Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1601

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
C/08/214976 / KG ZA 18-66
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Betalingsachterstand. Ontruiming woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/214976 / KG ZA 18-66

Vonnis in kort geding van 29 maart 2018 (fs)

in de zaak van

1 [ A] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [ B],

wonende te [woonplaats] ,

eiseressen,

advocaat mr. R. Smink te Enschede,

tegen

1 [C ] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [D],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en [C] c.s. , dan wel afzonderlijk [ A] , [ B] , [C] en [D] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat verstek zal worden verleend.

2.2.

Onweersproken is door [A] c.s. gesteld dat partijen op 18 december 2017 een huurovereenkomst conform artikel 15 van de Leegstandswet hebben gesloten met betrekking tot de woning aan [het adres] (hierna: de woning). De huurprijs bedroeg € 850,- per maand, de kosten voor bijkomende leveringen en diensten

€ 50,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van de maand. Tevens is een waarborgsom van € 450,- overeengekomen. De huurovereenkomst is ingegaan op

19 december 2017.

2.3.

Bij e-mailbericht van 26 januari 2018 heeft [A] c.s. de die dag tussen partijen met betrekking tot betalingsachterstand gemaakte afspraken bevestigd. Afgesproken is dat [C] c.s. voor 31 januari 2018 de huur van januari en de kosten voor bijkomende leveringen en diensten zou betalen. Voor 1 februari 2018 zou de huur voor februari en de contractuele boete worden voldaan. Voorts is [C] c.s. er in de e-mail op gewezen dat niet langer uitstel wordt verleend en dat bij niet-tijdige betaling de huurovereenkomst zal worden beëindigd en [C] c.s. zal worden gesommeerd de woning binnen veertien dagen te verlaten.

2.4.

Bij brief van 2 februari 2018 is [C] c.s. gesommeerd om binnen veertien dagen, dus uiterlijk op 16 februari 2018, het op dat moment openstaande bedrag van € 2.966,23 te voldoen. Daarbij is aangekondigd dat buitengerechtelijke incassokosten in rekening zullen worden gebracht als niet op tijd wordt betaald.

2.5.

Bij e-mailbericht van 7 februari 2018 is [C] c.s. gesommeerd om uiterlijk

16 februari 2018 het in de brief van 2 februari 2018 vermelde bedrag minus de boete, derhalve om € 2.919,95, te voldoen.

2.6.

Bij brieven van 26 februari 2018 heeft [A] c.s. de huur per 1 juni 2018 opgezegd, voor het geval in dit kort geding niet een ontruiming tegen een eerdere datum wordt bevolen.

2.7.

Op 27 februari 2018 is [C] c.s. gesommeerd om uiterlijk 1 maart 2018 de huur en servicekosten voor de maand maart te voldoen en worden zij in gebreke gesteld voor het geval zij dat nalaten.

2.8.

Tot op heden heeft [C] c.s. niets aan [A] c.s. betaald. De betalingsachterstand bedraagt inmiddels € 4.274,87. In dat bedrag is inbegrepen de achterstallige huur en servicekosten van december 2017 tot en met maart 2018 ten bedrage van € 3.077,15, de incassokosten van € 387,74, de contractuele boete van € 810,-

(= 3 x € 270,- per maand, bij 1% per dag = € 9,- x 30 dagen per maand).

3 Het geschil

3.1.

[A] c.s. vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [C] c.s. te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis de woning aan [het adres] te ontruimen en te verlaten en [C] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schuld ten bedrage van € 4.274,87, te vermeerderen met

€ 850,- per maand voor iedere maand dat [C] c.s. met ingang van april 2018 de woning niet verlaten zal hebben. Tot slot vordert [A] c.s. veroordeling van [C] c.s. in de kosten van dit geding.

4 De beoordeling

4.1.

[A] c.s. heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat het gevorderde bedrag een aanzienlijke geldsom betreft en dat [A] c.s. door het onbetaald laten van de gevorderde bedragen en het niet kunnen verhuren van de woning aan een betalende huurder in ernstige financiële problemen dreigt te komen. [A] c.s. heeft aldus voldoende spoedeisend belang bij haar vordering.

4.2.

De gevorderde voorziening strekt naast de gevorderde ontruiming ook tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling -bij afweging van de belangen van partijen- aan toewijzing niet in weg staat (o.a. HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602).

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een restitutierisico niet aan de orde, nu [C] c.s. de vorderingen van [A] c.s. niet betwist. Het is aldus zeer onwaarschijnlijk dat [A] c.s. een toe te wijzen vordering zal moeten terugbetalen. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat het niet kunnen betalen - wat hier ook van zij - geen reden is om te oordelen dat de [C] c.s. niet moet betalen.

4.4.

De voorzieningenrechter zal de vorderingen, die hem niet onrechtmatig of ongegrond toekomen, dan ook toewijzen.

4.5.

[C] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 101,81

- griffierecht 895,00

- salaris advocaat 527,00

Totaal € 1.523,81

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [C] c.s. om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [het adres] met al de hunnen en (enkel) het hunne te ontruimen en te verlaten,

5.2.

veroordeelt [C] en [D] hoofdelijk tot betaling van de schuld van

€ 4.274,87, te vermeerderen met € 850,- per maand voor iedere maand dat [C] c.s. met ingang van 1 april 2018 de woning aan [het adres] niet hebben verlaten,

5.3.

veroordeelt [C] en [D] hoofdelijk in de proceskosten met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van [A] c.s. worden tot op deze uitspraak begroot op € 1.523,81,

5.4.

veroordeelt [C] en [D] hoofdelijk in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover [C] c.s. niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagde daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op

29 maart 2018.1

1 type: coll: