Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1667

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
08/955012-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 22-jarige man tot een geldboete van 500 euro voor onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag op de N50, waardoor hij met zijn vrachtauto op een file is ingereden. Daarnaast legt de rechtbank de man een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/955012-17 (P)

Datum vonnis: 17 mei 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 mei 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. ten Velde en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. Th.H. Meeuwis, advocaat in Dronten, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een vrachtauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor aan een ander, [slachtoffer] , lichamelijk letsel is toegebracht dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Primair

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Kampen in de gemeente Kampen, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto,

vrachtauto), gaande in de richting Zwolle, daarmede rijdende over de weg, de

N50

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor hem, verdachte uit op die weg (de N50) zich een file, bestaande

uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevond,

niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het

direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg, de N50 en/of

in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig

(bedrijfsauto, vrachtauto) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij,

verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto)tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (N50)

kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur, althans met nagenoeg die

snelheid de voor hem, verdachte zich op die weg, (N50) bevindende file is

ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem uit op

die weg (N50) langzamer rijdend en/of stilstaand ander motorrijtuig

(personenauto, merk Suzuki) en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat

door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto) dat

andere motorrijtuig (personenauto, merk Suzuki)in botsing is gekomen met een

ander motorrijtuig (personenauto, merk Fiat) en/of

dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Fiat) is gebotst of in aanrijding

is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig (personenauto,

merk Ford )en/of

dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Ford) is gebotst of in aanrijding

is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig (personenauto,

merk Renault) en/of

dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Renault) is gebotst of in

aanrijding is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig

(personenauto, merk Mercedes),

althans botsingen of aanrijdingen tussen één of meer andere motorrijtuigen

zijn ontstaan

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te

wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander

(genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel

werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening genaamd van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Kampen in de gemeente Kampen, als

bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto), gaande in de

richting Zwolle, daarmede heeft gereden over de weg, de N50

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor hem, verdachte uit op die weg(de N50) zich een file, bestaande

uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevond,

in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig

(bedrijfsauto, vrachtauto) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij,

verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto)tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (N50)

kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur, althans met nagenoeg die

snelheid de voor hem, verdachte zich op die weg, (N50) bevindende file is

ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem uit op

die weg (N50) langzamer rijdend en/of stilstaand ander motorrijtuig

(personenauto, merk Suzuki) en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat

door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto) dat

andere motorrijtuig (personenauto, merk Suzuki)in botsing is gekomen met een

ander motorrijtuig (personenauto, merk Fiat) en/of

dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Fiat) is gebotst of in aanrijding

is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig (personenauto,

merk Ford )en/of

dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Ford) is gebotst of in aanrijding

is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig (personenauto,

merk Renault) en/of

dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Renault) is gebotst of in

aanrijding is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig

(personenauto, merk Mercedes),

althans botsingen of aanrijdingen tussen één of meer andere motorrijtuigen

zijn ontstaan,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 2 november 2016 vindt een kettingbotsing plaats op de N50, waarbij zes voertuigen betrokken zijn. De bestuurder van het achterste voertuig dat bij deze botsing is betrokken, zijnde een vrachtauto, wordt als verdachte van dit ongeval aangemerkt. Alle voertuigen kwamen uit de richting van Emmeloord en reden in de richting van Zwolle. Op enig moment is ter hoogte van de afslag Flevoweg in Kampen plotseling een file ontstaan. Doordat verdachte zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen, is hij op de file ingereden en tegen het achterste voertuig in de file gebotst, zijnde een Suzuki Swift. Door de kracht en inwerking van deze botsing zijn uiteindelijk nog vijf botsingen ontstaan. De bestuurster van de Suzuki Swift, [slachtoffer] , heeft ernstige verwondingen opgelopen en is in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij stelt daartoe dat verdachte op meerdere momenten onoplettend is geweest en onvoldoende afstand heeft gehouden van het voertuig dat voor hem reed.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals verwoord in zijn pleitnota, zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt van het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Hij betoogt daartoe dat bij verdachte sprake is geweest van tijdelijke onoplettendheid, maar dat dit volgens de Hoge Raad nog geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 hoeft op te leveren. De raadsman voert aan dat voor het subsidiair ten laste gelegde feit wel voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, waaronder de verklaring van zijn cliënt.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De vraag die voorligt is of verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft aan het verkeersongeval. Dat is meer dan eenvoudige schuld. Van schuld in de zin van voormeld artikel is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Volgens vaste jurisprudentie komt het bij de beoordeling van deze schuldvraag aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het viaduct op reed en even van zich afkeek naar links en rechts en dat hij, toen hij naar voren keek, zag dat het verkeer stilstond. De rechtbank overweegt dat uit deze verklaring van verdachte volgt dat sprake is geweest van een moment van onoplettendheid. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan de rechtbank niet vaststellen dat dit langer is geweest dan een enkel moment. Een dergelijk moment van onoplettendheid is niet zonder meer als aanmerkelijke schuld in de zin van de Wegenverkeerswet te kwalificeren. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist, die in deze zaak niet zijn komen vast te staan. Het is juist dat verdachte op enig moment – terwijl hij zijn voertuig bestuurde – WhatsAppberichten heeft verstuurd, zoals de officier van justitie heeft betoogd. Het tijdsverloop tussen het versturen van deze berichten en het ongeval is echter dusdanig groot dat er geen sprake is van een causaal verband tussen die twee gebeurtenissen. Het versturen van de berichten kan daarom niet bijdragen aan het bewijs voor de schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken, nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan het ongeval heeft gehad.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

  • -

    het proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 6 december 2016 (p. 2-9);

  • -

    het proces-verbaal van verkeersongevalsanalyse d.d. 30 november 2016 (p. 12-38);

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 2 november 2016 (p. 64-68).

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

Subsidiair

hij op 2 november 2016 te Kampen in de gemeente Kampen, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), gaande in de richting Zwolle, daarmede heeft gereden over de N50, terwijl voor verdachte uit op die weg zich een file, bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevond, in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van die door verdachte bestuurde vrachtauto op zodanige wijze heeft geregeld dat hij in staat was die vrachtauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur, op de zich op die weg bevindende file is ingereden en is gebotst tegen een personenauto, merk Suzuki, en waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing met de vrachtauto de Suzuki in botsing is gekomen met een personenauto, merk Fiat, en die Fiat is gebotst tegen een personenauto, merk Ford en die Ford is gebotst tegen een personenauto, merk Renault, en die Renault is gebotst tegen een personenauto, merk Mercedes, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

de overtreding:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van één jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht dat de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel rekening houdt met het feit dat zijn cliënt een first offender is en ook met het bepaalde in de richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval en daarnaast ook met het gegeven dat zijn cliënt zijn vrachtwagenrijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft, terwijl hij zich als bestuurder van een vrachtauto op de N50 bevond, niet tijdig de voor hem plotseling ontstane file opgemerkt. Doordat verdachte niet constant lette op het verkeer dat voor hem reed, is hij niet in staat gebleken zijn vrachtauto tijdig tot stilstand te brengen. Hierdoor is hij met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur ingereden op de zich voor hem bevindende file. Als gevolg hiervan is een kettingbotsing ontstaan, waarbij in totaal zes voertuigen betrokken waren. Door de botsing heeft [slachtoffer] , de bestuurster van de Suzuki Swift, zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij heeft, zo leest de rechtbank in het dossier, een lange herstelperiode gehad en ondervindt nog steeds rugklachten als gevolg van het ongeval.

De rechtbank overweegt dat bij de strafoplegging slechts in beperkte mate rekening moet worden gehouden met de ernst van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout. De op te leggen straf en maatregel dient vooral ook in verhouding te blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de verkeersfout een misdrijf oplevert en moet er in de strafmaat rekening mee worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van niet meer dan een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 is gemaakt.

Bij haar beslissing houdt de rechtbank rekening met het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 19 maart 2018, waaruit blijkt dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Daarnaast valt het verdachte te prijzen dat hij kort na het ongeval contact heeft opgenomen en onderhouden met het slachtoffer. De rechtbank merkt nog wel op dat zij, gelet op hoe verdachte zich ter terechtzitting heeft gemanifesteerd, niet geheel de indruk heeft gekregen dat hij zich bewust is van de door hem gemaakte verkeersfout. Verdachte kon bijvoorbeeld niet uitleggen waarom hij de eerder op die ochtend door hem verstuurde WhatsAppberichten direct na het ongeval had verwijderd. Tevens verklaarde verdachte – na het raadplegen van zijn raadsman – dat hij zich niet schuldig achtte aan het ongeval. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet zijn volle verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn rijgedrag.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een geldboete van € 500,- passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van drie jaren, om te bevorderen dat verdachte extra oplettend is in het verkeer.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a en 24c Sr en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;

maatregel

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 (vier) maanden, die niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en

mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie, eenheid Oost-Nederland, district IJsselland met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.