Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1600

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
08/760225-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor een gewelddadige overval op een juwelier in Nieuwleusen zijn een 39-jarige en een 47-jarige man veroordeeld tot 4 en 3 jaar cel. Daarbij is een grote hoeveelheid sieraden en geld uit de kassa weggenomen. Tijdens deze overval zijn de eigenaar, een medewerker en klanten bedreigd. De eigenaar is ook geschopt. De rechtbank rekent het de mannen aan dat zij zich kennelijk alleen hebben laten leiden door de zucht naar geldelijk gewin. De mannen moeten 868,65 euro schadevergoeding betalen. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2018:1602

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/760225-17 (P)

Datum vonnis: 9 mei 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1978 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats 1] ,

nu gedetineerd in het HvB Ooyerhoekseweg in Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. J.A.M. Kwakman, advocaat in Assen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 26 april 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: met een ander een gewapende overval heeft gepleegd bij [juwelier] in Nieuwleusen en daar sieraden en geld heeft weggenomen;

feit 2: een gasalarmpistool en bijbehorende knalpatronen in zijn bezit heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 13 december 2017, te Nieuwleusen, in de gemeente Dalfsen, in een winkel ( [juwelier] ) gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aanzienlijke hoeveelheid sieraden, ondermeer horloges en/of kettingen (merk Zinzi) en/of (ongeveer) 300 Euro, in elk geval enig geldbedrag en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [juwelier] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en/of overige in de winkel aanwezige personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] en/of [juwelier] heeft gedwongen tot de afgifte van een aanzienlijke hoeveelheid sieraden, ondermeer horloges en/of kettingen (merk Zinzi) en/of (ongeveer) 300 Euro, in elk geval van enig geldbedrag en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] en/of [juwelier] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- in een auto en voorzien van een vuurwapen, in ieder geval (een) op een vuurwapen gelijkend voorwerp(en) naar voornoemde winkelis/zijn gegaan en/of

- die winkel heeft/hebben betreden en hierbij zijn/hun hoofd/gezicht (gedeeltelijk) had(den) bedekt met een petje en/of een zogenoemde hoody en/of een zonnebril, in ieder geval met hoofd/gezichtsbedekkende kleding en/of voorwerpen en/of voorzien van een vuurwapen, in ieder geval (een) op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

- dat vuurwapen heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer] en/of de overige aanwezige personen en/of met dat vuurwapen heeft/hebben gezwaaid en/of

- meermalen, in ieder geval éénmaal, dreigend heeft/hebben geroepen/geschreeuwd "Allemaal op de grond of ik schiet. Ik wil de sieraden en het geld uit de kassa. Druk geen alarmknop in. Geld, geld, geld. Alles. Anders schiet ik! Los, los, maak los die kassa!", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- dat vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of

- meermalen, in ieder geval éénmaal, die [slachtoffer] tegen de benen heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gesommeerd naar de kassa te gaan om daar geld te pakken;

2.

hij op of omstreeks 13 december 2017, te Nieuwleusen, in de gemeente Dalfsen, een wapen van categorie III, te weten een gas/alarm revolver (merk Rohm Rg89, kaliber 9 mm) en/of 5 bijbehorende knalpatronen (merk PTS, kaliber 9 mm) voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 13 december 2017 vindt een gewapende overval plaats bij [juwelier] in Nieuwleusen. Bij deze overval worden sieraden en geld weggenomen dan wel onder dwang afgegeven door de eigenaar van de juwelierszaak (hierna: aangever). Volgens getuigen droeg de dader donkere kleding en een zonnebril en had hij een blauwe Albert Heijn tas bij zich.

De verbalisanten kijken vervolgens de camerabeelden van de juwelier uit en zien dat een groen voertuig met het kenteken [kenteken] , welke op naam staat van [medeverdachte] (hierna: medeverdachte), net voor en tijdens de overval langs de juwelier is gereden. De verbalisanten gaan vervolgens naar de (vakantie)woning van medeverdachte, en treffen daar voornoemd voertuig en medeverdachte aan, die verklaart dat hij iemand heeft opgehaald uit Nieuwleusen en dat diegene zich nu in zijn woning bevindt. De verbalisanten treden de woning binnen en treffen daar verdachte aan, die bij de politie bekent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de gewapende overval. Tijdens de doorzoeking in de woning vinden de verbalisanten in de vaatwasser en in een kistje de gestolen sieraden en in de woonkamer een vuurwapen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Hij verwijst daartoe naar de bekennende verklaring van verdachte in combinatie met de aangifte, getuigenverklaringen, camerabeelden en het proces-verbaal onderzoek wapen. Mede onder verwijzing naar het zogeheten overzichtsarrest met betrekking tot de diverse pleegvarianten van de Hoge Raad betoogt de officier van justitie dat tevens sprake is geweest van medeplegen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich, zoals verwoord in haar pleitnota, op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 bepleit de raadsvrouw dat het vervoeren van verdachte van en naar de juwelier door medeverdachte niet als medeplegen, maar als medeplichtigheid moet worden gekwalificeerd, zodat de strafverzwarende omstandigheid van artikel 312, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet van toepassing is.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte heeft bekend dat hij op 13 december 2017 een gewapende overval heeft gepleegd bij [juwelier] in Nieuwleusen. Verdachte heeft ontkend dat hij bij de overval fysiek geweld zou hebben toegepast. De rechtbank leest in de verklaring van aangever dat verdachte hem tegen zijn bovenbeen zou hebben geschopt. Bij het uitkijken van de camerabeelden van [juwelier] heeft een verbalisant waargenomen dat verdachte aangever tegen zijn rechterbeen schopt. Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte tijdens de overval fysiek geweld heeft toegepast met het oogmerk om de overval gemakkelijk te maken.

Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat de handelingen van medeverdachte niet als medeplegen maar als medeplichtigheid moeten worden gekwalificeerd, omdat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen haar cliënt en medeverdachte. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit vaste en bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict.1 Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht; ook een andere rol kan leiden tot de conclusie dat die verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd.

De rechtbank overweegt dat het aan medeverdachte ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het delict, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. Verdachte is immers als enige belast geweest met de feitelijke uitvoering van de overval en medeverdachte lijkt daartoe op het eerste gezicht slechts behulpzaam te zijn geweest door het vervoeren van verdachte van en naar de plaats delict. Desondanks is de rechtbank gelet op verschillende feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier blijken van oordeel dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Dat oordeel is gelegen in de intensiviteit van de samenwerking, de onderlinge rolverdeling, de rol in de uitvoering en afhandeling van het delict, het belang van de rol van medeverdachte en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Hoewel medeverdachte van meet af aan heeft ontkend dat hij van tevoren wetenschap had van het plan om een overval te plegen, acht de rechtbank dat gelet op de volgende feiten en omstandigheden ongeloofwaardig. Medeverdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting wisselend verklaard over het moment van wetenschap van de overval. Daar staat tegenover dat verdachte consistent heeft verklaard dat hij medeverdachte – voorafgaand aan het delict – op de hoogte heeft gebracht van het plan om een overval te plegen. Volgens verdachte zou medeverdachte met die overval hebben ingestemd, omdat hij geld nodig had en zij de buit ‘fiftyfifty’ zouden verdelen. De rechtbank gaat uit van de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte, omdat deze steun vindt in de WhatsAppgesprekken die tussen verdachte en medeverdachte hebben plaatsgevonden. In die gesprekken vraagt medeverdachte of verdachte hem kan helpen met een beetje geld, omdat hij geld nodig heeft. Op de vraag van verdachte hoe ver hij zou willen gaan voor een paar serieuze centen omdat hij een rijder voor iets nodig heeft, antwoordt medeverdachte dat hij alles doet voor geld. Hoewel in de gesprekken niet expliciet over een overval wordt gesproken, geeft verdachte aan dat hij iets gaat doen wat ‘’echt vet’’ is en dat als dit lukt het een paar ‘’leuke centen’’ oplevert. Ook geeft verdachte nadat medeverdachte hem gevraagd heeft wat hij van plan is aan dat hij dat zal zeggen als medeverdachte bij hem is en zeker moet zijn dat medeverdachte mee gaat. Daarnaast kan de wetenschap van medeverdachte worden afgeleid uit het feit dat hij net voor en tijdens de overval langs de bewuste juwelierszaak is gereden en dat hij zijn auto niet tot stilstand heeft gebracht op het moment dat verdachte na het plegen van de overval in wilde stappen.

Aldus concludeert de rechtbank dat medeverdachte met de wetenschap dat er een plan was om een overval te plegen verdachte naar [juwelier] heeft vervoerd en hem daar nadien heeft opgepikt. Hoewel medeverdachte daartoe meerdere mogelijkheden heeft gehad, heeft hij zich op geen enkele wijze gedistantieerd. Hij heeft bijvoorbeeld niet geprobeerd verdachte van de uitvoering van de voorgenomen overval te weerhouden of de eigenaar van de juwelierszaak te waarschuwen. Sterker nog, medeverdachte heeft verdachte over de streep getrokken toen hij twijfelde de overval te plegen door te zeggen dat zij hier niet voor niets waren. Medeverdachte had tevens belang bij die overval, omdat hij daarna de helft van de buit zou krijgen en met een deel daarvan drugs heeft gekocht. De rechtbank hecht tevens waarde aan de significante rol van medeverdachte nadat de overval heeft plaatsgevonden. Hij heeft verdachte een schuilplaats aangeboden door hem naar zijn (vakantie)woning te rijden, wat medeverdachte een goed idee leek omdat hij daar niet stond ingeschreven. Bij de woning aangekomen heeft medeverdachte de buitgemaakte sieraden verstopt in de vaatwasser en de bijbehorende houders in de ondergrondse stortcontainer gegooid. De rechtbank merkt dit handelen aan als het wegwerken van belastend bewijsmateriaal.

Gelet op het bovenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen verdachte en medeverdachte sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking dat medeverdachte als medepleger van het strafbare feit kan worden aangemerkt. Het verweer wordt om die reden verworpen.

De rechtbank is gezien het voorgaande dan ook van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 13 december 2017, te Nieuwleusen, in de gemeente Dalfsen, in een winkel ( [juwelier] ) gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sieraden van het merk Zinzi en enig geldbedrag toebehorende aan [juwelier] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en overige in de winkel aanwezige personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van sieraden van het merk Zinzi en enig geldbedrag toebehorende aan [juwelier] ,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte en/of zijn mededader

- in een auto en voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp naar voornoemde zijn gegaan en

- die winkel heeft betreed en hierbij zijn gezicht (gedeeltelijk) had bedekt met een petje, een zogenoemde hoody en een zonnebril, en voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

- dat vuurwapen heeft getoond aan die [slachtoffer] en de overige aanwezige personen en met dat vuurwapen heeft gezwaaid en

- dreigend heeft geroepen "Allemaal op de grond of ik schiet. Ik wil de sieraden en het geld uit de kassa. Druk geen alarmknop in. Geld, geld, geld. Alles. Anders schiet ik! Los, los, maak los die kassa!" en

- dat vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] heeft gericht en gericht gehouden en

- die [slachtoffer] tegen de benen heeft geschopt en

- die [slachtoffer] heeft gesommeerd naar de kassa te gaan om daar geld te pakken;

2.

hij op 13 december 2017, te Nieuwleusen, in de gemeente Dalfsen, een wapen van categorie III, te weten een gas/alarm revolver (merk Rohm Rg89, kaliber 9 mm) en 5 bijbehorende knalpatronen (merk PTS, kaliber 9 mm) voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 312 en 317 Sr en artikel 26 juncto 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

eendaadse samenloop van

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met

het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verwezen naar de LOVS-richtlijnen, waarin als oriëntatiepunt voor een gewapende overval met licht geweld wordt genoemd een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft met medeverdachte op een gewelddadige wijze een overval gepleegd op een juwelierszaak in Nieuwleusen. Daarbij is een grote hoeveelheid sieraden alsmede een geldbedrag uit de kassa weggenomen. Tijdens deze overval zijn de in de winkel aanwezige eigenaar, medewerker en klanten bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De eigenaar is ook door verdachte geschopt. De slachtoffers hebben de situatie als zeer beangstigend ervaren. Dit leidt de rechtbank af uit hun verklaringen, maar ook uit hetgeen zij heeft waargenomen op de camerabeelden van de juwelierszaak, namelijk zichtbaar hevige emoties van de aanwezigen nadat de overvaller de zaak had verlaten. Daarnaast leert de ervaring dat slachtoffers van een gewapende overval daarvan in het algemeen een langdurige en ernstige psychische nasleep ondervinden. De eigenaar van de bewuste juwelierszaak is in het verleden al eerder het slachtoffer geworden van een gewapende overval. Bovendien was ten tijde van de overval ook een moeder met haar elfjarige dochter in de juwelierszaak aanwezig om een sinterklaascadeau uit te zoeken. De rechtbank leest in het voegingsformulier dat de dochter van de benadeelde partij autisme heeft en dat de overval daarom extra indruk op haar heeft gemaakt. De benadeelde partij moet niet alleen zelf de gebeurtenis verwerken, maar moet ook haar dochter helpen om de gebeurtenis een plekje te geven. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich kennelijk alleen heeft laten leiden door de zucht naar geldelijk gewin.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank in strafverzwarende zin gelet op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 27 februari 2018. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 23 maart 2018, waarin de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geadviseerd. Volgens de reclassering heeft de oplegging van een voorwaardelijke straf geen meerwaarde, omdat dit wegens het ontbreken van intrinsieke motivatie bij verdachte niet zal bijdragen aan gedragsverandering. De reclassering ziet geen andere oplossing dan een behandeling van de problematiek van verdachte tijdens zijn detentie in het kader van een TR-traject en hoopt dat hij daaraan zijn medewerking zal verlenen.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het psychologisch onderzoek dat is uitgewerkt in de Pro Justitia rapportage van 22 maart 2018. Hierin concludeert de psycholoog, R.A. Sterk, dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis en van een stoornis in cannabisgebruik en cocaïnegebruik, welke laatste grotendeels in remissie lijkt. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Deze psychische problematiek was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De psycholoog acht bovendien een verband aanwezig tussen de geconstateerde psychische problematiek en het ten laste gelegde. Hoewel verdachte in staat moet worden geacht om de wederrechtelijkheid van het ten laste gelegde in te kunnen zien, kan hij (als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek) niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig bovengenoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. De psycholoog adviseert dan ook om verdachte de hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over en is op grond daarvan van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht moet worden ten aanzien van de hem ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten. Wat betreft de afdoening van de zaak rapporteert de psycholoog dat, om de kans op herhaling te minimaliseren, vanuit forensisch oogpunt een behandeling geïndiceerd is. Aangezien de psychiatrische problematiek echter moeilijk behandelbaar is en enige intrinsieke motivatie is vereist, luidt de verwachting dat een behandeling weinig succesvol zal zijn. Wellicht zou verdachte een behandeling kunnen worden aangeboden in de eindfase van zijn detentie.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. De rechtbank sluit net als de officier van justitie aan bij de omschrijving van een overval in een winkel waarbij ander geweld dan licht geweld/bedreiging wordt gebruikt, nu het geweld in deze zaak bestaat uit een schop en bedreigingen waarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is gebruikt. Voor dit feit geldt reeds als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Als strafverzwarende omstandigheden merkt de rechtbank aan dat de overval in samenwerkingsverband is gepleegd, dat de overval is gepleegd in de aanwezigheid van een elfjarig kind, zijnde een zeer kwetsbaar slachtoffer, en dat sprake is van recidive. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte de feitelijke uitvoerder is geweest van de gewapende overval.

Als strafverlagende factor houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte volledige openheid van zaken over de gepleegde overval heeft gegeven.

Hoewel behandeling van verdachte is geïndiceerd, zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden ten behoeve van die behandeling opleggen. Beide rapporteurs stellen dat de kans van slagen klein is, omdat intrinsieke motivatie ontbreekt. Daar komt bij dat verdachte – op zijn eigen voorwaarden – vooral praktische hulp wenst, terwijl in de eerste plaats een – veel van verdachte vergende – behandeling van zijn posttraumatische stressstoornis, persoonlijkheidsstoornis en middelenproblematiek noodzakelijk is.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden, die inhoudt een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] , wonende in [woonplaats 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 868,65 (zegge: achthonderdachtenzestig euro en vijfenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade van € 18,65 bestaat uit de reiskosten die zijn gemaakt in het kader van een gesprek met slachtofferhulp. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 850,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij integraal wordt toegewezen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat haar cliënt de door de benadeelde partij geleden schade wenst te vergoeden. De raadsvrouw heeft verzocht de vervangende hechtenis op één dag te bepalen, omdat haar cliënt vanwege zijn detentie geen aflossingscapaciteit heeft.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 868,65 daarom volledig hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

De rechtbank ziet geen redenen om af te wijken van het geldende beleid inzake de vervangende hechtenis, dat inhoudt dat het aantal dagen vervangende hechtenis wordt gerelateerd aan de hoofdsom van de toegewezen schadevergoeding. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt is de ratio van de vervangende hechtenis dat ‘de dreiging met dit dwangmiddel de veroordeelde er in veel gevallen toe zal brengen aan zijn verplichting te voldoen’.2 De rechtbank overweegt dat verdachte een afbetalingsregeling kan treffen met het CJIB, indien bij hem geen uitzicht bestaat op een volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel binnen een redelijke termijn.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 55, 57 en 60a Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: eendaadse samenloop van

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van een bedrag van € 868,65 (zegge: achthonderdachtenzestig euro en vijfenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2017 over het bedrag van

€ 850,- en vanaf 19 april 2018 over het bedrag van € 18,65, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 868,65 (zegge: achthonderdachtenzestig euro en vijfenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2017 over het bedrag van € 850,- en vanaf 19 april 2018 over het bedrag van € 18,65, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 17 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte of zijn mededader aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, mr. W.F. Boele en

mr. G.H. Meijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.

De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ON1R017115 Terrano. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1:

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (namens [juwelier] ) d.d. 13 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 22-23):

Rechtspersoon naam: [juwelier] . Adres: [adres 1] (…) Gemeente: Dalfsen (…) Op woensdag 13 december 2017 was ik met mijn medewerkster [naam] aan het werk in de winkel in Nieuwleusen. (…) Er is een man de winkel binnen gekomen. (…) De man had een pistool bij zich en liep daarmee te zwaaien. (…) Nadat ik de sieraden in de blauwe plastic Albert Hein tas had gedaan moest ik met man mee naar de kassa om het geld daar te pakken. (…)

2. Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] d.d. 16 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 25-31):

A: (…) Toen kreeg ik een schop en moest ik weer gaan staan. (…)

V: Waar raakte hij u toen hij u schopte?

A: Tegen het bovenbeen aan. (…) Ik had met 1 hand die tas vast en met de andere hand moest ik dat spul in die tas gooien. Hij stond met dat wapen en ook spullen in die tas te graaien. (…)

V: Wat deed hij toen met dat wapen?

A: Daar bleef hij mee zwaaien en ook op mij en mijn gezicht gericht. (…)

V: Wie heeft de lade opengemaakt?

A: Ik zelf, ik heb hem ook dat geld zelf in de tas gegooid, dat kleingeld er achteraan. (…) Later bleek er in totaal 203,40 euro uit de kassa te zijn weggenomen. (…) En toen heeft hij zelf ook nog in die lade lopen graaien en toen zei hij ook nog wat van dat het niet snel genoeg ging of weet ik veel wat. (…)

Er zijn 99 items van Zinzi weggenomen. (…)

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 13 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 42):

(…) Ik was vandaag woensdag 13 december 2017 omstreeks 13:50 uur in de [juwelier]

aan de Backxlaan te Nieuwleusen. (…) Man (…) droeg een ‘hoodie’ van donkere stof, droeg een donkere zonnebril. (…) Ik hoorde dat de man tegen de verkoper riep: “Geld! Geld! Alles. Anders schiet ik!” (…)

4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde] d.d. 13 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 50):

(…) Ik zag een zwart pistool in zijn rechterhand. De man riep allemaal op de grond of ik schiet. Ik wil de sieraden en het geld uit de kassa. En druk geen alarmknop in. (…)

5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 13 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven (p. 54):

(…) Plots hoorde ik de man hard schreeuwen, ik hoorde dat hij zei: “Los Los! Maak los die

kassa”. (…)

6. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 13 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 56):

(…) Vanmiddag, woensdag 13 december 2017 omstreeks 13:55 uur stond ik in de keuken in

mijn woning aan de [adres 2] te Nieuwleusen, toen ik een man voorbij mijn woning zag lopen. (…) Ik zag dat de men een pet droeg met daaroverheen een capuchon. Hij zwaaide met een plastic tas van de Albert Heijn. Ik zag, dat er direct een groene auto aan kwam rijden. Ik zag dat de man met de AH tas naar de bestuurder van deze auto zwaaide en schreeuwde. Ik zag dat de man om de auto heen liep en in de auto stapte in de nog rijdende auto. (…)

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 58-60):

(…) Omstreeks 15.16 uur hoorde ik via de portofoon van collega’s die op het plaats delict

waren, dat op de bewakingsbeelden van de juwelier net voor en tijdens de overval een

groende sedan was langsgereden van het merk Hyundai, type Excel, kleur groen en

voorzien van het kenteken [kenteken] . (…) Uit het ROW register bleek dat dit voertuig op naam stond van ingevoerde verdachte [medeverdachte] geboren op [geboortedatum 2] -1971. (…) Ik, [verbalisant] , zag in BVI-IB onder registratienummer [nummer] dat [medeverdachte] verbleef aan [adres 3] te Ommen. (…) Door het arrestatieteam werd de verdachte [verdachte] in de woning aan de [adres 3] te Ommen omstreeks 18.15 uur aangetroffen en aangehouden. (….)

8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 61-62):

(…) Ik zag dat hij de bewegende beelden van de bewakingscamera welke gericht was op de

ingang van de winkel mij toonde. Ik zag dat een manspersoon de winkel binnen kwam en op de mat een aantal seconden bleef staan. Vervolgens zag ik dat de man een zwart voorwerp in zijn rechterhand heeft en in zijn linker hand een blauwe plastic Albert Hein tas. (…) Vervolgens hoorde ik de man roepen: “Iedereen liggen op de grond! Op de grond! Of ik schiet!” (…) Ik zag dat de juwelier de sieraden uit de vitrine kast pakte en in de plastic tas deed. (…). Ik zag dat de juwelier de kassalade opende en de overvaller de tas op de toonbank zette. Ik zag dat er geld uit de lade in de tas werd gedaan door de juwelier. Ik zag dat de overvaller ook probeerde een greep te doen uit de kassalade. (…)

9. Het proces-verbaal bewakingsbeelden [juwelier] d.d. 20 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 67):

(…) Verdachte [verdachte] schopt met rechterbeen tegen aangever [slachtoffer] aan. (…)

10. Het proces-verbaal van bevindingen chatsessies d.d. 19 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 106-108):

(…) Op dinsdag 19 december 2017 heb ik van het Forensisch digitaal team een PDF bestand gekregen van een WhatsApp gesprek tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , die [alias verdachte] wordt genoemd. En het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , die [medeverdachte] wordt genoemd (zie bijlage 1) In deze WhatsApp gesprekken zijn tevens audio bestanden. Deze heb ik beluisterd en zo goed mogelijk letterlijk weer gegeven. De WhatsApp gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] zal ik weergeven als [alias verdachte] en de WhatsApp gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] als [medeverdachte] .

Ik zag de volgende WhatsApp gesprekken: (…)

[medeverdachte] 13-12-2017 11:44:07 (audiogesprek):

He kerel. Kan je me helpen met een beetje geld alstublieft. (…)

[medeverdachte] 13-12-2017 11:45:21 (audiogesprek):

Het gaat echt fucking kanker slecht ouwe joh. Echt.... Geld nodig jonge. (…)

[alias verdachte] 13-12-2017 11:45:29:

Hoevr zou je willen gaan voor een paar seriuuse centen

[alias verdachte] 13-12-2017 11:46:27:

Heb een rijden nodig voor iets

[medeverdachte] 13-12-2017 11:48:58 uur (audiogesprek):

Ik ga heel ver jonge. Als jij er maar benzine der in gooit voor mij. IK ga overal. Ik doe alles

voor geld pik. Alles. (…)

[alias verdachte] 13-12-2017 11:49:01:

Als het lukt leverdt leuke centen op dat is wat ik je kan bieden kan nu als moet maat moet je

mij even aanpikken en even met mij ergens heen (…)

[alias verdachte] 13-12-2017 11:53:22:

Heb wel l5euro aan flessen kunnen ww tanken en dan even iets doen wat echt vet is kerel

en lukt mij gewoon weet ik zeker.

[medeverdachte] 13-12-2017 11:53:41:

Wat dan

[alias verdachte] 13-12-2017 11:53:45:

Jij hoeft alleen terijden rest doe ik (…)

[alias verdachte] 13-12-2017 11:54:18:

Dat zeg ik je hier wel maar moet zeker zijb dat je mee gaat dan oke (…)

11. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 20 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 192-199):

(…) A: (…) Ik heb gezegd we gaan niet naar Nieuwleusen we gaan niet naar Punthorst. Ik heb gezegd dat we naar mijn huis gaan. (…)

V: Bij de overval is er buit gemaakt; sieraden en geld. Over de sieraden heb jij verklaard. Wat kun jij over het geld vertellen?

A: Hij had een briefje van 100 euro en heel veel kleingeld. Vooral muntjes van twee euro en een paar tientjes. Hij heeft mij 40 euro gegeven. Hij zei eerst; alles voor mij. Dit omdat ik er niets mee te maken hebben. Volgens mij 40 of 45 euro gegeven. Daarnaast heeft hij de cocaïne betaald. (…)

V: Het zit zo [medeverdachte] ?

A: [verdachte] heeft de houdertjes met de Albert Heyn tas in mijn prullenbak gegooid. Ik heb de zak eruit gehaald en in de stortcontainer gegooid. Deze staat 50 meter verderop. (…)

12. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 225-231):

(…) V: Er is gisteren woensdag 13 december 2017, een overval gepleegd op een juwelier in

Nieuwleusen. Hoe is het nu precies gegaan?

A: (…) We bespraken wat we zouden gaan doen. Ik zei dat ik de juwelier wilde overvallen en het enige wat hij moest doen is rijden en zorgen dat ik er weg kwam. [medeverdachte] vond het goed. Ik zei dat we [juwelier] konden overvallen. (…) We zijn naar Nieuwleusen gegaan. (…) Ik heb een bril op gezet en ben de juwelier ingelopen. Ik kwam binnen en toen stond ik daar. Ik zei iedereen liggen, ik trok mijn wapen (…) Ik zei iedereen liggen, iedereen liggen, nu!! Die eigenaar ging ook liggen. Ik zei tegen hem dat hij moest staan omdat hij dingen in mijn tas moest doen. Hij deed uit de vitrine sieraden in mijn tas. Ik heb er zelf ook nog wat uit gehaald. We liepen naar de kassa (...) Ik zei dat ik geld uit de kassa wilde hebben (…)

V: Hoe zijn jullie naar de juwelier in Nieuwleusen toegegaan?

A: Met de auto van [medeverdachte] , een groene. (…)

V: En toen?

A: Ik ben toen weggegaan. Ik ben uit de juwelier naar rechts gegaan. (…) Ik zag dat [medeverdachte] vanuit de winkelstraat aan kwam rijden, Ik liep op het pad en hij stopte midden op de weg. Er was een Volvo die daar met draaiende motor stond en die zag mij heel gehaast instappen. (…)

V: Wat voor tas had je bij je?

A: Een plastic boodschappentas van Albert Heijn. Ik dacht dan lijkt het net of ik boodschappen aan het doen ben. (…)

V: We hebben hier een plattegrond. Kun je aangeven hoe je gelopen ben?

A: Ik ben er eerst omheen gelopen. Een heel rondje. Ik ben weer terug naar [medeverdachte] gegaan en ik zei dat ik het niet ging doen omdat er teveel mensen in de winkel stonden. [medeverdachte] zei dat we hier niet voor niks waren. (…)

V: En toen?

A: [medeverdachte] en ik zijn naar de camping gereden. Ik wilde gelijk naar huis. Ik wilde dat hij mij naar Punthorst zou brengen. [medeverdachte] zei dat we beter naar de camping konden gaan omdat hij daar niet ingeschreven staat. Ik vond het ook wel best. (…) We hebben de spullen in het huisje gelaten. [medeverdachte] zei dat het wel goed kwam. We zouden fifty fifty delen. Dat heb ik tegen [medeverdachte] gezegd, dat was de afspraak. [medeverdachte] heeft de sieraden weggelegd. Het geld hebben we meegenomen. Dat was 170 euro.

V: Waar legde [medeverdachte] de sieraden neer?

A: In de vaatwasser. (…)

V: Wat voor kleding droeg je?

A: Een hoodie met capuchon, een zwarte pet, een zonnebril van Tommy Hilfiger, een leren jas met gedeeltelijk stof. De mouwen waren van leer en de jas was van stof. De jas was zwart. De hoodie was donkerblauw, een donkerblauwe spijkerbroek, blauwe Adidas sportschoenen. (…) In Zwolle heeft [medeverdachte] cocaine en wiet gekocht.

V: Wat voor wapen had je bij je tijdens de overval?

A: Een alarmpistool. Een zwart wapen. (…)

V: Wat heb je meegenomen bij de juwelier?

A: Geld en sieraden. (…)

V: Waar is het geld wat buitgemaakt is bij de overval gebleven?

A: Dat had [medeverdachte] en heeft er drugs van gekocht en getankt. (…)

Ten aanzien van feit 2:

- Het proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 3 januari 2018 (p. 119-120);

- Het proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 17 januari 2018 (p. 125);

- Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 229).

1 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390.

2 Kamerstukken II 1991/92, 21 345, nr. 9, p. 5.