Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1827

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
C/08/217005 / KG-ZA 18-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering overdracht fosfaatrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/217005 / KG-ZA 18-123

Vonnis in kort geding van 28 mei 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

verder te noemen: [eiseres] ,

advocaat mr. D.F. Fransen te Hattem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verder te noemen: [gedaagde] ,

advocaat mr. J.C.M. Jochemsen-Vernooij te Arnhem.

1
1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties en aanvullende producties;

- het faxbericht van [gedaagde] van 8 mei 2018, waarin een voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;
- de mondelinge behandeling en de pleitnotities van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2
2 De feiten

[eiseres] exploiteert een veehouderij in [plaats].

[gedaagde] is een in [plaats] gevestigde koeienboer die zich bezighoudt met het opfokken van jongvee van derden.

Op enig moment zijn [eiseres] en [gedaagde] mondeling overeengekomen dat het jongvee van [eiseres] tegen betaling van € 1,50 per dier per dag, te vermeerderen met aanvullende (dierenarts)kosten, bij en door [gedaagde] wordt opgefokt.

2.4.


Vanaf het voorjaar van 2013 tot februari 2016 heeft [eiseres] op basis van deze overeenkomst zijn jongvee gefaseerd ondergebracht bij [gedaagde] .

2.4.

In verband met het terugdringen van de fosfaatproductie heeft de Nederlandse overheid een zogenaamd fosfaatplafond ingevoerd. Op basis van wet- en regelgeving op dit gebied hebben melkveehouders in januari 2018 fosfaatrechten toegekend gekregen. De fosfaatrechten zijn berekend op basis van de situatie zoals die was op 2 juli 2015.

Bij beschikking van 12 januari 2018 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het aantal fosfaatrechten (in kg fosfaat) voor [eiseres] berekend op
3.332 kg. Bij het vaststellen van het aantal fosfaatrechten is de Minister uitgegaan van de gegevens op de peildatum 2 juli 2015 en in de bijlage van de beschikking is uitgelegd hoe het aantal fosfaatrechten is berekend. Verhoging van het aantal toegekende fosfaatrechten is mogelijk indien het aantal stuks melkvee op peildatum 2 juli 2015 door bijzondere omstandigheden lager was en/of indien er op 2 juli 2015 sprake was van uitgeschaard melkvee.

[gedaagde] heeft een beschikking van 10 januari 2018 van gelijke strekking ontvangen waarin het aantal fosfaatrechten van [gedaagde] op 891 kg is berekend. [gedaagde] heeft de fosfaatrechten toegekend gekregen, omdat hij op peildatum 2 juli 2015 het jongvee van [eiseres] opfokte.

2.7.

[eiseres] heeft [gedaagde] verzocht mee te werken aan de uitvoering van de regeling

over uitgeschaard vee, inhoudende dat de fosfaatrechten van [eiseres] zullen worden verhoogd met de fosfaatrechten die [gedaagde] in verband met het opfokken van het jongvee van [eiseres] toegekend heeft gekregen. [gedaagde] heeft zijn medewerking geweigerd en wil zijn fosfaatrechten behouden voor het bedrijfsmatig opfokken van jongvee voor derden.

3
3 Het geschil

[eiseres] vordert in conventie - kort gezegd - [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis alle aan hem toegekende fosfaatrechten, te weten de fosfaatrechten corresponderend met 34 GVE netto, aan [eiseres] over te dragen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag met een maximum van
€ 350.000,00, en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.


[gedaagde] voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen en vordert in voorwaardelijke reconventie, uitsluitend indien de vorderingen in conventie worden toegewezen, - kort gezegd - [eiseres] te verbieden de fosfaatrechten die onderdeel zijn van dit geschil over te dragen aan derden tot het moment dat de uitspraak in de bodemprocedure in kracht van gewijsde is gegaan.

4
4. De beoordeling van het geschil

Het spoedeisend belang is een gegeven, gelet op de aard van het gevorderde.

[eiseres] is de eigenaar van het melkvee dat op peildatum 2 juli 2015 bij en door [gedaagde] werd opgefokt. [eiseres] is van mening dat hij als eigenaar van het jongvee ook recht heeft op de fosfaatrechten die aan [gedaagde] zijn toegekend. ‘De fosfaatrechten volgen de koe’, aldus [eiseres] . [eiseres] legt primair de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, subsidiair onvoorziene omstandigheden en meer subsidiair onrechtmatig handelen door [gedaagde] ten grondslag aan zijn vordering.

4.3.


[gedaagde] weigert de fosfaatrechten die aan hem zijn toegekend in verband met de opfok van het jongvee van [eiseres] aan [eiseres] over te dragen. [gedaagde] stelt dat hij de fosfaatrechten als houder van het vee op 2 juli 2015 terecht toegewezen heeft gekregn. Bovendien heeft hij de fosfaatrechten nodig voor het bedrijfsmatig opfokken van jongvee.

De voorzieningenrechter overweegt dat de fosfaatrechten op basis van de wet- en regelgeving worden toegekend aan de houder van het vee op de peildatum 2 juli 2015. De toekenning van de fosfaatrechten wordt niet gebaseerd op de juridische eigendomssituatie op 2 juli 2015. Het houderschap op 2 juli 2015 is dus doorslaggevend.

[gedaagde] was op 2 juli 2015 houder van het jongvee van [eiseres] en heeft de fosfaatrechten verbandhoudende met dit jongvee toegekend gekregen. Anders dan [eiseres] betoogt, komen de fosfaatrechten op basis van de geldende wet- en regelgeving niet aan hem als eigenaar van het vee toe, maar aan [gedaagde] .

4.5.

Het vijfde lid van artikel 23 Meststoffenwet biedt de mogelijkheid om de fosfaatrechten van de inschaarder met diens instemming te verlagen en de fosfaatrechten van de uitschaarder met diezelfde hoeveelheid te verhogen. [gedaagde] weigert mee te werken aan de uitvoering van deze regeling. [eiseres] vordert (mede) op basis van genoemde wetsbepaling overdracht van alle aan [gedaagde] toegekende fosfaatrechten.

4.6.


Vast staat dat [gedaagde] zich gedurende een periode van ongeveer drie jaar tegen betaling heeft bezighouden met het opfokken van het jongvee van [eiseres] . Partijen verschillen
van mening over de al dan niet tijdelijke aard van de hieraan ten grondslag liggende mondelinge overeenkomst. Volgens [eiseres] was van meet af aan duidelijk dat [gedaagde] zijn jongvee slechts tijdelijk zou opfokken, omdat [eiseres] dit in verband met de bouw

van nieuwe stallen tijdelijk niet zelf kon doen. [eiseres] kan niet aanvaarden dat [gedaagde] de fosfaatrechten toegekend heeft kregen op basis van de min of meer toevallige omstandigheid dat het vee tijdelijk bij [gedaagde] was gestald op 2 juli 2015.

4.7.


[eiseres] betoogt dat tijdelijkheid het uitgangspunt was bij het sluiten van de mondelinge opfokovereenkomst, maar [gedaagde] spreekt dit tegen. De afspraken over het opfokken zijn niet op papier gezet. De voorzieningenrechter zal daarom de feitelijke situatie gedurende de opfokperiode vanaf het voorjaar van 2013 tot februari 2016 als uitgangspunt nemen. [eiseres] heeft zijn jongvee gedurende ongeveer drie jaar tegen betaling bij en door [gedaagde] laten opfokken. Gelet op de lange duur en het bedrijfsmatige karakter van het opfokken van het jongvee was er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van slechts een kortdurende, tijdelijke uitscharing van vee. De voorzieningenrechter baseert dit oordeel met name op de arbeidsintensiteit en duur van de door [gedaagde] verrichte opfokwerkzaamheden. De door [eiseres] geschetste situatie, dat [gedaagde] de fosfaatrechten in de schoot kreeg geworpen omdat hij toevallig op peildatum 2 juli 2015 het jongvee van [eiseres] onder zich had, komt daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet overeen met de daadwerkelijke situatie. Het jongvee van [eiseres] heeft immers jarenlang bij [gedaagde] gestaan en het was [gedaagde] die - tegen betaling - de volledige zorg voor het vee op zich had genomen.

4.8.

Zowel [eiseres] als [gedaagde] stelt de in geschil zijnde fosfaatrechten nodig te hebben. Zonder de fosfaatrechten kan [eiseres] naar eigen zeggen zijn bedrijf niet uitbreiden en volgens [gedaagde] mag hij zonder de fosfaatrechten geen jongvee van derden opfokken.
Of op 2 juli 2015 voorzienbaar was dat de situatie op die datum bepalend zou zijn voor de berekening van de fosfaatrechten die pas 2,5 jaar later zou volgen, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven. Zelfs als dit niet voorzienbaar was, dan nog is [gedaagde] - gelet op zijn belang bij het behouden van de fosfaatrechten - niet gehouden om zijn fosfaatrechten om die enkele reden aan [eiseres] over te dragen.

4.9.


Uit het voorgaande vloeit voort dat [eiseres] zich tevergeefs beroept op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid en op onvoorziene omstandigheden. Van onrechtmatig handelen door [gedaagde] is evenmin sprake. Niet valt in te zien dat zijn weigering om mee te werken aan de uitvoering van artikel 23, vijfde lid, Meststoffenwet in strijd zou zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk leven betaamt. De weigering van [gedaagde] kwalificeert niet als een onrechtmatige daad.

[gedaagde] is niet gehouden de aan hem toegekende fosfaatrechten aan [eiseres] over te dragen.

4.10.


Nu de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen, is de voorwaarde voor het instellen van de reconventionele eis niet vervuld, zodat op deze vordering niet hoeft te worden beslist.

4.11.


[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.


De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.271,00.

5
5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen in conventie af,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.271,00,

verklaart de in 5.2. uitgesproken kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2018.