bij de werkgeefster, kan gevoeglijk aangenomen worden dat de omstandigheden betrekking hebben op de gerezen verdenking jegens de werknemer voor de moord/doodslag. Nu de werknemer geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit waarbij de toestemming is ingetrokken, dient als vaststaand te worden aangenomen dat hij niet meer beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor de te verrichten werkzaamheden.

5.6.

Op grond van bovengenoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat, voldoende aannemelijk is sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Niet alleen dient aangenomen te worden dat hij niet beschikt over de vereiste betrouwbaarheid om als beveiliger te werken, ook heeft hij zijn werkgeefster in diskrediet gebracht doordat zij als beveiligingsbedrijf, waar veiligheid en betrouwbaarheid belangrijk items zijn, geassocieerd wordt met een werknemer die verdacht wordt van een zeer ernstig misdrijf, is zij drie dagen geconfronteerd met rechercheonderzoek en heeft zij van de een op de andere dag de werknemer vanwege zijn detentie niet mee kunnen inzetten als beveiliger.

5.7.

De omstandigheid dat in het strafrecht de onschuldpresumptie geldt en er slechts sprake is van een verdenking tot het moment waarop iemand (onherroepelijk) is veroordeeld voor hetgeen waarvan hij wordt verdacht, doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet af. Intrekking van de toestemming door de korpschef om als beveiliger te mogen werken is ook mogelijk als er (nog) geen sprake is van een veroordeling (of een transactie). Het gaat dan om een serieuze verdenking dat de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Dit is in dit geval aan de orde.

5.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de werknemer geen aanspraak heeft op een transitievergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:673, lid 7 aanhef en onder c. BW.

5.9.

De werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1

wijst het verzochte af;

6.2.

veroordeelt de werknemer in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van werkgeefster begroot op € 600,00.

6.3.

verklaart deze beschikking ten aanzien va het onder 6.2. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken te Enschede op 14 juni 2018.