Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1764

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
C/08/203042 / HA ZA 17-283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat PEC Zwolle een bedrag van ruim 75.000 euro moet betalen aan voormalig kledingsponsor Robey voor geleverde (voetbal)kleding in het seizoen 2016/2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/203042 / HA ZA 17-283

Vonnis van 23 mei 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROBEY SPORTSWEAR B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie, hierna te noemen RS,

advocaat mr. F. Terpstra te Veghel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PEC ZWOLLE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie, hierna te noemen PEC,

advocaat mr. A. Arslan te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 oktober 2017

- het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2018

- de pleitnota van PEC.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

RS is een onderneming die zich richt op de handel, import en export van en het ontwikkelen en vermarkten van sport- en lifestyle schoeisel, kleding, accessoires en overige sportswear. Zij is opgericht op 4 januari 2016.

2.2.

PEC is een betaald voetbalorganisatie en neemt met diverse voetbalteams deel aan voetbalcompetities.

2.3.

Robey is een woord- en beeldmerk waarvan Loft Robey B.V. (hierna te noemen LR) de houdster is.

2.4.

Op 22 december 2014 heeft LR een licentieovereenkomst gesloten met Dressed4Sports B.V. (hierna te noemen D4S). Op grond van deze overeenkomst heeft D4S een licentie verkregen om het merk Robey exclusief te mogen gebruiken voor de vervaardiging, marketing, distributie en verkoop van schoeisel, sportswear en accessoires in Europa, zulks over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019.

2.5.

Op 17 mei 2015 hebben D4S en PEC een sponsorovereenkomst gesloten voor de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2019.

2.6.

RS heeft een niet ondertekende sponsorovereenkomst tussen D4S en PEC d.d. 17 mei 2015 overgelegd. In deze overeenkomst staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

ARTIKEL 3

VERPLICHTINGEN SPONSOR

3.1

Sponsor levert gedurende de looptijd van deze overeenkomst elk seizoen een kledingpakket ten behoeve van de A-selectie (inclusief staf), jeugdopleiding (inclusief staf), dames elftallen en line-up/ballenjongens van PEC Zwolle. Deze kledingpakketten (en de benodigde aantallen) zijn beschreven in bijlage III van deze overeenkomst en worden door Sponsor per 1 juli aan PEC Zwolle gefactureerd tegen de overeengekomen inkooptarieven zoals opgenomen in bijlage IV.
Voor de overige artikelen die De BVO aanschaft bovenop het gesponsorde budget, zal de reguliere inkoopprijs (ex. BTW) gelden!

PEC Zwolle stuurt voor eenzelfde bedrag als de waarde van het kledingpakket, zoals opgenomen in dit artikellid, op 1 juli een sponsorfactuur voor de afgenomen sponsorfaciliteiten door de Sponsor (budgetneutrale bartering).

(…)
3.8 Voor de afname van de kledingpakketten zoals genoemd in artikel 3.1 en 3.2 ontvangt PEC Zwolle van Sponsor op 1 juli een factuur, waarbij verrekening plaats vindt met de factuur die PEC Zwolle op 1 juli stuurt voor de afgenomen sponsorfaciliteiten door de Sponsor (budgetneutrale bartering).

(…)

3.10

PEC Zwolle heeft naast het eerder bepaalde in dit artikel per contractjaar recht op navolgende vergoedingen:

Een vaste vergoeding: “cashcomponent” genaamd, als volgt opgebouwd (…):

- Jaar 1 € 125.000,-

- Jaar 2 € 125.000,-

- Jaar 3 € 125.000,-

- Jaar 4 € 125.000,- (nader te bespreken bij verlenging van contract)

(…)
De overeengekomen cashcomponenten worden door PEC Zwolle aan Sponsor gefactureerd op 1 juli van ieder jaar en voor het eerst op 1 juli 2015. Betaling van de factuur door Sponsor dient te geschieden binnen 60 dagen na factuurdatum, ofwel wordt verrekend met de uitstaande facturen van de Sponsor uit hoofde van de afnameverplichting FanCorner (merchandise) zoals overeengekomen in artikel 4.2.

(…)

ARTIKEL 4

VERPLICHTINGEN PEC ZWOLLE

4.1

PEC Zwolle is gehouden tot het afnemen van kleding bij Sponsor ten behoeve van de FanCorner (merchandising). Deze kleding zal door PEC Zwolle worden ingekocht op basis van de overeengekomen inkooptarieven, die in bijlage IV bij deze overeenkomst zijn vermeld. Sponsor stuurt hiervoor tijdig een factuur aan PEC Zwolle. (…)
4.2 PEC Zwolle heeft een minimale afnameverplichting van kleding als vermeld in artikel 4.1 voor een waarde van minimaal €150.000,00 excl. BTW voor seizoen 2015-2016.
Voor seizoen 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019 wordt een variabel cashcomponent en afnameverplichting Merchandising gehanteerd van € 25.000,00. (zijnde factor 1.2)

Dit betekend een minimaal cashcomponent van €125.000,00 en afname Merchandising van

€ 125.000,00.

(…)”

2.7.

Op 22 december 2015 is de licentieovereenkomst tussen LR en D4S beëindigd.

2.8.

D4S is op enig moment in staat van faillissement verklaard. In het faillissementsverslag van D4S staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

1.1 Directie en organisatie

(…)
Over 2015 is een aanzienlijk verlies geleden van ruim € 1.200.000,--. Reden voor de directie om in overleg te gaan met de licentiegever. Partijen hebben vervolgens bezien of tot een beëindiging kon worden gekomen van de licentieovereenkomst waarbij alle voorraad zou worden overgedragen aan de licentiegever. Uiteindelijk is ook een overeenkomst tot stand gekomen welke is getekend op 22 december 2015.

(…)

1.4

Lopende procedures

Bij het Gerechtshof ’s-Gravenhage is een hoger beroep procedure aanhangig ten aanzien van een in 2015 gesloten overeenkomst waarbij de licentieovereenkomst is beëindigd en de aanwezige voorraad is verkocht aan de licentiegever.”

2.9.

Op of omstreeks 19 februari 2016 heeft LR aan RS de licentie verstrekt voor het exclusieve gebruiksrecht van het merk Robey.

2.10.

Op 2 maart 2016 heeft een gesprek plaatsgehad tussen RS en PEC.

2.11.

Op 9 maart 2016 heeft de heer [directeur RS] , directeur van RS (hierna te noemen [directeur RS] ), een e-mail gestuurd aan de financieel manager van PEC, de heer [financieel manager PEC] (hierna te noemen [financieel manager PEC] ), met de volgende inhoud:

“Naar aanleiding van ons prettige gesprek van vorige week zouden wij nog terugkomen op de bartering afspraak. Op basis van het contract leveren wij jullie de kledingpakketten zoals opgenomen in de bijlagen, tegen de prijzen zoals opgenomen in de bijlagen. Deze afspraak willen wij in stand houden met dien verstande dat wij uiteraard met jullie mee willen denken als jullie van de afspraak af willen wijken. Daarom stellen wij voor om door jullie gewenste mutaties ten opzichte van de afspraak aan ons voor te leggen, waarna wij dit kunnen beoordelen en vervolgens in gezamenlijk overleg tot een aanpassing kunnen komen.

(…)”

2.12.

Op 10 maart 2016 heeft de heer [medewerker PEC] namens PEC als volgt op voornoemde

e-mail gereageerd:

“Hierbij de lijst mbt de bestelling tbv PEC Zwolle.

Hou er rekening mee dat het wedstrijdshirts nog niet definitief zijn vastgesteld ivm sponsoren.

Betreffende de jeugd en dames wil eerst nog de juiste tekeningen ontvangen alvorens die ook definitief is. Je hebt dus wel de aantallen maar zonder de juiste tekeningen kunnen we daar nog geen akkoord op geven.”

2.13.

PEC heeft in de periode van februari tot en met november 2016 aanvullende zaken zoals sokken en trainingspakken besteld bij RS.

2.14.

Namens RS is op 23 augustus 2016 naar aanleiding van twee van PEC ontvangen facturen een e-mail gestuurd aan PEC. In deze e-mail staat onder meer het volgende vermeld:

“Na terugkomst van mijn vakantie heb ik bovenstaande facturen mogen inzien en kunnen beoordelen.

Ik wil via deze mail graag aangeven dat beide facturen in deze vorm niet geaccepteerd zullen worden.

De cashcomponent hangt samen met een minimale merchandise afname, welke tot op heden slechts
€ 19.486,02 bedragen. De maximaal tot op heden te betalen cashcomponent bedraagt derhalve slechts € 19.486,02.”

2.15.

Per e-mail van 21 september 2016 heeft PEC aan RS kenbaar gemaakt dat er bij sommige artikelen sprake is van een behoorlijke afwijking tussen de bestelde en geleverde maten.

2.16.

Op 28 november 2016 heeft [financieel manager PEC] RS een e-mail gestuurd met als onderwerp

“RE: Overzicht leveringen”. Deze e-mail luidt als volgt:

“Ik ben er mee bezig, maar doordat er andere artikelcodes zijn gebruikt in onze interne bestellijsten kan ik het niet met een formule in excel doen en moet ik ieder artikel bij langs. Heeft iets meer tijd nodig. Wel is mij al opgevallen dat er veel meer is geleverd (en dus ook gefactureerd) dan dat er is besteld.

De inkoopfacturen volgens jullie administratie sluiten wel aan met de door ons ingeboekte facturen. Ik probeer in de loop van de week een terugkoppeling te geven.”

2.17.

In een e-mail van 8 december 2016 van PEC aan RS staat onder meer vermeld:

“Wij zullen op korte termijn met een overzicht komen waaruit de verschillen in leveringen blijken”.

2.18.

Bij brief van 12 december 2016 heeft RS aan PEC kenbaar gemaakt dat er geen overeenstemming zal worden bereikt over een samenwerking vanaf het seizoen 2017/2018.

2.19.

Op 16 december 2016 heeft RS aan PEC een e-mail gestuurd waarin onder meer vermeld staat:

“Zoals besproken hebben we helaas geen bestelling ontvangen.”

2.20.

RS heeft in totaal een bedrag van € 283.730,34 inclusief btw aan PEC gefactureerd. PEC heeft de betreffende facturen onbetaald gelaten.

2.21.

RS heeft op 27 december 2016 een bedrag van € 144.135,25 en een bedrag van

€ 73.061,49 met het onder 2.20. genoemde bedrag verrekend.

2.22.

Per e-mails van 6, 8, 16 en 27 december 2016 heeft RS PEC tot betaling van de openstaande facturen gesommeerd.

2.23.

Op 13 januari 2017 heeft [financieel manager PEC] de heer [medewerker RS] , werkzaam bij RS (hierna te noemen [medewerker RS] ), een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Vanmiddag hebben wij het, samen met [commercieel directeur PEC] en Ali Arslan, telefonisch gehad over de mondeling gemaakte afspraak tijdens de bestelling voor het seizoen 2016-2017 in maart/april van 2016 vanuit het “bartercontract” tussen PEC Zwolle en Dressed4sports. Wij ( [medewerker PEC] , ik namens PEC Zwolle en jij, namens Dressed4sports) hebben destijds in een overleg op het stadion besproken dat de waarde van de “teveel/ meer bestelde kleding” vanuit de barterafspraak met Dressed4sports rond de € 40.000 lag (zie ook onderstaande mailverkeer). (…) Omdat PEC Zwolle vanuit contractafspraken ook recht heeft op een inkoopwaarde aan “merchandise”artikelen ad € 125.000 per seizoen en we op basis van de in- en verkoopervaring uit het seizoen 2015-2016 (1e contractjaar) voor 2016-2017 voor veel minder aan “merchandise” artikelen hoefden te bestellen hebben we met elkaar afgesproken dat we mochten schuiven tussen de “bartering inkoop” en de “merchandise inkoop”. Een eventuele afrekening zouden we dan aan het einde van het seizoen 2016-2017 met elkaar maken waarbij het uitgangspunt van PEC Zwolle en Dressed4sports altijd is geweest dat er over en weer geen betalingen gedaan hoefden te worden maar er alleen een verrekening van factuurbedragen plaats zou vinden (…)

Kun jij instemmen met bovenstaande uiteenzetting van (mondelinge) afspraken die we destijds gemaakt hebben?

(…)”

Nadat hij een nadere uitleg had gevraagd en ontvangen, heeft [medewerker RS] per e-mail van 13 januari 2017 bevestigd zich in de door PEC genoemde afspraak te kunnen vinden.

2.24.

Per brief van 6 februari 2017 aan RS heeft PEC de overeenkomst tussen haar en RS ontbonden en RS aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij lijdt en nog zal lijden als gevolg van deze ontbinding.

2.25.

PEC heeft met ingang van het seizoen 2017/2018 een sponsorovereenkomst gesloten met Craft.

2.26.

RS heeft in september 2017 ten laste van PEC conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Rabobank. Dit beslag is na het verstrekken van een bankgarantie door PEC opgeheven.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Na wijziging van eis vordert RS bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de ontbinding van de overeenkomst tussen RS en PEC, alsmede veroordeling van PEC tot betaling van een bedrag van € 66.533,30 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van 8% per jaar daarover vanaf 60 dagen na de factuurdata tot aan de dag der algehele voldoening, een bedrag van € 1.440,33 aan buitengerechtelijke incassokosten, een bedrag van € 1.062,56 aan beslagkosten en veroordeling van PEC in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden.

3.2.

RS legt aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. RS heeft met PEC een overeenkomst gesloten voor de levering van voetbalkleding voor het seizoen 2016/2017, waarbij de prijzen en aantallen uit de sponsorovereenkomst tussen D4S en PEC zijn gerespecteerd. RS heeft de bestelde kleding geleverd en gefactureerd aan PEC. Na aftrek c.q. verrekening van aan PEC verleende sponsoring resteert nog een bedrag van
€ 66.533,30, welk bedrag PEC weigert te betalen. PEC is vanwege dit betalingsverzuim ook rente en buitengerechtelijke incassokosten aan RS verschuldigd. De kosten van het conservatoir beslag dienen eveneens voor rekening van PEC te komen.

Voor het geval geoordeeld wordt dat op RS uit hoofde van een contractovername en/of uit hoofde van de tussen PEC en RS in maart 2016 gesloten overeenkomst een verplichting rust om tot en met 31 december 2019 kleding aan PEC te leveren, is RS vanwege het betalingsverzuim van PEC gerechtigd de ontbinding van die overeenkomst te vorderen.

3.3.

PEC voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4.

PEC vordert veroordeling van RS bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis tot betaling van een bedrag van € 105.799,66, althans een in goede justitie te bepalen bedrag aan sponsorvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Ook vordert PEC betaling van een bedrag van € 190.000,00, althans een bedrag van € 123.466,70, althans een in een goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vordert PEC veroordeling van RS in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen en te vermeerderen met de wettelijke rente bij het uitblijven van betaling binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis.

3.5.

PEC legt aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. Er is sprake geweest van een contractsoverneming en daardoor zijn alle rechten en verplichtingen van D4S ten opzichte van PEC overgegaan op RS. Op grond van de overeenkomst met D4S kan PEC jegens RS aanspraak maken op een sponsorvergoeding van € 325.000,00 exclusief btw, zijnde € 389.530,00 inclusief btw. Na verrekening van het bedrag van € 283.730,34 waarop RS aanspraak heeft gemaakt, resteert er dan ook een vordering van PEC op RS van

€ 105.799,66. Aangezien RS weigerde uitvoering te geven aan de verplichtingen uit hoofde van de tussen PEC en D4S gesloten overeenkomst, was PEC gerechtigd de overeenkomst met RS te ontbinden. PEC heeft door deze ontbinding schade geleden, nu de financiële voorwaarden van haar nieuwe kledingsponsor Craft minder gunstig zijn dan die van D4S/RS. Craft, die reeds underwearsponsor was van PEC, was namelijk niet langer bereid een underwear sponsorvergoeding van € 30.000,00 per jaar aan PEC te voldoen, zodat PEC tot en met het seizoen 2018/2019 € 60.000,00 misloopt. Craft wilde bovendien evenmin de afspraak die PEC met D4S had ten aanzien van het afnemen van merchandisekleding gestand doen, zodat PEC de door haar bestelde merchandisekleding volledig dient te voldoen aan Craft. Dit levert tot en met het seizoen 2018/2019 een extra kostenpost op van
€ 130.000,00. RS is gehouden voornoemde schadeposten aan PEC te voldoen. Voor zover in conventie geen verrekening heeft plaatsgevonden tussen de vermeende vordering van RS met de door PEC geleden schade, kan PEC in reconventie aanspraak maken op betaling van een bedrag van € 190.000,00 en voor zover deze verrekening wel heeft plaatsgehad, op betaling van een bedrag van € 123.466,70.

3.6.

RS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

4.2.

Vast staat dat RS voor het seizoen 2016/2017 kleding heeft geleverd aan PEC. Partijen verschillen echter van mening op welke contractuele basis deze leveranties hebben plaatsgehad. Volgens PEC heeft RS het contract dat PEC met D4S heeft gesloten, overgenomen en heeft RS met de aan PEC geleverde kleding uitvoering gegeven aan de verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst. RS betwist dat er sprake is geweest van contractsoverneming. Zij stelt dat met het versturen van de hiervoor onder 2.12. genoemde e-mail door PEC voor het seizoen 2016/2017 een koopovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij de prijzen en aantallen uit de sponsorovereenkomst tussen D4S en PEC zijn gerespecteerd. Volgens RS zouden partijen eind 2016 om tafel gaan om te bezien of er een nieuwe sponsorovereenkomst zou kunnen worden gesloten.

4.3.

Ingevolge artikel 6:159 lid 1 BW is voor een rechtsgeldige contractsoverneming een akte vereist, opgemaakt tussen de overdragende en overnemende partij. De noodzakelijke medewerking van de wederpartij is vormvrij.

4.4.

PEC stelt onder verwijzing naar het faillissementsverslag van D4S dat sprake is geweest van een akte als bedoeld in artikel 6:159 lid 1 BW. Zij voert daartoe aan dat D4S op 22 december 2015 een koopovereenkomst heeft gesloten waarbij alle voorraad en een aantal contacten zijn overgedragen. Volgens PEC was bij die koopovereenkomst een bijlage gevoegd waaruit kan worden afgeleid dat het contract met PEC tot de overgedragen contracten behoort en geldt de betreffende koopovereenkomst met bijlage als de voor de contractsoverneming vereiste akte.

4.5.

Uit het faillissementsverslag van D4S volgt dat de op 22 december 2015 gesloten overeenkomst een overeenkomst betreft tussen D4S en LR en dus niet tussen D4S en RS. Dit laatste is ook niet mogelijk, aangezien RS pas op 4 januari 2016 is opgericht. Voor zover bij de betreffende overeenkomst al contracten zijn overgedragen, hetgeen nergens uit blijkt, heeft met die overeenkomst dan ook geen rechtsgeldige contractsoverneming tussen D4S en RS plaatsgehad. Aangezien PEC verder geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is geweest van een rechtsgeldige contractsoverneming, gaat de rechtbank aan deze stelling van PEC voorbij en wordt ervan uitgegaan dat de tussen D4S en PEC gesloten overeenkomst niet is overgenomen door RS. Het enkele feit dat RS eind 2016 aan PEC kenbaar heeft gemaakt “helaas geen bestelling” te hebben ontvangen voor het seizoen 2017-2018 kan wat dit betreft niet tot een ander oordeel leiden.

4.6.

Nu er geen sprake is geweest van een contractsoverneming, moet het ervoor worden gehouden dat RS op basis van de op 10 maart 2016 tot stand gekomen koopovereenkomst kleding heeft geleverd aan PEC. Tussen partijen is niet in geschil dat deze kleding is geleverd op basis van de prijzen uit de “oude” sponsorovereenkomst tussen PEC en D4S.

4.7.

RS stelt dat zij voor een totaalbedrag van € 283.730,34 inclusief btw aan kleding heeft geleverd aan PEC. PEC betwist dat dit het geval is geweest. Zij voert aan dat RS enerzijds te weinig kleding heeft geleverd en anderzijds kleding heeft geleverd die niet door haar besteld is, waaronder shirts met bedrukking voor jeugdteams terwijl er niet-bedrukte shirts waren besteld. PEC heeft echter in het geheel niet toegelicht en onderbouwd welk deel van de gefactureerde kleding zij niet geleverd heeft gekregen en hoeveel shirts een verkeerde bedrukking zouden hebben gehad. Aldus heeft PEC onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij voor een totaalbedrag van € 283.730,34 inclusief btw aan kleding geleverd heeft gekregen. Weliswaar heeft PEC ter zitting aangevoerd dat het vanwege de grote hoeveelheden geleverde kleding veel tijd kost om na te gaan wat er niet klopt aan de van RS ontvangen bestellingen, maar PEC zou inmiddels toch in de gelegenheid moeten zijn om op zijn minst een globaal overzicht te verstrekken van de vermeende ontbrekende of verkeerd geleverde kleding. Dit geldt des te meer nu uit de hiervoor onder 2.16. en 2.17. genoemde

e-mails van 28 november en 8 december 2016 volgt dat PEC reeds eind 2016 doende was een dergelijk overzicht te maken. Overigens staat in de e-mail van 28 november 2016 vermeld dat er juist veel meer kleding is geleverd en gefactureerd dan besteld is. Nu PEC de door RS gestelde leveranties onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat de rechtbank aan dit verweer van PEC voorbij. Dit betekent dat ervan wordt uitgegaan dat RS inderdaad voor een bedrag van € 283.730,34 inclusief btw aan kleding heeft geleverd aan PEC.

4.8.

RS heeft een bedrag van € 144.135,25 en een bedrag van € 73.061,49 verrekend met haar vordering op PEC. Het bedrag van € 144.135,25 ziet volgens RS op de afspraak over de bartering, zoals opgenomen in artikel 3.1 van de hiervoor onder 2.6. genoemde (niet ondertekende) sponsorovereenkomst tussen D4S en PEC, welke afspraak RS blijkens haar e-mail van 9 maart 2016 jegens PEC heeft gerespecteerd. Deze afspraak hield volgens RS in dat RS de kledingpakketten zoals beschreven in bijlage III bij de tussen D4S en PEC gesloten overeenkomst zou leveren aan PEC en deze zou factureren tegen de inkooptarieven zoals opgenomen in bijlage IV bij die overeenkomst. PEC mocht vervolgens op haar beurt voor eenzelfde bedrag als de waarde van de kledingpakketten een sponsorfactuur sturen aan RS en deze factuur verrekenen met de van RS ontvangen factuur. Volgens RS is zij tot het bedrag van € 144.135,25 gekomen door de in voornoemde bijlage III genoemde aantallen te vermenigvuldigen met de in voornoemde bijlage IV genoemde tarieven. PEC heeft deze berekening op zichzelf niet weersproken, maar aangevoerd dat zij met D4S heeft besproken dat de barteringafspraak zou neerkomen op een sponsorvergoeding van € 200.000,00 exclusief btw per jaar. PEC heeft deze stelling echter niet onderbouwd en het is bovendien de vraag of RS wel aan deze vermeende afspraak met D4S is gebonden. De rechtbank gaat vanwege het ontbreken van een toelichting en onderbouwing aan de betreffende stelling van PEC voorbij. Dit betekent dat wordt uitgegaan van de juistheid van het bedrag van
€ 144.135,25.

4.9.

Wat betreft het door RS verrekende bedrag van € 73.061,49 is van belang dat PEC op grond van artikel 3.10 van de hiervoor onder 2.6. genoemde overeenkomst tussen D4S en PEC jegens D4S aanspraak kon maken op een “cashcomponent” van € 125.000,00 per jaar. Ingevolge artikel 4 van de betreffende overeenkomst stond hier een minimale afnameverplichting van merchandise-artikelen door PEC tegenover, welke verplichting voor het seizoen 2016/2017 € 125.000,00 bedroeg. De door PEC te sturen factuur inzake de cashcomponent kon worden verrekend met de van D4S ontvangen factuur voor de afnameverplichting. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van RS dat zij ook deze afspraken tussen PEC en D4S jegens PEC gestand wilde doen.

4.10.

PEC heeft niet weersproken dat zij in het seizoen 2016/2017 voor een bedrag van

€ 73.061,49 aan merchandise-artikelen bij RS heeft afgenomen, zodat hiervan zal worden uitgegaan. Dit betekent dat PEC niet aan haar minimale afnameverplichting heeft voldaan. Volgens RS kan PEC daarom geen aanspraak maken op de cashcomponent van

€ 125.000,00, maar heeft RS desalniettemin gemeend PEC te sponsoren voor het bedrag dat wèl aan merchandiseproducten is afgenomen.

4.11.

PEC stelt wat dat betreft echter dat gedurende het eerste voetbalseizoen 2015/2016 bleek dat zij niet aan de minimale afnameverplichting kon voldoen en dat zij daarom met D4S mondeling is overeengekomen dat er geschoven kon worden tussen de componenten bartering en merchandise/cashcomponent teneinde zo veel mogelijk cashneutraal te werken. PEC verwijst wat dit betreft naar het hiervoor onder 2.23. genoemde e-mailverkeer. PEC meent, zo begrijpt de rechtbank, dat ook RS aan deze met [medewerker RS] gemaakte afspraak is gebonden. RS betwist dit. Volgens RS heeft [medewerker RS] geen afwijkende afspraken gemaakt ten opzichte van het door RS gedane aanbod in de e-mail van 9 maart 2016 en was hij daartoe ook niet bevoegd.

4.12.

Uit de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie lijkt te volgen dat de met [medewerker RS] gemaakte afspraak vóór maart 2016 is gemaakt. In de hiervoor onder 2.23. genoemde e-mail van [financieel manager PEC] d.d. 13 januari 2017 staat echter vermeld dat sprake is geweest van een afspraak “tijdens de bestelling voor het seizoen 2016-2017 in maart/april van 2016”. Ter zitting is gebleken dat [medewerker RS] niet bij het gesprek d.d. 2 maart 2016 tussen PEC en RS voorafgaand aan de bestelling van PEC van 10 maart 2016 aanwezig is geweest. Ook is ter zitting gebleken dat in dat gesprek niet expliciet is gesproken over de merchandise/cashcomponent. PEC suggereert met het overleggen van het e-mailverkeer van 13 januari 2017 dat het gesprek met de heer [medewerker RS] waarin afspraken zijn gemaakt over het schuiven tussen de componenten bartering en merchandise/cashcomponent later in maart, althans in april 2016 heeft plaatsgehad. PEC heeft echter niet duidelijk gemaakt wanneer dat gesprek precies is geweest, terwijl [financieel manager PEC] ter zitting heeft verklaard dat het schuiven tussen de componenten met name in een in oktober 2016 tussen PEC en RS gevoerd gesprek aan de orde is gekomen. Voor zover dit laatste inderdaad het geval is, speelt bovendien de vraag of PEC er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [medewerker RS] bevoegd was een dergelijke afspraak namens RS te maken. [directeur RS] heeft immers ter zitting verklaard dat hij in oktober 2016 aan PEC duidelijk heeft gemaakt niet akkoord te kunnen gaan met het wegstrepen van het meerdere dat aan teamkleding besteld zou worden tegen het mindere dat aan merchandise besteld zou worden. Daarnaast geldt dat RS reeds in de hiervoor onder 2.14. genoemde e-mail van 23 augustus 2016 aan PEC kenbaar heeft gemaakt dat zij niet akkoord ging met de hoogte van de door PEC gefactureerde cashcomponent. Nu PEC aldus tegenover de gemotiveerde betwisting door RS onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de afspraak over het schuiven van de componenten (tevens) met RS is gemaakt, zal de rechtbank ook aan deze stelling van PEC voorbijgaan. Dit betekent dat PEC ten aanzien van de merchandise/cashcomponent slechts aanspraak kan maken op een bedrag van € 73.061,49.

4.13.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door RS uitgevoerde verrekeningen juist zijn en dat PEC ten onrechte meent jegens RS aanspraak te kunnen maken op een sponsorvergoeding van € 389.530,00. Het beroep dat zij ter zake van dit bedrag doet op verrekening faalt derhalve en de vordering in reconventie tot betaling van een bedrag van

€ 105.799,66 zal worden afgewezen.

4.14.

PEC beroept zich ook nog op verrekening van de vordering van RS met de door haar geleden schade als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst met RS. Aangezien er geen sprake is geweest van een contractsoverneming faalt echter ook dit beroep. De (voorwaardelijke) reconventionele vordering van PEC tot betaling van een bedrag van

€ 190.000,00, althans € 123.466,70 moet om dezelfde reden worden afgewezen.

4.15.

Nu het beroep op verrekening van PEC faalt, zal de door RS gevorderde hoofdsom van € 66.533,30 worden toegewezen. In verband met de vertraging in de betaling is de gevorderde rente eveneens toewijsbaar. Aangezien RS in de dagvaarding de hoogte van de tot en met 17 mei 2017 verschuldigde rente heeft vermeld, zal de rente worden toegewezen op de hierna te vermelden wijze.

4.16.

RS vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat RS voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal derhalve ook worden toegewezen.

4.17.

Omdat er geen sprake is geweest van een contractsoverneming en partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een samenwerking vanaf het seizoen 2017/2018, rust er op RS geen verplichting om tot en met 31 december 2019 kleding aan PEC te leveren. De vordering van RS tot ontbinding van de overeenkomst met PEC, die feitelijk een voorwaardelijke vordering betreft waarvan de voorwaarde niet is vervuld, zal daarom worden afgewezen.

4.18.

De vordering van RS tot betaling van de beslagkosten ad € 1.062,56 is als onweersproken toewijsbaar gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv. De beslagkosten worden begroot op een bedrag van € 786,56 voor verschotten (waaronder begrepen een bedrag van

€ 618,00 aan griffierecht) en € 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 894,00).

4.19.

PEC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in conventie als in reconventie. De kosten aan de zijde van RS worden in conventie begroot op:

- dagvaarding € 84,33

- griffierecht 1.306,00

- salaris advocaat 2.148,00 (2,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 3.538,33

De kosten aan de zijde van RS worden in reconventie begroot op een bedrag van € 2.402,00 aan salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 2.402,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt PEC om aan RS te betalen een bedrag van € 75.702,47, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 66.533,30 met ingang van 18 mei 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt PEC in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.680,56,

5.3.

veroordeelt PEC in de proceskosten, aan de zijde van RS tot op heden begroot op € 3.538,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt PEC in de proceskosten, aan de zijde van RS tot op heden begroot op € 2.402,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.