Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1701

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
ak_zwo_18 _ 604
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Thans niet gebleken van zodanige geuroverlast dat gesteld kan worden dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde vergaande voorlopige voorziening (na beëindigen begunstigingstermijn niet langer toegestaan kalveren te slachten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/163 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/604

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Aannemersbedrijf Hoek & Zn. B.V. e.a., te Tubbergen, verzoekers,

gemachtigde: mr. J. van Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder,

gemachtigde: S.J.M. Kuipers-Wigbold.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam BV] te [vestigingsplaats] ,

Gemachtigde: [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam BV] (hierna: [naam 1] ) een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij vóór 15 april 2018 de slachtcapaciteit moet hebben teruggebracht naar maximaal 540 vleeskalveren per week.

Hieraan heeft verweerder een dwangsom verbonden van € 10.000,- per wekelijkse constatering dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 100.000,-.

Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers op 29 maart 2018 bezwaar gemaakt. Eveneens per brief van 29 maart 2018 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een zodanige voorziening te treffen inhoudende dat [naam 1] na het beëindigen van de begunstigingstermijn niet langer is toegestaan kalveren te slachten. Primair vanwege het ontbreken van een titel voor het slachten van kalveren en subsidiair vanwege het overtreden van de in het bezwaarschrift genoemde voorschriften.

Verweerder heeft bij besluit van 12 april 2018, de begunstigingstermijn met één week verlengd naar 23 april 2018.

Voorts heeft verweerder de rechtbank bij schrijven van 17 april 2018 een verweerschrift en een aantal nadere stukken doen toekomen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 mei 2018. Verzoekers zijn verschenen in de personen van H.J. Huiskes en D.G.M. Huiskes (namens Bouwgroep Huiskes B.V.),

S.G.J. Schrooten (namens Brokers Kunststoffen B.V.), M.H.H. Mensink (namens Mensink Autoschadeherstel B.V.), R. Weusthof (namens Weusthof Staalconstructies B.V.),

R.H. Hiddink en R.A.M. Hoek (beiden als omwonenden), allen bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Aalders, bijgestaan door verweerders gemachtigde.

Derde-partij is niet verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter aangegeven dat op 17 mei 2018 om 10 uur mondeling uitspraak wordt gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om [naam 1] niet langer toe te staan om kalveren te slachten. Ter beoordeling ligt voor of er aanleiding bestaat deze vergaande voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is vereist dat er sprake is van een spoedeisend belang van verzoekers bijvoorbeeld in de zin van onaanvaardbare overlast..

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam 1] een slachterij exploiteert aan de [gemachtigde] te [plaats 1] welke locatie is gelegen binnen industrieterrein De Haar.

Bij revisievergunning van 29 september 2006 is aan haar rechtsvoorganger [naam 2] een milieuvergunning verleend voor kort gezegd het slachten van 25 varkens en 10 runderen per uur gedurende 18 uur per week.

Naar aanleiding van een door [naam 1] ingediende aanvraag heeft verweerder bij omgevingsvergunning van 20 juli 2016 een omgevingsvergunning verleend voor het milieu-neutraal wijzigen van de bedrijfsvoering naar het slachten van 30 vleeskalveren per uur, gedurende 18 uren per week. (540 kalveren per week) Hiertegen zijn geen bezwaren ingediend, zodat die vergunning rechtens onaantastbaar is geworden.

Bij een, naar aanleiding van klachten van omliggende bedrijven c.q. omwonenden, op 29 juni 2017 door verweerder gehouden controle is gebleken dat het bedrijf zich op een twaalftal punten niet aan de regelgeving hield. Nadien is gebleken dat inmiddels een zestal punten (gedeeltelijk) was verholpen, maar dat nog steeds sprake was van een bedrijfssituatie die

op bepaalde punten afweek van de hiervoor genoemde vergunningen. Aangegeven is dat verweerder in beginsel handhavend kan optreden en dat [naam 1] , indien zij de gewijzigde bedrijfssituatie wil laten legaliseren, daartoe een aanvraag dient in te dienen bij verweerder.

Bij schrijven van 31 januari 2018 heeft [naam 1] in verband met plannen tot uitbreiding van bedrijfsactiviteiten naar het gedurende 5 werkdagen van 8 uur slachten van 1500 kalveren per week, een aanvraag bij verweerder ingediend voor het wijzigen van de omgevingsvergunning.

Op 1 februari 2018 heeft verweerder naar aanleiding van een tiental in januari 2018 ontvangen klachten c.q. verzoeken om handhavend op te treden, wederom een controle uitgevoerd bij [naam 1] waarbij is geconstateerd dat er sprake was van niet vergunde activiteiten.

Bij brief van 13 februari 2018 heeft verweerder die afwijkingen benoemd en aangegeven dat de door [naam 1] ingediende aanvraag door de regionale uitvoeringsdienst Twente zal worden getoetst om te bezien of er voldoende informatie is verstrekt en of de gewijzigde bedrijfssituatie kan worden gelegaliseerd. Daarbij is aangegeven dat er niet handhavend zal worden opgetreden zolang er zicht op legalisatie is.

Naar aanleiding van herhaalde verzoeken om handhavend op te treden tegen de overlast die men ondervindt van de bedrijfsvoering van [naam 1] , heeft verweerder [naam 1] per brief van

22 februari 2018 meegedeeld voornemens te zijn om haar op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- ineens te gelasten haar de slachtcapaciteit vóór 15 april 2018 terug te brengen naar de vergunde maximaal 540 vleeskalveren per week.

Tegen dit voornemen heeft RBK Milieu Advies bv op 2 maart 2018 namens [naam 1] een zienswijze ingediend. Namens verzoekers heeft mr. J. van Groningen op 8 maart 2018 een zienswijze annex aanvullend handhavingsverzoek ingediend.

Na herhaalde controles bij het bedrijf van [naam 1] op 14 maart en 15 maart 2018 heeft verweerder bij besluit van 20 maart 2018 een last onder dwangsom opgelegd inhoudende

dat [naam 1] vóór 15 april 2018 de slachtcapaciteit moet hebben teruggebracht naar maximaal 540 vleeskalveren per week en daaraan een dwangsom verbonden van € 10.000,- per wekelijkse constatering dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 100.000,-.

Verzoekers hebben tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.

5. Verzoekers stellen dat het [naam 1] niet is toegestaan om kalveren te slachten omdat de omgevingsvergunning milieuneutraal veranderen van 20 juli 2016 geen betekenis toekomt omdat er, in tegenstelling tot het met die vergunning beoogde doel, geen sprake zou zijn van een milieuneutrale verandering.

Verzoekers stellen met name dat zij onaanvaardbare stankoverlast ondervinden van de bedrijfsvoering van [naam 1] . De eerder eveneens gestelde parkeeroverlast is, naar ter zitting van de zijde verzoekers is bevestigd, inmiddels verholpen.

Verzoekers hebben hun verzoek grotendeels gebaseerd op de door hen ondervonden geuroverlast en van de aanvankelijk gestelde geluidsoverlast.

6.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers hun stelling dat de mest van

grote hoogte in een open container wordt gedumpt en de door hen ervaren geuroverlast,

niet objectief verifieerbaar hebben onderbouwd. Daartegenover staat dat verweerder blijkens de ingezonden rapporten van de controleurs, tijdens meerdere controles heeft geconstateerd dat de mestopslag en afvoer thans middels een gesloten systeem gebeurd en dat door de controleurs tijdens hun controles ook geen geuroverlast is waargenomen. Voorts is door verweerder een indicatieve geuremissieberekening gemaakt, waaruit blijkt dat er ten opzichte van de in 2006 verleende omgevingsvergunning geen negatieve gevolgen zijn.

Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat [naam 1] in een brief van 10 april 2018 heeft aangegeven vanaf begin mei 2018 voorlopig helemaal geen kalveren meer te slachten en enkel nog als noodslachterij in bedrijf te zijn en dan voor langere tijd niet meer dan 60 kalveren per week zal slachten. Van de zijde van verzoekers is ter zitting gesteld dat het momenteel inderdaad rustig is en dat zij geen probleem hebben met het slachten van 60 kalveren per week.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat er thans sprake is van een zodanige geuroverlast dat gesteld kan worden dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

6.2

Ook de aangevoerde geluidsoverlast leidt gelet op de door verweerder verrichte geluidsmetingen, niet tot een dermate overlast dat het treffen van een voorlopige voorziening is vereist. Uit de controlerapporten blijkt dat er tussen de geluidsgevoelige woningen aan de Edisonstraat nummers 3, 11 en 13, en [naam 1] verschillende bedrijfsgebouwen staan en dat er binnen de slachterij geen processen en installaties in werking zijn die geluidsoverlast veroorzaken en dat ter plaatste van die woningen ook geen activiteiten hoorbaar waren die van de slachterij afkomstig waren.

Ook de overige door verweerder geconstateerde nog aanwezige overtredingen, zoals de aanwezigheid van een aantal niet vergunde bouwwerken, waarover verweerder binnenkort een besluit zal nemen om al dan niet tot handhaving over te gaan, leiden niet tot een dermate overlast dat verzoekers belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

6.3

Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook geen aanleiding.

Dit zou slechts anders zijn indien het bestreden besluit evident onjuist zou zijn. Dat is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval.

6.4

Voor zover verzoekers stellen dat er geen sprake is van een milieu neutrale wijziging is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij een rechtsmiddel hadden moeten instellen tegen de vergunning van 20 juli 2016. Nu zij dat niet hebben gedaan en die vergunning rechtens onaantastbaar is geworden kon verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter er van uitgaan dat de daarbij vergunde slacht van 540 kalveren per week milieu neutraal is.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.