Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1621

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
ak_17_2316
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na intrekking WAO is 12 jaar onverschuldigd doorbetaald; alsnog terugvordering van € 191.755,61; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2316

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.G.J. Spiekker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M.A. Kuilderd.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij over de periode van 23 november 2004 tot en met 30 september 2016 ten onrechte een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen. Zij moet een bedrag € 191.755,61 terugbetalen.

Bij separate besluiten van 7 maart 2017 (de primaire besluiten II, III en IV) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld op welke wijze zij de (totale) vordering moet voldoen.

Bij besluit van 18 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan eiseres is met ingang van 20 augustus 1986 een uitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet en de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder in het besluit van 23 september 2004 aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 23 november 2004 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering.

Naar aanleiding van op 3 juli 2016 en 13 september 2016 binnengekomen anonieme meldingen heeft de inspecteur van de Directie Handhaving van verweerder onderzoek verricht in verband met het vermoeden dat de WAO-uitkering, ondanks de beëindiging per 23 november 2004, tot oktober 2016 maandelijks is uitbetaald. In dat kader heeft de inspecteur de Basisregistratie Personen, Suwinet en jaaropgaven geraadpleegd. Verder heeft de inspecteur met meerdere getuigen gesproken. De inspecteur heeft de onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapportage van 22 december 2016.

Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hiervoor in de rubriek ‘Procesverloop’ uiteen is gezet.

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres bij besluit van 23 september 2004 is meegedeeld dat haar WAO-uitkering per 23 november 2004 wordt ingetrokken, maar dat de uitkering desondanks maandelijks tot en met september 2016 is doorbetaald. Eiseres heeft volgens verweerder over de periode van 23 november 2004 tot en met 30 september 2016 een bedrag van bruto € 191.755,61 ontvangen zonder dat zij daar recht op had. Dit bedrag moet zij terugbetalen. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, aldus verweerder.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat – samengevat weergegeven – verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat zij al vanaf 2004 wist dat zij geen recht meer zou hebben op een WAO-uitkering. Verweerder baseert zich ten onrechte op de getuigenverklaringen, omdat uit deze verklaringen niet volgt dat eiseres altijd heeft geweten dat de WAO-uitkering ten onrechte aan haar werd uitbetaald. Verder kunnen er twijfels worden geuit ten aanzien van het waarheidsgehalte van deze verklaringen, omdat de getuigen met eiseres verwikkeld zijn in een procedure over de erfenis van haar overleden echtgenoot. Eiseres benadrukt dat zij pas ná het overlijden van haar man, bij het opruimen van de administratie eind 2015, begin 2016, bekend werd met de brief waarin werd meegedeeld dat zij geen recht meer had op een WAO-uitkering. Ook nadat eiseres de brief had gevonden, bestond er voor haar geen aanleiding om te veronderstellen dat verweerder een fout had gemaakt, omdat het onvoorstelbaar is dat er meer dan twaalf jaar lang ten onrechte een uitkering wordt uitbetaald. In dit verband beroept eiseres zich op verjaring, omdat van haar niet verwacht mag worden dat zij verweerder al in 2004 op deze fout had moeten wijzen. Eiseres stelt verder dat het de verantwoordelijkheid van verweerder is om de systemen op orde te hebben en er op toe te zien dat er geen fouten worden gemaakt. Dit heeft verweerder nagelaten en de gevolgen daarvan komen voor rekening van verweerder, aldus eiseres.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De terugvordering van de teveel betaalde WAO-uitkering vindt haar grondslag in artikel 57, eerste lid, van de WAO. Dit artikel bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit tot herziening of intrekking onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, verweerder kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 57a, eerste lid, van de WAO bepaalt dat verweerder de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 57, eerste en tweede lid, kan invorderen bij dwangbevel.

In artikel 57b van de WAO is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. Deze regels zijn vastgesteld in de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (Regeling).

4.2

Niet in geschil is dat de uitkering die eiseres ontving sinds 23 november 2004 onverschuldigd is betaald. Verweerder is, gelet op artikel 57, eerste lid, van de WAO gehouden om terug te vorderen. Dit is dwingendrechtelijk bepaald. Dit geldt ook bij onverschuldigde betaling als gevolg van fouten bij verweerder.

4.3

De WAO kent geen termijn waarbinnen een besluit tot terugvordering op grond van artikel 57 van de WAO dient te worden genomen. Bij de verjaringstermijn van terugvorderingen van onverschuldigd betaalde uitkering, wordt aangesloten bij de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijn voor vorderingen uit onverschuldigde betaling.

4.4

Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het BW, verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de dag, volgend op die waarop de schuldeiser weet van het bestaan van zijn vordering en in ieder geval 20 jaar nadat de vordering is ontstaan. Gelet op dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit van een onverschuldigd betaalde uitkering aan op het moment dat verweerder bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat aan eiseres wellicht ten onrechte een uitkering is verstrekt en een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. Verweerder heeft na ontvangst van de anonieme meldingen op 3 juli 2016 en 13 september 2016 een onderzoek ingesteld naar de uitkering van eiseres. Verweerder is toen bekend geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. De verjaring wordt op grond van de jurisprudentie gestuit door het nemen van een besluit tot terugvordering; het besluit is van 14 februari 2017 en derhalve genomen binnen de termijn van vijf jaar na binnenkomst van eerdergenoemde anonieme meldingen. Van verjaring van de vordering is dan ook geen sprake. De in artikel 3:309 van het BW genoemde termijn van 20 jaren is evenmin verstreken. Dat eiseres niet wist dat de uitkering onverschuldigd werd betaald, is voor de verjaring niet relevant.

4.5

Voor zover eiseres het gesteld ontbreken van wetenschap van de onverschuldigde betaling van de uitkering heeft aangevoerd in het kader van de dringende redenen om van terugvordering af te zien, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de wetsgeschiedenis en vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat dringende redenen als bedoeld in artikel 57 van de WAO alleen gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van terugvordering optreden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Eiseres is hier niet in geslaagd. De stelling van eiseres dat verweerder een fout heeft gemaakt en dat zij niet wist dat de uitkering onverschuldigd werd doorbetaald, omdat zij niet wist dat deze was beëindigd, is in dit verband naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende, omdat deze niet ziet op de gevolgen van de terugvordering. Dat de terugvordering voor eiseres verstrekkende financiële gevolgen heeft, is voorstelbaar, maar niet is onderbouwd dat die gevolgen onaanvaardbaar zijn. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft eiseres als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de bestreden terugvordering voor eiseres onaanvaardbare gevolgen als hierboven bedoeld heeft.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Schimmel, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en

mr. W.M.B. Elferink, leden, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.