Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1763

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
Awb 17/2358
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging bestuurlijke boete van € 28.800,00 wegens val na afnetting container; arbeidsplaats zonder veilige staanplaats; sprake van gebrek in de RI&E van eiseres ten aanzien van het afnetten van containers; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2358

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam NV 1] , te Zwolle, eiseres,

gemachtigde: mr. S.F.J. Sluiter,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

gemachtigde: mr. A.S. Brouwer.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd.

Bij besluit van 22 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Eiseres is verschenen in de persoon van H.J. Berends, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. S. Smit.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om met elkaar in contact te treden, waarbij verweerder nadere stukken ter inzage zou krijgen om te bepalen dat bij het opleggen van de boete van het juiste aantal werknemers dat bij eiseres werkte, is uitgegaan. Partijen zouden vervolgens bezien of zij op dat punt tot overeenstemming konden komen.

Bij brief van 15 februari 2018 heeft verweerder de rechtbank een reactie toegestuurd en bij brief van 16 februari 2018 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank een nadere reactie toegestuurd. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.

Bij brieven van 16 februari 2018 en 9 april 2018 hebben eiseres en verweerder de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aan de boeteoplegging heeft verweerder het door de arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 21 september 2016 ten grondslag gelegd. Uit dit rapport, opgemaakt vanwege een melding van een arbeidsongeval op 24 juni 2016 op de locatie aan de Nijverheidsweg-Noord 35, te Amersfoort, blijkt dat de arbeidsinspecteur zijn rapport heeft gebaseerd op zijn waarnemingen gedaan tijdens zijn bezoek op 28 juni 2016, op een hem ter beschikking gestelde filmopname en op verklaringen van de regiomanager [naam 1] , verklaringen van [naam 2] , vertegenwoordiger van eiseres (hierna: [naam 2] ), en verklaringen van werknemer [naam 3] (hierna: [naam 3] ). De arbeidsinspecteur heeft vastgesteld dat [naam 3] voorafgaand aan het ongeval een 30m3 container, heeft afgenet waarbij hij op de achterzijde van de vrachtwagen stond en hij op enig moment toen hij zich verplaatste van de vrachtwagen is gevallen. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. [naam 3] is vervolgens ter observatie en behandeling in een ziekenhuis opgenomen. Het letsel bestond uit een beschadigde rugwervel en 3 gebroken uitstekende gedeeltes van zijn rugwervel(-s).

De inspecteur heeft in zijn rapport geconcludeerd dat bij het verrichten van de arbeid valgevaar bestond dat niet was tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes, werkvloer of doelmatig hekwerk, leuning of andere dergelijke voorzieningen.

Op 23 december 2016 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn voornemen om haar op grond van overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), juncto artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), zijnde een beboetbaar feit op grond van artikel 9.9b, eerste lid, onder c, van het Arbobesluit een bestuurlijke boete op te leggen van € 28.800,-.

Bij zijn primaire besluit heeft verweerder dat voornemen gestand gedaan, welk besluit bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

2. In haar beroepschrift voert eiseres – kort samengevat – aan, dat eiseres niet als overtreder kan worden aangemerkt aangezien niet zij, maar [naam NV 2] (hierna: [naam NV 2] de werkgever is. Voorts stelt eiseres dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.16, van het Arbobesluit omdat er bij het juist uitvoeren van het werk geen valgevaar bestaat, zoals bedoeld in voornoemd artikel.

Ook stelt eiseres met een beroep op artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat er geen boete kan worden opgelegd omdat de overtreding niet aan haar kan worden verweten, nu zij middels instructies, afspraken en waarschuwingsborden heeft gewezen op de veilige werkwijze. Daarnaast stelt eiseres onder verwijzing naar artikel 5:46 van de Awb en de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregel) dat de boete onevenredig is en verlaagd dient te worden. In dat verband wijst zij op haar inspanningen zoals het voorschrijven van een veilige werkwijze en het maken van een risico-inventarisatie, het scheppen van de noodzakelijke randvoorwaarden, het geven van adequate instructies en het houden van adequaat toezicht.

Tevens wijst eiseres er op dat bij haar ten tijde van de boeteoplegging geen 463 maar slechts 165 werknemers werkzaam waren, waarvan er 106 op basis van een arbeidsovereenkomst en 59 op basis van een inleencontract. Daarnaast zouden er bij [naam NV 2] 304 personen werkzaam zijn, waarvan 245 op basis van een arbeidsovereenkomst en 59 op basis van een inleencontract.

Tenslotte stelt eiseres onder verwijzing naar artikel 5:51 van de Awb dat de bestuurlijke boete niet binnen dertien weken na dagtekening van het boeterapport is opgelegd en dat die termijnoverschrijding ook tot matiging had moeten leiden.

3. Artikel 16, tiende lid, van de Arbowet bepaalt dat de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit luidt als volgt:

Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegeaan door het aanbrengen van doelmatige herkwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

Ingevolge het tweede lid is er in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

Artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit bepaalt dat als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.16, eerste lid.

7.4

van het Arbobesluit.

Volgens artikel 1, derde lid, van de Beleidsregel worden bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet, zeven categorieën normbedragen onderscheiden. Blijkens de bijlage bij die Beleidsregel betreft dit bij overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit categorie 6 met als normbedrag € 9000,--.

Volgens artikel 1, achtste lid, aanhef van de Beleidsregel zijn de in het derde lid genoemde bedragen normbedragen voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt, voor zover hier van belang, het volgende: bedrijven of instellingen met 250 tot en met 499 werknemers betalen 80 procent en bedrijven of instellingen met 100 tot en met 249 werknemers betalen 60 procent.

Volgens artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregel kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet worden de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen vermenigvuldigd met vier.

4.1

Werkgeverschap

Voorzover eiseres stelt dat zij niet als de werkgever van [naam 3] en dus niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat [naam 3] in dienst is van [naam NV 2] , stelt de rechtbank met verweerder vast dat de Arbowet een eigen definitie van het begrip werkgever hanteert.

Artikel 1 van de Arbowet verstaat onder werkgever:

1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°

Uit de door eiseres overgelegde stukken is gebleken dat [naam 3] een arbeidsovereenkomst heeft met [naam NV 2] Voorts is de rechtbank gebleken dat [naam 3] zijn werkzaamheden gewoonlijk verricht op de bedrijfslocatie van eiseres te Amersfoort. Deze locatie is dan ook voor [naam 3] aan te merken als de plaats van zijn tewerkstelling. Gebleken is dat die locatie wordt beheerd door eiseres. Gebleken is voorts dat eiseres een chauffeurshandboek heeft opgesteld die ook geldend was voor [naam 3] . Eiseres organiseert op deze locatie zogenaamde toolboxen (bijvoorbeeld over gehoorbescherming, hygiëne en voortgang PMO) en [naam 3] heeft die toolboxen bijgewoond. De rechtbank is van oordeel dat de activiteiten van [naam 3] , zoals verweerder terecht in het verweerschrift heeft gesteld, verband hielden met de activiteiten van eiseres en [naam 3] kreeg ook zijn instructies en persoonlijke beschermingsmiddelen van eiseres. Gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid van de Arbowet, is eiseres dan ook terecht als werkgever en dus in beginsel als overtreder, aangemerkt.

4.2

Overtreding

Voor zover van de zijde van eiseres is aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding omdat de arbeid niet werd verricht zoals die is voorgeschreven door de werkgever, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het gaat om de arbeid zoals die feitelijk werd verricht. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de werknemer feitelijk de werkzaamheden, bestaande uit het handmatig afnetten van een 30m3 afvalcontainer, verrichtte terwijl hij op de achterzijde van een vrachtwagen stond, met roestvrijstalen spatborden bij de achterwielen, die middels een ronde stang aan het chassis waren bevestigd. Daarachter bevond zich een stalen koker waarop verlichting was aangebracht en over de gehele breedte van de vrachtwagen een stalen bumper. Voorts was er in het midden van de vrachtwagen een kettingsysteem aanwezig met aan weerszijden stalen rollen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat daarbij sprake is van een arbeidsplaats zonder veilige staanplaats, waarbij het gevaar aanwezig was dat de werknemer bij de werkzaamheden ten val kon komen. Daarbij was sprake van risicoverhogende omstandigheden zoals het gevaar te vallen op of langs die uitstekende delen van de vrachtwagen en een naast de afvalcontainer en de vrachtwagen aanwezige, circa 20 centimeter hoge stoeprand en een stalen hek.

De overtreding staat derhalve vast, aangezien aan de materiële voorwaarden van het artikel is voldaan.

Dit levert een aan eiseres toe te rekenen overtreding op van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, gelezen in verbinding met artikel 3.16, eerste en tweede lid, van het Arbobesluit.

4.3

Verwijtbaarheid

De rechtbank stelt vast dat artikel 3.16, eerste en tweede lid, van het Arbobesluit, geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt te maken valt, zal dat door hem aannemelijk moeten worden gemaakt.

Eiseres meent dat haar geen boete kan worden opgelegd vanwege het geheel ontbreken van verwijtbaarheid. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet gebleken is dat eiseres zich bewust is geweest van de risico’s die kunnen bestaan bij het afnetten van de 30m3 container terwijl men op de achterkant van de vrachtwagen staat. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat die risico’s voorzienbaar zijn. Dat verweerder zich van die risico’s niet (voldoende) bewust is geweest blijkt in elk geval al uit het feit dat de heer [naam 5] , de terreinbeheerder, niet heeft ingegrepen toen eiser handmatig de afnetwerkzaamheden vanaf de vrachtwagen verrichtte.

Nu niet is gebleken dat eiseres zich bewust is geweest van die risico’s kan niet worden gezegd dat eiseres geen enkel verwijt is te maken.

4.4

Onevenredigheid van de boete

Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van voormelde bepalingen van de Arbowet en het Arbobesluit om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Het bestuursorgaan moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Verweerder kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval worden beoordeeld of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

De rechtbank acht het beleid van verweerder zoals neergelegd in de Beleidsregel op zichzelf niet onredelijk, nu daarin ten aanzien van de hoogte van de boete wordt gedifferentieerd naar de ernst van de overtreding, de omvang van de onderneming of instelling en de gevolgen van de overtreding.

In dit verband wijst de rechtbank er op dat volgens de tabel opgenomen in de Bijlage behorend bij het Besluit overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Besluit overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Besluit wordt aangemerkt als een Zware Overtreding (hierna: ZO). Volgens de in de tabel aangegeven voetnoot luidt de ZO: “Het werken op hoogte van meer dan 2.50 meter waarbij geen of onvoldoende voorzieningen zijn getroffen tegen vallen (lid 1). N.B.: Indien het valgevaar gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan kan er, afhankelijk van de toename van het risico, ook bij geringere werkhoogte sprake zijn van een ZO”.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval in redelijkheid op basis van zijn Beleidregel aangemerkt als een ZO waaraan de Categorie normbedrag 6 is verbonden.

Voorts staat vast dat [naam 3] als gevolg van het arbeidsongeval is opgenomen in het ziekenhuis. Deze omstandigheid leidt volgens artikel 1, tiende lid, aanhef en sub b, tot een verhoging van de boete met een factor 4.

Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, zijn beleid in zoverre op correcte wijze toegepast.

4.4.1

Voor wat betreft het aantal werknemers waarvan verweerder is uitgegaan heeft eiseres er terecht op gewezen dat verweerder is uitgegaan van het aantal werknemers ‘ten tijde van het arbeidsongeval’ terwijl op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling ) van 22 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3217) het moment van de boeteoplegging bepalend is. Eiseres meent dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd onderzoek te doen naar het aantal werknemers van eiseres ten tijde van het besluit in primo. Verweerder had niet zonder meer af mogen gaan op het aantal werknemers dat [naam 2] heeft genoemd.

De rechtbank is het volgende van oordeel. Uit de uitspraak van de Afdeling waaraan eiseres heeft gerefereerd blijkt dat verweerder in beginsel voor het vaststellen van het aantal werknemers uit mag gaan van hetgeen de werkgever daarover ten overstaan van de inspecteur heeft verklaard, zoals is vermeld in de toelichting bij artikel 1, achtste lid, van de Beleidsregel (Stcrt. 2012, 24962). Voorts heeft de Afdeling overwogen dat zij dit artikellid aldus verstaat dat, indien tussen het tijdstip waarop de werkgever zijn verklaring heeft afgelegd en het moment van boeteoplegging het aantal werknemers is verminderd, de minister bij de boeteoplegging van dat aantal dient uit te gaan. In de toelichting is immers vermeld dat de matiging van de boetenormbedragen naar bedrijfsgrootte met name is bedoeld om tot een evenredige boete te komen, waarbij kleine(re) bedrijven minder hoeven te betalen dan grotere bedrijven.

In genoemde uitspraak leest de rechtbank voorts dat de werkgever nadat hij tegen de arbeidsinspecteur het voor hem werkzame aantal werknemers heeft genoemd er vervolgens in de gehele gevoerde procedure op heeft gewezen dat hij ten tijde van de boeteoplegging een geringer aantal werknemers in dienst had. Ook in de zienswijze had hij daar al op gewezen.

In het onderhavige geval heeft eiseres eerst in beroep het standpunt ingenomen dat ten tijde van het boetebesluit de aantallen werknemers bij zowel haar als bij [naam NV 2] aanzienlijk afweken van de aantallen (genoemd door [naam 2] ) waarvan verweerder is uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank had het, mede gelet op de omstandigheid dat verweerder in beginsel mag afgaan op de door eiseres tegenover de arbeidsinspecteur afgelegde verklaring, aldus op de weg van eiseres gelegen om in het kader van de zienswijzemogelijkheid dan wel in het kader van het bezwaar deze grote afwijkingen naar voren te brengen. Eiseres heeft dat niet gedaan. Verweerder behoefde ook niet bedacht te zijn op de door eiseres genoemde grote afwijkingen (in 7 maanden tijd een inkrimping van haar werknemersbestand van 463 naar 163 werknemers) nu gesteld noch is gebleken van (grote) wijzigingen in de bedrijfsvoering. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van de gegevens uit kunnen gaan waarvan hij is uitgegaan, te weten 463 werknemers bij eiseres.

Daarbij zij nog opgemerkt dat het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel vervaardigd op 27 juni 2016 onvoldoende is om de gestelde wijzigingen te onderbouwen. Ook de na zitting door eiseres aan verweerder, met het oog op het bereiken van een vergelijk op dit punt tussen beide partijen, verstrekte informatie, heeft niet de gewenste duidelijkheid gebracht over het werkelijke aantal werknemers van eiseres.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft mogen uitgaan van de namens eiseres aan de arbeidsinspecteur verstrekte informatie.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een werknemersbestand van 463 werknemers, hetgeen leidt tot een normbedrag van

€ 9.000,--.

4.4.2

Eiseres stelt zich vervolgens op het standpunt dat de boete tot nihil, althans ingrijpend, moet worden gematigd. Daarbij brengt eiseres naar voren, dat voldaan wordt aan de daarvoor in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel opgenomen onderdelen, die elk een matiging van 25% rechtvaardigen. In dat verband heeft eiseres gesteld dat:

- de risico’s voldoende zijn geïnventariseerd en er een veilige werkwijze is ontwikkeld;

- de noodzakelijke randvoorwaarden voor het toepassen van een veilige werkwijze zijn

gecreëerd;

- er adequate instructies zijn gegeven, en

- er adequaat toezicht is gehouden.

Verweerder heeft beoordeeld of er aanleiding bestaat tot een matiging op grond van de in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel genoemde matigingsfactoren en geconcludeerd dat daarvoor geen aanleiding bestaat.

Veilige werkwijze

Ten aanzien van de eerste matigingsgrond van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel is de rechtbank gebleken dat eiseres in het chauffeurshandboek heeft voorgeschreven dat het afnetten vanaf de grond dient te gebeuren met hulpmiddelen. Eiseres heeft deze werkwijze evenwel alleen voorgeschreven voor het afnetten van containers met een inhoud van 40 m3. Voor het afnetten van containers met een inhoud van 30 m3 heeft eiseres niet in het chauffeurshandboek noch op enige andere plek schriftelijk vastgelegd hoe dat veilig dient te geschieden. Dat, zoals eiseres heeft gesteld, duidelijk moge zijn dat ook het afnetten van containers met een inhoud van 30 m3 op gelijke wijze dient te geschieden, heeft zij echter niet onderbouwd. Vastgesteld dient te worden dat bij betrokkenen deze duidelijkheid blijkbaar niet heeft bestaan.

Bovendien blijkt uit de verklaringen van de heren [naam 1] , [naam 5] en [naam 2] dat zij in eerste instantie alleen als veilige werkwijze het gebruik van twee stangen en een rol, waarvoor twee personen nodig zijn, hebben vermeld. Zij hebben toen de eerst in bezwaar genoemde veilige werkwijze met een verlengde stok, die door één persoon kan worden gehanteerd, niet als veilige werkwijze genoemd.

Eiseres heeft er voorts op gewezen dat bij de entree van het afvalstation een bord is geplaatst met de mededeling dat het afnetten van containers alleen is toegestaan met de daarvoorbedoelde hulpmiddelen. Eiseres meent dat daaruit kan worden afgeleid dat het afnetten van alle containers dient te geschieden met de daarvoorbedoelde hulpmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat uit de algemene mededeling op het genoemde bord niet de noodzakelijke duidelijkheid blijkt, nu daaruit niet zonder meer blijkt welke hulpmiddelen en welke werkwijze men voor ogen heeft en of daarmee ook beoogd is aan te geven dat ook het afnetten van een 30m3 container vanaf de grond moet gebeuren. Die onduidelijkheid wordt bevestigd door het feit dat meerdere werknemers hebben verklaard dat zij het afnetten van een 30m3 container vanaf de achterkant van de vrachtwagen doen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een gebrek in de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) van eiseres ten aanzien van het afnetten van containers met een andere inhoud dan 40m3. Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de boete op deze grond te matigen.

Noodzakelijke randvoorwaarden

Ten aanzien vande tweede matigingsgrond stelt de rechtbank vast dat volgens de toelichting op het gewijzigde artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel onder randvoorwaarden onder meer wordt verstaan het ter beschikking stellen van voor de arbeid deugdelijke arbeidsmiddelen en – indien noodzakelijk – doeltreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, waarbij de werkgever eveneens zorg ervoor draagt dat deze middelen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt. Voor zover van de zijde van eiseres in dit verband is gewezen op de aanwezigheid van afnetstokken, een rol en stangen, is daarmee nog niet gezegd dat de werkgever er ook zorg voor heeft gedragen dat deze hulpmiddelen daadwerkelijk aanwezig waren en overeenkomstig hun bestemming werden gebruikt. Uit de verklaring van [naam 3] blijkt immers dat deze de hulpmiddelen niet heeft aangetroffen. Het beroep van eiseres op de tweede matigingsgrond treft dan ook evenmin doel.

Adequate instructies

Ten aanzien van de vraag of er reden is voor matiging op de derde matigingsgrond, omdat er adequate instructies zijn gegeven, heeft eiseres er op gewezen dat [naam 3] heeft verklaard dat hem wel is verteld dat het plaatsen van een afdeknet niet vanaf de vrachtwagen, maar vanaf de grond dient plaats te vinden.

De rechtbank is daarnaast ook gebleken dat [naam 3] heeft verklaard dat die werkwijze met een stang niet mogelijk is als de auto ervoor moet worden geplaatst en de stang bovendien niet aanwezig is.

De rechtbank is van oordeel dat er eerst sprake is van een adequate instructie als deze ook in de praktijk kan worden uitgevoerd. Uit hetgeen [naam 3] heeft verklaard is daarvan geen sprake geweest.

Daarbij komt dat [naam 5] , de terreinbeheerder, heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van een instructie dat een 30m3 container niet vanaf de vrachtwagen mag worden afgenet. Het beroep op deze matigingsgrond faalt daarom eveneens.

Adequaat toezicht

Het beroep van eiseres op de vierde matiginsggrond kan evenmin slagen. De rechtbank overweegt dat het enkel aanwezig zijn van een toezichthouder nog niet maakt dat er adequaat toezicht is geweest. Dit geldt te meer omdat de terreinbeheerder heeft aangegeven dat hij zelf niet op de hoogte was van het verbod om een 30m3 container vanaf de vrachtwagen af te netten en dat hij ook geen opmerkingen maakt als dat wel gebeurt.

Verweerder heeft terecht opgemerkt dat nu niet aannemelijk is geworden dat een veilige werkwijze was ontwikkeld en adequate instructies waren gegeven, niet kan worden vastgesteld dat het toezicht juist was.

Eiseres heeft haar in beroep aangevoerde matigingsgrond “strijd met het bepaalde in artikel 5:51 van de Awb” ter zitting niet langer gehandhaafd.

4.5

De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder op goede gronden aan eiseres een boete heeft opgelegd van € 28.800,--, dat deze boete evenredig is en dat verweerder die boete bij het bestreden besluit op goede gronden heeft gehandhaafd.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.