Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1995

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
6685848 \ EJ VERZ 18-35
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Switchen binnen de Wwz. Wijziging verzoek artikel 283 Rv. Keuzemogelijkheid werknemer op grond van artikel 7:681 BW. Vervaltermijn 7:686a lid 4 BW. Omgekeerde switch. Aanvankelijk verzoek om een billijke vergoeding en een gefixeerde schadevergoeding, vervolgens verzocht om vernietiging van de opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0689
JAR 2018/175
Prg. 2018/177
RAR 2018/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 6685848 \ EJ VERZ 18-35

Beschikking van de kantonrechter van 24 mei 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, hierna te noemen [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. E.P. Cornel, advocaat te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A.T.R. EXCELLENT THERMO LOGISTICS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,

verwerende partij, hierna te noemen ATR,

gemachtigde: mr. N.B.P. Arets, werkzaam bij D.A.S. Ned.Rechtsbijstand Vez.mij. N.V. te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoek, ingekomen op 5 januari 2018, ingediend ex artikel 7:672 lid 9, artikel 7:673 en artikel 7:681 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).

ATR heeft een verweerschrift ex artikel 7:681 lid 1 sub a BW en een tegenverzoek ex artikel 7:686 a lid 3 BW ingediend, ingekomen 14 februari 2018.

[verzoeker] heeft ingevolge artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gewijzigd verzoekschrift ingediend, ingekomen 9 april 2018.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 12 april 2018 plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren [1963] , is op 21 augustus 2017 in dienst getreden bij ATR in de functie van vrachtwagenchauffeur, tegen een salaris van € 2.468,40 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

Tussen partijen is een mondelinge arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van 1 jaar tot stand gekomen.

ATR heeft op 8 november 2017 [verzoeker] op staande voet ontslagen.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek

3.1.1.

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift van 5 januari 2018 verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. ATR te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, zijnde het loon, te vermeerderen met vakantietoeslag vanaf 8 november 2017 tot 1 januari 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging;

II. ATR te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 5.000,00 bruto;

III. ATR te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente over de vordering sub I;

IV. ATR te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, en de nakosten.

3.1.2.

[verzoeker] heeft bij gewijzigd verzoekschrift van 9 april 2018 verzocht:

primair:

1. het ontslag op staande voet te vernietigen;

2. ATR te veroordelen [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van de te wijzen

beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de

arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, onder verbeurte van

een dwangsom van € 250,00 per dag dat ATR in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

3. ATR te veroordelen tot betaling van het salaris ad bruto € 3.574,12 per maand

vanaf 1 november 2017 tot 1 april 2018, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens

vertraging ex art. 7:625 BW, al de hiervoor bedoelde bedragen tevens te vermeerderen met

de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening,

alsmede ATR te veroordelen tot betaling van het salaris over de periode 1 april 2018

tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

subsidiair:

4. ATR te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding ad bruto € 5.000,00;

5. ATR te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag groot bruto € 36.670,53, zijnde de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging van de

arbeidsovereenkomst.

Zowel primair als subsidiair:

6. ATR te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de

gemachtigde van verzoeker daaronder begrepen.

3.1.3.

[verzoeker] heeft, kort samengevat, het navolgende aan zijn gewijzigd verzoek ten grondslag gelegd.

a.

Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig en niet onverwijld gegeven en dient derhalve vernietigd te worden.

b.

Abusievelijk is bij het aanvankelijke verzoekschrift niet primair de vernietiging van de opzegging gevorderd.

c.

Het is nog mogelijk om de switch te maken van een verzoek waarin verzocht wordt om een billijke vergoeding naar een verzoek waarin wordt verzocht om vernietiging van het ontslag op staande voet. Er is tijdig, dat wil zeggen binnen twee maanden na het ontslag op staande voet, een verzoekschrift ingediend en dit verzoek berust op hetzelfde wetsartikel als dat tot vernietiging van het ontslagbesluit, immers artikel 7:681 lid 1 sub a BW zodat de vervaltermijn van 7:686 a lid 4 BW niet overschreden is. Gelet op dit recht om te switchen kan “berusting in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst” door een op staande voet ontslagen werknemer niet al te snel worden aangenomen.

d.

[verzoeker] heeft niet berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 8 november 2017. Niet vóór 5 januari 2018, de datum van het aanvankelijke verzoekschrift, en ook niet na 5 januari 2018. [verzoeker] heeft in de correspondentie telkenmale de bereidheid uitgesproken om de overeengekomen werkzaamheden te hervatten.

Ter zake het gegeven ontslag op staande voet stelt [verzoeker] als volgt.

e.

Op 8 november 2017 deelde ATR aan [verzoeker] mee: “je moet je telefoon en de tankpas inleveren.” ATR verzocht [verzoeker] om een vooraf opgestelde brief, die ATR hem overhandigde, maar niet inhoudelijk is besproken, te ondertekenen, hetgeen [verzoeker] heeft geweigerd. In de brief staat vermeld dat [verzoeker] op staande voet wordt ontslagen om de navolgende redenen:

• [verzoeker] overtreedt ondanks waarschuwingen het rijtijdenbesluit,

• [verzoeker] is niet alert genoeg op het handhaven van de voorgeschreven temperatuur in de koel aanhanger,

• [verzoeker] is onzorgvuldig door via Facebook informatie over zijn ritten te openbaren waarmee hij de geheimhoudingsplicht schendt als genoemd in artikel 7 lid 2a van de voor hem geldende cao,

• [verzoeker] maakt zonder overleg met ATR afspraken met de opdrachtgever over het tijdstip van laden en lossen.

[verzoeker] , die al 27 jaar beroepschauffeur is, betwist met klem dat hij

waarschuwingen heeft ontvangen van ATR. Soms overtrad hij het rijtijdenbesluit, maar dat was met slechts enkele minuten, omdat hij niet tijdig een rustplek kon vinden.

Als de auto een laag benzinepeil heeft gaat er een signaal dat de koeltemperatuur kan

oplopen. [verzoeker] heeft voorheen voor [X] gereden, eveneens op medische

transporten, dus is goed op de hoogte met het koelgebeuren etc.

Hij is een zeer propere chauffeur en een pietje precies met betrekking tot zijn cabine.

De cabine was dan ook schoon op 8 november 2017.

Nimmer is [verzoeker] , naar hij stelt, door ATR aangesproken op “lading die niet meer zou voldoen aan de kwaliteitseisen“. Ook is niet juist dat [verzoeker] zou zijn aangesproken op het feit dat hij zelf met de opdrachtgever afspraken maakte over het tijdstip van laden en lossen. Soms is het praktisch om even te overleggen met de opdrachtgever of er nog eind van de middag geladen kan worden of de volgende ochtend. Dat is niet meer dan normaal.

f.

De aangevoerde dringende reden is volgens [verzoeker] dan ook niet juist en niet dringend en op 8 november 2017 heeft geen rechtsgeldig ontslag op staande voet plaatsgevonden. Na het ontslag is [verzoeker] per 20 november 2017 gaan werken via een uitzendbureau voor Klarenbeek Transport. Die situatie is tot op heden gecontinueerd. [verzoeker] kan ieder moment tergkeren naar ATR en heeft zich dan ook daartoe bereid verklaard en zich beschikbaar gehouden.

g.

[verzoeker] maakt subsidiair aanspraak op een billijke vergoeding ad bruto € 5.000,00 en tevens de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, welke laatste vergoeding ex art. 7:677 lid 4 BW gelijk is aan het loon over de periode 8 november 2017 tot 21 augustus 2018, hetgeen neerkomt op een bedrag groot 9,5 keer het all-in bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag, oftewel 9,5 maal bruto € 3.860,06 (het gemiddelde salaris inclusief overuren over de periode 21 augustus 2017 tot en met 31 oktober 2017, vermeerderd met 8% vakantietoeslag), in totaal bruto € 36.670,53.

3.2.

Het verweer en het tegenverzoek

3.2.1.

ATR heeft verzocht:

Primair

De vorderingen van [verzoeker] af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Subsidiair

De vorderingen van [verzoeker] gedeeltelijk af te wijzen in die zin dat geen billijke vergoeding is verschuldigd althans dat deze wordt gematigd tot nihil dan wel tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag.

Zowel primair als subsidiair

Met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van onderhavig geding.

Ten aanzien van het tegenverzoek

[verzoeker] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.057,23, zijnde de schade als gevolg van zijn bewust roekeloze handelen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van onderhavig geding.

ATR voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

a.

[verzoeker] hield zich stelselmatig niet aan de geldende rijtijden en rusttijden. In dat kader is talloze malen overleg gevoerd met [verzoeker] en zijn mondelinge waarschuwingen gegeven. Deze waarschuwingen zijn niet schriftelijk aan [verzoeker] bevestigd aangezien hij continu onderweg is en het telefonisch overleg dan het aangewezen communicatiemiddel is. Tijdens de talloze telefoongesprekken is tevens aangekondigd dat ingeval wederom een dergelijke handelwijze mocht worden geconstateerd dit gevolgen zou hebben voor de voortzetting van het dienstverband.

b.

Daarnaast is gebleken dat [verzoeker] diverse malen signalen heeft genegeerd dat de

temperaturen in de koelaanhanger niet juist waren. Bij transport van medicijnen is van wezenlijk belang dat de temperatuur correct is. [verzoeker] is hierop eveneens diverse malen mondeling aangesproken en gewaarschuwd hetgeen [verzoeker] er niet van heeft weerhouden om wederom met betrekking tot dit aspect zeer onzorgvuldig te handelen.

c.

[verzoeker] is tevens diverse malen aangesproken op het feit dat hij zonder overleg met zijn

werkgever zelf afspraken met de opdrachtgever heeft gemaakt over het tijdstip van laden

en lossen. Ondanks deze waarschuwingen bleef [verzoeker] deze afspraken op eigen houtje

maken met de opdrachtgevers.

d.

Ten slotte heeft [verzoeker] op Facebook bedrijfsgevoelige informatie gedeeld hetgeen strikt verboden is.

e.

ATR heeft naar aanleiding van hetgeen hiervoor is omschreven besloten om [verzoeker]

op 8 november 2017 op staande voet te ontslaan. In dat kader heeft een gesprek

plaatsgevonden. ATR heeft vervolgens moeten constateren dat [verzoeker] de vrachtwagen geenszins als een goed chauffeur heeft gebruikt en er zelfs zaken waren vernield. ATR heeft het ontslag op staande voet diezelfde dag schriftelijk bevestigd.

f.

[verzoeker] heeft zich vervolgens tot zijn gemachtigde gewend die op 1 december 2017 een brief heeft verstuurd. In deze brief wordt het standpunt ingenomen dat er geen dringende reden is voor een ontslag op staande voet en dat daarom aanspraak gemaakt op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Kortom, [verzoeker] berust in de beëindiging van het dienstverband en maakt aanspraak op een vergoeding ter hoogte van het salaris over de periode van 8 november 2017 tot en met 31 december 2017, de datum waarop het dienstverband in geval van regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. In de betreffende brief van 1 december 2017 wordt letterlijk het navolgende vermeld:

Er is geen sprake van een dringende reden voor ontslag. Vooralsnog doet cliënt in rechte geen beroep op vernietiging van het ontslag, maar wenst een vordering in te stellen wegens onregelmatig ontslag. Daarmee bedoel ik dat u geen ontslagvergunning heeft van het UWV of opgezegd heeft met instemming van cliënt. De (gefixeerde) schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag ziet op het loon vanaf 8 november 2017 tot en met de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig kan worden opgezegd, zijnde 1 januari 2018, alsmede de eindafrekening.

g.

ATR stelt dat de omstandigheden die in de brief van 8 november 2017 zijn omschreven wel degelijk een dringende reden voor ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:678 lid 2 BW impliceren. [verzoeker] heeft ondanks diverse waarschuwingen in grove mate zijn verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst veronachtzaamd als gevolg waarvan hij het vertrouwen van zijn werkgever geheel onwaardig is geworden.

Aangezien [verzoeker] op goede gronden op staande voet is ontslagen is er geen enkele

grond om een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding te

vorderen.

Ingeval de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet dan verzoekt ATR om de billijke vergoeding te matigen tot nihil, althans tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag.

In dat kader is van groot belang dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door

ondanks de talloze waarschuwingen zijn onacceptabele handelwijze toch voort te zetten.

3.2.2.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door ATR het navolgende aangevoerd.

[verzoeker] is bewust roekeloos met diverse bedrijfseigendommen omgegaan. Zo is gebleken dat de vrachtwagen waarin [verzoeker] steeds heeft gereden op diverse plekken was beschadigd en is het tevens genoodzaakt geweest om de vrachtwagen intensief te laten reinigen. ATR heeft in dat kader een factuur ontvangen voor een bedrag van € 682,17.

Daarnaast heeft ATR moeten constateren dat [verzoeker] de mobiele telefoon die aan hem

ter beschikking was gesteld heeft vernield. ATR is in dat kader genoodzaakt geweest

om de telefoon te laten repareren voor een bedrag van € 375,06.

ATR stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bewust roekeloos handelen van de

zijde van [verzoeker] en dat hij op grond van artikel 7:661 BW aansprakelijk is voor deze

schade.

3.3.

De reactie op het tegenverzoek

[verzoeker] heeft daartegen verweer gevoerd op hierna te bespreken gronden.

4 De beoordeling

van het verzoek

Vernietiging opzegging

4.1.

Het gaat in deze zaak onder meer om de vraag of [verzoeker] tijdig, dat wil zeggen binnen de vervaltermijn van twee maanden ingevolge artikel 7:686a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek, heeft verzocht om vernietiging van het hem op 8 november 2017 gegeven ontslag op staande voet.

In dat kader is, gelet op het nadere verzoekschrift van [verzoeker] , de vraag van belang of een (omgekeerde) switch kan worden gemaakt van een verzoek om toekenning van onder meer een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding, naar vernietiging van het ontslag op staande voet zoals [verzoeker] met zijn nadere verzoekschrift ex artikel 283 Rv. kennelijk heeft beoogd.

4.2.

Ingevolge artikel 6:686a lid 4 sub a BW vervalt de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien:

a. het verzoek een vergoeding als bedoeld in de artikelen 672, lid 10, 677, 681, lid 1, onderdelen a, b en c, en 682, leden 1, 2 en 3 betreft.

4.3.

De kantonrechter overweegt dat in beginsel een switch alsook een omgekeerde switch mogelijk is, ook na het verstrijken van eerder bedoelde vervaltermijn van twee maanden, indien het aanvankelijke verzoek alsmede het latere verzoek als bedoeld in artikel 283 Rv berusten op dezelfde juridische en feitelijke grondslag. In de onderhavige zaak is sprake van dezelfde juridische grondslag van beide verzoeken, te weten artikel 7:681 lid 1 aanhef en sub a BW juncto artikel 7:686a lid 4 sub a BW en ook van dezelfde feitelijke grondslag te weten een al dan niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.

4.4.

De kantonrechter oordeelt dat de omgekeerde switch in de onderhavige zaak echter niet kan worden toegestaan. Daartoe is het navolgende redengevend. ATR heeft [verzoeker] op 8 november 2017 op staande voet ontslagen. [verzoeker] heeft zich vervolgens van rechtsbijstand voorzien en op 1 december 2017 een brief verstuurd waarin wordt verzocht om een vergoeding wegens onregelmatig ontslag. Vervolgens heeft [verzoeker] op 5 januari 2018 een verzoekschrift ingediend waarin wordt verzocht om een billijke vergoeding en een gefixeerde schadeloosstelling en derhalve niet om vernietiging van de opzegging. Niet eerder dan bij nader verzoekschrift van 9 april 2018 ( inmiddels 5 maanden na het ontslag op staande voet) wordt om vernietiging verzocht. De kantonrechter acht deze termijn te lang. Immers ATR is op deze wijze niet in de gelegenheid geweest om adequaat te kunnen reageren op een mogelijk voortbestaan van het dienstverband na 8 november 2017. Terecht stelt zij dat zij geen aanvullende rechtsmaatregelen heeft genomen of ondersteunende vorderingen heeft ingesteld omdat zij niet beter wist dan dat [verzoeker] berustte in de beeindiging van het dienstverband per 8 november 2017. Van belang daarbij is dat de WWZ niet voor niets relatief korte vervaltermijnen in het leven heeft geroepen. Het zou niet juist zijn om door het gebruikmaken van de switch, die als overwogen naar het oordeel van de kantonrechter door de gekozen wetssystematiek ook na invoering van de WWZ mogelijk blijft, de rechtszekerheid die de vervaltermijnen beogen te geven weer weg te nemen door geen beperking aan het toepassen van de switch te stellen. Het beroep op de switch moet naar het oordeel van de kantonrechter binnen een redelijke termijn worden gedaan. Daarbij zou kunnen worden gedacht aan een nieuwe termijn van twee maanden na het indienen van het verzoekschrift. Ook zodanige termijn zou in dit geval ruimschoots zijn verstreken. In ieder geval acht de kantonrechter het in deze zaak, waarin namens [verzoeker] vanaf het begin een duidelijk standpunt is ingenomen waarbij hij zich had voorzien van deskundige juridische bijstand, in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens ATR om het beroep op de omgekeerde switch te honoreren

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het door [verzoeker] bij nader verzoekschrift van 9 april 2018 primair onder 1., 2. en 3. verzochte zal worden afgewezen behoudens het onder 3 verzochte salaris van € 3.574,12 per maand vanaf 1 november 2017 tot en met 8 november 2017, vermeerderd met de volledige wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening. [verzoeker] heeft gesteld dat hij het salaris over de eerste week van november 2017 niet uitbetaald heeft gekregen en dit is door ATR niet weersproken.

Billijke vergoeding

4.5.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of [verzoeker] de gevorderde billijke vergoeding toekomt op grond van artikel 7:681 lid 1 BW.

4.6.

Op grond van artikel 7:681 lid 1 BW kan de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Voor toekenning van een billijke vergoeding is ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist.

4.7.

Gezien het voorgaande dient beoordeeld te worden of ATR de arbeidsovereenkomst op 8 november 2017 in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd.

4.8.

Op grond van artikel 7:671 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij het UWV toestemming heeft verleend of tenzij sprake is van een opzegging als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW. Ingevolge artikel 7:677 lid 1 BW is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.9.

[verzoeker] stelt dat een dringende reden voor het gegeven ontslag ontbreekt en dat ATR de reden voor het ontslag onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd.

4.10.

De kantonrechter overweegt dat in de onderhavige zaak de door ATR opgevoerde argumenten het ontslag op staande voet niet kunnen dragen. [verzoeker] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door ATR gemaakte verwijten. ATR heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ernst van de gestelde gedragingen, te weten het overtreden van het Rijtijdenbesluit, eigenhandig afspraken maken met opdrachtgevers, een onjuiste temperatuur in de koelaanhanger en het plaatsen van berichten op Facebook, haar geen andere weg openstond dan het geven van een ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft gesteld dat de overtredingen van de rij- en rusttijden van geringe aard waren, geen sprake was van risico voor de medicijnen, en overleg met opdrachtgevers praktisch was. De kantonrechter overweegt dat aannemelijk is dat het plaatsen van berichten op Facebook ongewenst kan zijn maar ook dit leidt niet tot het oordeel dat een dringende reden aanwezig was. ATR heeft niet onderbouwd dat zij [verzoeker] eerder over dit soort kwesties heeft aangesproken, dat zij enig nadeel heeft ondervonden van het gedrag van [verzoeker] of dat [verzoeker] bij zijn beslissingen niet het belang van ATR heeft gediend dan wel heeft kunnen dienen.

4.11.

[verzoeker] heeft verzocht de billijke vergoeding vast te stellen op € 5.000,00 bruto.

4.12.

Vooropgesteld wordt dat de rechter bij het vaststellen van de billijke vergoeding rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder ook de gevolgen van het ontslag. De werknemer dient te worden gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter overweegt dat ATR [verzoeker] plotseling en zonder voorafgaande schriftelijke waarschuwingen op staande voet heeft ontslagen en dat [verzoeker] vervolgens geen salaris meer heeft ontvangen. Weliswaar heeft ATR, naar zij stelt, [verzoeker] mondeling gewaarschuwd maar het plotseling geven van een ontslag op staande voet en het stopzetten van loonbetaling levert naar het oordeel van de kantonrechter in de onderhavige zaak, waar een dringende reden ontbreekt, ernstig en verwijtbaar handelen op. De verzochte billijke vergoeding van € 5.000,00 zal daarom worden toegewezen. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat [verzoeker] nog maar kort werkte bij ATR, de resterende duur van de arbeidsovereenkomst, het feit dat [verzoeker] na korte tijd ander werk heeft gevonden via een uitzendbureau en dat zijn vooruitzichten om werk te behouden als goed moeten worden ingeschat.

Gefixeerde schadevergoeding

4.13.

[verzoeker] heeft daarnaast verzocht om een gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 4 BW wegens onregelmatige opzegging.

4.14.

Partijen zijn het er over eens dat tussen hen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen voor bepaalde tijd, ingaande 21 augustus 2017 en eindigende per 21 augustus 2018. Deze overeenkomst is niet schriftelijk afgesloten en kent geen beding van tussentijdse opzegging. [verzoeker] vordert een vergoeding van € 36.670,53, berekend over de periode van 8 november 2017 tot 21 augustus 2018 (9,5 maand x € 3.860,06 bruto (salaris inclusief vakantietoeslag en overuren).

4.15.

De kantonrechter overweegt dat ATR de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd, immers niet kan worden aangenomen dat een dringende reden aanwezig is voor het ontslag, zodat het toekennen van een gefixeerde vergoeding is aangewezen. De kantonrechter zal de vergoeding ingevolge artikel 7:677 lid 4 BW matigen tot drie maandsalarissen omdat zulks in dit geval, met het oog op de omstandigheden, billijk is. Daarbij is overwogen dat het feitelijke dienstverband maar kort heeft geduurd en dat de marktpositie van [verzoeker] in zijn beroep uitstekend is, zoals hij ter zitting heeft gesteld. Aldus zal worden toegewezen een bedrag van 3 x € 3.860,06 = € 11.580,18 bruto terzake gefixeerde schadevergoeding. ATR heeft de hoogte van het salaris niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist.

4.16.

De proceskosten komen voor rekening van ATR als de meest in het ongelijk gestelde partij.

van het tegenverzoek

4.17.

ATR heeft gesteld dat [verzoeker] schade heeft veroorzaakt door bewust roekeloos handelen en hij deze schade aan ATR dient te vergoeden.

4.18.

[verzoeker] heeft betwist dat hij schade heeft veroorzaakt. [verzoeker] heeft tevens aangevoerd dat geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. [verzoeker] stelt dat hij een propere chauffeur is en netjes op zijn cabine en deze ook schoon was op 8 november 2017.

4.19.

De kantonrechter overweegt dat ATR de door haar gestelde schade en bewust roekeloos handelen aan de zijde van [verzoeker] niet heeft aangetoond. ATR heeft wel facturen overgelegd maar hieruit kan niet worden afgeleid dat door bewust roekeloos handelen van [verzoeker] schade is veroorzaakt aan goederen van ATR. ATR heeft evenmin nadere feiten en omstandigheden gesteld die een dergelijke conclusie kunnen dragen. Het tegenverzoek van ATR zal daarom worden afgewezen.

4.20.

De proceskosten komen voor rekening van ATR als de in het ongelijk gestelde partij.

5 De beslissing

De kantonrechter beslist op het verzoek:

5.1.

veroordeelt ATR om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 5.000,00 bruto terzake billijke vergoeding;

5.2.

veroordeelt ATR om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 11.580,18 bruto terzake gefixeerde schadevergoeding;

5.3.

veroordeelt ATR om aan [verzoeker] te betalen het salaris van € 3.574,12 per maand vanaf 1 november 2017 tot en met 8 november 2017, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldag tot aan de dag van algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt ATR tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op € 400,00;

5.5

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

5.6

Wijst af het meer of anders verzochte.

De kantonrechter beslist op het tegenverzoek

5.7.

wijst het verzoek af;

5.8.

veroordeelt ATR tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op € 200,00;

5.9.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. G.G. Vermeulen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2018. (HJ)