Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1991

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
C/08/205262 / HA ZA 17-338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stichting waar jongeren verbleven is niet aansprakelijkheid voor de brandstichting van de bij hen verblijvende jongeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/130
PS-Updates.nl 2018-0490
JGZ 2019/11 met annotatie van Steen, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/205262 / HA ZA 17-338

Vonnis van 23 mei 2018

in de zaak van

1. naamloze vennootschap

UNIVÉ SCHADE REGIO + BRANDVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Heerhugowaard,

hierna te noemen: Univé,

2. naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: Delta Lloyd,

eiseressen,

gezamenlijk ook te noemen: de verzekeraars,

advocaat mr. H. Dontje te Emmen,

tegen

1. de stichting

STICHTING ZEKERE BASIS,

gevestigd te Enschede,

hierna te noemen: de stichting,

gedaagde,

advocaat mr. M.G. Kos te Utrecht,

2. [gedaagde 2],

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon [X] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

3. [gedaagde 3],

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon [X] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gedaagden 2 en 3 gezamenlijk te noemen: de ouders van [X] ,

advocaat mr. E.H. Bakker te Utrecht,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 4] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Buld te Hengelo (O).

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank verwijst voor het procesverloop tot dan toe naar haar tussenvonnis van 15 november 2017. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de brief van mr. Dontje met bijlagen van 20 december 2017

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie d.d. 15 januari 2018 met aangehechte pleitnota’s

  • -

    de brief van mr. Dontje met bijlagen van 16 januari 2018

  • -

    de akte van de zijde van de stichting

  • -

    de akte van de zijde van de ouders van [X]

  • -

    de antwoordakten van de zijde van de verzekeraars.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Het geschil, de beslissing en de motivering daarvan

2.1.

De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 15 november 2017 is overwogen.

2.2.

Deze zaak draait om de afwikkeling van de brand die (de toen nog minderjarige) [gedaagde 4] en [X] in de nacht van 22 op 23 juni 2016 hebben gesticht in een woning aan de [straat] in [plaats] . Ten tijde van het stichten van de brand verbleven [gedaagde 4] en [X] bij de stichting in een pand, gelegen vlakbij de woning aan de [straat] .

De verzekeraars hebben gesteld dat zij de schade aan de woning en aan de eigendommen van de aannemer [A] ) hebben vergoed aan de eigenaren van die woning (mevrouw [B] en de heer [C] ) en de aannemer. Volgens de verzekeraars zijn de stichting, [gedaagde 4] en [X] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De door Univé te vergoeden schade is vastgesteld op € 437.490,27 (exclusief expertisekosten ad € 4.416,50 en buitengerechtelijke kosten ad € 1.500,-) en de door Delta Lloyd te vergoeden schade op

€ 249.466,- (exclusief expertisekosten ad € 7.875,56). De verzekeraars hebben op grond van het vorenstaande gevorderd dat de stichting, [X] en [gedaagde 4] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan Univé van een bedrag ad € 443.406,77 en aan Delta Lloyd van een bedrag ad € 257.342,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en met hoofdelijke veroordeling van hen in de proceskosten.

2.3.

Ter comparitie is gebleken dat de verzekeraars de ouders van [X] niet op grond van artikel 6:169, tweede lid Burgerlijk Wetboek (BW) aanspreken, maar als wettelijk vertegenwoordigers van hun zoon. Voorts is gebleken dat de ouders van [X] ten tijde van de brandstichting beiden belast waren met het ouderlijk gezag over hem.

de aansprakelijkheid van [gedaagde 4] en [X]

2.4.

[gedaagde 4] heeft geen verweer gevoerd. Daarmee staat zijn aansprakelijkheid als onbetwist vast.

2.5.

Vaststaat dat de toen nog minderjarige [X] met [gedaagde 4] de brand in de woning heeft gesticht. Ingevolge artikel 6:165, eerste lid BW is de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaar of ouder, verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, geen beletsel haar aan de dader toe te rekenen als een onrechtmatige daad.

Dat betekent dat de brandstichting hun ook bij verminderde toerekeningsvatbaarheid als onrechtmatige daad dient te worden toegerekend. Voor zover de ouders van [X] hebben beoogd te stellen dat, nu in het geval van hun zoon sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid, hij niet uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is of kan zijn, dient dat verweer dus te worden verworpen.

2.6.

Ingevolge artikel 6:166, eerste lid BW zijn, indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van deze schade de personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Zoals de ouders van [X] ook hebben erkend zijn [gedaagde 4] en [X] samen op pad gegaan en hebben zij samen een vuurtje gestookt, waarbij een woning in vlammen opgegaan is. Daarmee heeft [X] , aan wie de gedraging als zodanig kan worden toegerekend (zie 2.5.), onrechtmatig schade toegebracht. De kans dat bij het stoken van een vuur in een woning schade daaraan wordt toegebracht had [X] ervan behoren te weerhouden vuur te stoken. Gelet hierop is [X] met [gedaagde 4] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.

de aansprakelijkheid van de stichting

2.7.

De verzekeraars hebben de aansprakelijkheid van de stichting erop gebaseerd dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden op de bij haar verblijvende [gedaagde 4] en [X] . De stichting kende de achtergrond van de jongens. Met betrekking tot [X] staat in het rapport van GZ-psycholoog C. van den Bergh van 27 september 2016 dat hij lijdt aan een gebrekkige gewetensontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestes-vermogens. Voorts heeft hij een overmatige interesse voor vuur en wordt de kennis over de gevaren daarvan ondergeschikt gemaakt aan zijn wens en drang naar de sensatie om vuur te maken wanneer hij daartoe de kans ziet. Bij de stichting werden de huisregels op alle cliënten in een bepaalde fase toegepast, ongeacht of men met die vrijheden wel verantwoord kon omgaan. Het ontbrak aan multidisciplinaire besluitvorming en evaluatie of wellicht vrijheidsbeperkende maatregelen of minder ingrijpende beperkingen aan [gedaagde 4] en [X] hadden moeten worden opgelegd. Hoewel de jongens op de minst vrije locatie (Z-12) binnen de stichting verbleven, konden zij ’s nachts via het raam van hun kamer naar buiten gaan, zonder dat hun vertrek via een camera of alarminstallatie door de stichting werd opgemerkt. De stichting heeft niets gedaan om het gevaar van [gedaagde 4] en [X] in te dammen en schadeveroorzakende acties te voorkomen. Van haar mocht worden verwacht dat zij zodanig toezicht zou houden dat het weglopen van de jongens niet onopgemerkt zou blijven.

Ter comparitie is van de zijde van de verzekeraars nog verklaard:

Ik heb al eens betoogd waarom eisers van mening zijn dat de Stichting aansprakelijk is. Er wordt gesteld wij hebben geen toezicht en wij mogen niets. Dat wordt gepareerd door het rapport van de Inspectie waar in staat dat er wel individuele vrijheden zijn.

De Stichting houdt intake- en kennismakingsgesprekken, er kijkt een gedragswetenschapper mee en er wordt risicotaxatie uitgevoerd en een zorgovereenkomst gesloten. Zo vrijblijvend is het allemaal niet. Als ik het strafvonnis lees dan wordt er toch wel een behoorlijk risico aan de zijde van [X] geschetst.

2.8.

De stichting heeft verweer gevoerd. Zij heeft betoogd dat zij een zorgorganisatie is die jongeren met gedragsproblemen helpt om een zelfstandig bestaan op te bouwen en hen begeleidt in het creëren van een zinvolle dagbesteding, een aanvaardbaar sociaal netwerk en bij de voorbereiding voor zelfstandig wonen; zij houdt geen toezicht. De jongeren verblijven bij de stichting op basis van vrijwilligheid, de stichting is geen psychiatrische instelling of penitentiaire inrichting. Er is wel 24 uurs-begeleiding, maar die kan niet steeds toezicht houden, nu de jongens het terrein regelmatig verlaten voor werk of school. Bij de stichting gelden huisregels. Vrijheidsbeperkende maatregelen moeten op individuele en vrijwillige basis worden afgesproken en vastgelegd in een zorgplan en mogen niet worden toegepast als de cliënt zich verzet. De stichting heeft dus een zeer beperkte speelruimte als het gaat om het beperken van de vrijheden van de cliënten. Zij kan geen maatregelen als bedoeld in de wet Bopz opleggen. Op grond van de stellingen van de verzekeraars kan niet geconcludeerd worden dat de stichting onvoldoende toezicht heeft gehouden op [gedaagde 4] en [X] . De verzekeraars hebben niets gesteld over a) de grootte van de kans dat [gedaagde 4] en/of [X] aan derden schade zou(den) toebrengen, b) een eventuele psychische stoornis en c) een eerder vertrek van het terrein van de stichting na 22.00 uur waarbij vervolgens schade aangericht is. Van belang is ook dat de stichting niet het recht had de vrijheid van [gedaagde 4] en [X] zodanig in te perken dat hen belet kon worden dat zij na 22.00 uur het terrein van de stichting zouden verlaten, en niet het recht had overal camera’s of alarminstallaties aan te brengen. Zij kon de brandstichting dan ook niet voorkomen.

Ter comparitie is van de zijde van de stichting nog het volgende naar voren gebracht:

Er is door mr. Dontje gesteld dat de Stichting weet had van de fascinatie voor vuur van [X] . Dat is niet juist. Er waren gedragsproblemen maar niets wees er op dat hij zou weglopen en (goederen van) andere mensen in gevaar zou brengen. Deze problematiek is vastgesteld na de brand, de rapportages waarnaar mr. Dontje verwijst dateren ook van na de brand. Voor de brand was daar geen indicatie voor. (…) Ten aanzien van iedereen die bij de Stichting komt wonen wordt in kaart gebracht welke gedragsproblematiek er is en in hoeverre zij kunnen omgaan met vrijheden.

De gedragsproblemen worden erkend als zijnde destijds aanwezig maar niet met de specifieke kenmerken zoals gebleken na de brand. Begeleiding werd verleend, toezicht werd niet gehouden omdat cliënten vrij zijn. De camera’s zijn alleen aanwezig in de gezamenlijke ruimten.

(…)

Wij hadden over [X] wel wat rapportages. Ik weet zo niet meer welke. We hebben vanuit de wijkcoach en Jarabee informatie gekregen. Na het intakegesprek hebben wij verslagen opgevraagd. Er kwam een verslag van Jarabee en een kort verslag uit het verleden. En natuurlijk hebben wij gesprekken met de ouders van [X] gevoerd.

Voor [gedaagde 4] hadden wij ook rapportages van de vorige instelling waar hij verbleef, Intermezzo in Eefde.

Wij brengen gedragsproblemen in kaart door beschikbare verslagen op te vragen, door in gesprek te gaan met betrokken hulpverleners en door een kennismakingsgesprek en intake. Onze gedragswetenschapper kijkt mee. Er wordt een risicotaxatie gemaakt en een signaleringsplan opgesteld.

Wij hadden de indruk dat [gedaagde 4] en [X] de vrijheden in Z-12 aankonden.

Wij wisten dat [gedaagde 4] uit een langer traject kwam. Hij kwam vanuit een gesloten setting. (…) Wij kenden de reden van de plaatsing in gesloten setting.

(…)

De regel was dat de jongens om 22.00 uur naar hun kamer moesten. We konden daarna niet controleren of iemand via het raam zijn kamer verliet. Als we het wel constateerden dan reageerden we daar wel op. We kunnen niet zomaar iemands kamer in gaan vanwege de privacy. De kamers zijn niet op slot. (…)

In 2010 is de Stichting opgericht. Er zijn geen andere jongeren geweest die tijdens hun verblijf zijn aangehouden vanwege strafbare feiten.

2.9.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de stichting voorop dat de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer is vereist, in verband met de aard van minderjarigen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen, met zich brengt dat degene die in het kader van hun behandeling en/of begeleiding het toezicht over hen heeft aanvaard, gehouden is zoveel als redelijkerwijs mogelijk erop toe te zien dat zij derden of zichzelf geen schade toebrengen. Hoever dit toezicht behoort te gaan en welke maatregelen ter voorkoming van het toebrengen van schade de toezichthouder behoort te nemen, hangt af van de bijzonderheden van het gegeven geval, waarbij van belang zijn enerzijds de grondrechten van de minderjarige en de aan zijn behandeling en/of begeleiding (uit medisch oogpunt) te stellen eisen en anderzijds de grootte van de kans dat hij/zij derden of zichzelf schade zal toebrengen.

2.10.

De rechtbank beantwoordt de vraag of de stichting aansprakelijk is ter zake van de brandstichting van [gedaagde 4] en [X] ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Het staat niet ter discussie dat de stichting een open setting biedt voor jongeren met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen die op basis van vrijwilligheid bij haar verblijven. Dat betekent dat de jongeren in beginsel te allen tijde kunnen vertrekken. Dit blijkt uit het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van september 2017, waarin onder meer staat:

(…)

Zekere Basis is een kleinschalige woonvoorziening, levert dagbesteding en ambulante zorg, en heeft een landelijk werkgebied.

(…)

De zorgaanbieder levert verblijf en begeleiding (…) aan cliënten (jongvolwassen mannen) met een verstandelijke beperking gepaard gaand met gedragsproblemen en eventueel een psychische problematiek.

(…)

Men is zich bewust van het feit dat men geen Bopz-erkende instelling is en derhalve geen vrijheidsbeperkingen mag toepassen, echter binnen de huisregels en de gehanteerde methodiek worden de cliënten wel in hun vrijheden beperkt; (…)

Zorgaanbieders die niet over een Bopz-aanmerking beschikken mogen in dit kader geen vrijheidsbeperkende maatregelen toepassen.

Vrijheidsbeperkende maatregelen in niet Bopz-aangemerkte zorginstellingen of in de thuissituatie mogen enkel worden toegepast als hiervoor instemming is verkregen van de cliënt of van de wettelijk vertegenwoordiger (wanneer er sprake is van wilsonbekwaamheid van de cliënt) en wanneer een cliënt zich hiertegen niet verzet. Bij verzet vervalt de eerder verkregen instemming.

(…)

Uit het rapport volgt ook dat de stichting alleen vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals de maatregel dat jongeren gedurende een bepaalde periode van de dag op hun kamer of op het terrein moeten verblijven, mag nemen met instemming van de minderjarige of diens wettelijk vertegenwoordiger en dat die maatregel vervalt zodra de minderjarige zich tegen de toepassing ervan verzet. [gedaagde 4] en [X] kon dus alleen verplicht worden op hun kamer of het terrein te blijven met hun instemming. Zodra zij wilden vertrekken had dat te gelden als verzet tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, als gevolg waarvan deze zou komen te vervallen. De mogelijkheden van de stichting ter zake waren dan ook beperkt: de aan- of afwezigheid van camera’s of een alarminstallatie maakt dat niet anders.

Daar komt bij dat het de stichting in verband met de privacy van de jongeren niet (zonder meer) was toegestaan overal camera’s op te hangen om te monitoren waar zij verbleven.

Dan resteert de vraag of de stichting, gelet op wat zij wist over de verstandelijke beperking en de gedragsproblemen van [gedaagde 4] en [X] , gehouden was om meer toezicht te houden dan zij heeft gedaan. Bij de beantwoording van die vraag moeten de rapportages die na de brandstichting over hen zijn opgemaakt buiten beschouwing worden gelaten, nu de stichting ten tijde van de brandstichting niet over die rapportages en de daarin vervatte informatie kon beschikken. Niet gebleken is dat de stichting ten tijde van de brandstichting ermee bekend was dat [gedaagde 4] en/of [X] betrokken waren/was bij een eerdere brandstichting in of rond de woning aan de [straat] . Ten slotte heeft de stichting onweersproken gesteld dat geen van de bij haar verblijvende jongeren ooit gedurende dat verblijf is aangehouden in verband met het plegen van een strafbaar feit. Gelet op deze feiten en omstandigheden hebben de verzekeraars onvoldoende onderbouwd dat de stichting gelet op het gevaar dat [gedaagde 4] en/of [X] zouden kunnen veroorzaken voor derden, verdergaande maatregelen had moeten nemen dan zij heeft gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stichting niet aansprakelijk is ter zake van de brandstichting en dat de vordering van de verzekeraars tegen de stichting moet worden afgewezen.

de schade

2.11.

De verzekeraars hebben, onder verwijzing naar de rapportages van KakesWaal B.V. van 25 november 2016 en Vanderwal & Joosten van 1 november 2016, gesteld dat de door Univé te vergoeden schade is vastgesteld op € 437.490,27 (exclusief expertisekosten ad € 4.416,50 en buitengerechtelijke kosten ad € 1.500,-) en de door Delta Lloyd te vergoeden schade op € 249.466,- (exclusief expertisekosten ad € 7.875,56). De ouders van [X] hebben de omvang van de schade gemotiveerd betwist.

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde rapportages wel een opstelling van de diverse posten bevatten die optellen tot de gevorderde bedragen, maar dat de onderliggende specificaties niet in het geding zijn gebracht. Daardoor is een specifiek verweer tegen de individuele posten niet (goed) mogelijk. De rechtbank zal gelet hierop de verzekeraars in de gelegenheid stellen bij akte de omvang van de door hen vergoede schade van een nadere onderbouwing te voorzien en de zaak daarvoor verwijzen naar de rolzitting van woensdag 20 juni 2018. De ouders van [X] mogen daar vervolgens bij akte op reageren.

matiging

2.12.

De ouders hebben onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:109 BW een beroep gedaan op matiging van de schadevergoeding. Hierop zal in een later stadium van de procedure worden ingegaan.

2.13.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 20 juni 2018 voor het nemen door de verzekeraars van de in 2.11. bedoelde akte;

3.2.

bepaalt dat de ouders van [X] hierop bij akte mogen reageren;

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.1

1 type: coll: