Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1573

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
08/952971-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 37-jarige man tot een gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar voor het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje. Daarnaast legt de rechtbank de man een taakstraf op van 80 uren en moet hij een bedrag van 548 euro aan schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/952971-16 (P)

Datum vonnis: 8 mei 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1980 in [geboorteplaats 1] ( [land] ),

wonende aan de [adres 1]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 januari 2018 en 24 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Zwartjes en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. A.A. Nieli, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer] , die op dat moment nog geen zestien jaar oud was.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 04 oktober 2016 in de gemeente Zwolle, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen,

althans éénmaal, (al dan niet over de kleding heen) aanraken/betasten van

en/of wrijven over een/de borst(en) van die [slachtoffer] .

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij verwijst daartoe naar de aangifte, de verklaring van [slachtoffer] , het proces-verbaal waarin camerabeelden worden omschreven en de getuigenverklaringen van de dames [getuige 1] en [getuige 2] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich, zoals verwoord in haar pleitnota, op het standpunt dat haar cliënt dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De raadsvrouw bepleit dat het enige belastende bewijsmateriaal dat in de richting van haar cliënt wijst afkomstig is van één bron, namelijk de verklaring van [slachtoffer] . Haar verklaring wordt enkel ondersteund op het punt dat haar cliënt naast haar op een bankje zou hebben gezeten en een arm om haar schouder zou hebben geslagen, maar dat is niet aan te merken als een ontuchtige handeling.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank leest in de aangifte en in de verklaring van [slachtoffer] dat een man samen met [slachtoffer] buiten op een bankje is gaan zitten en daar meermalen – over de kleding heen – haar borst heeft aangeraakt en betast en over haar borst heeft gewreven. [slachtoffer] heeft een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd, namelijk dat het zou gaan om een man met een bruine huidskleur en een snor met een terugtrekkende haarlijn, die de Nederlandse taal niet goed beheerst, die een zwarte leren jas droeg en een jongetje in een veel te grote rolstoel bij zich had. De vraag is of verdachte de man is geweest waarover [slachtoffer] spreekt. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

De rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte op 4 oktober 2016 tussen 12:00 uur en 13:00 uur voor een tandartsafspraak met zijn zoon [naam] bij ‘’de Vogellanden’’ in Zwolle is geweest. Verdachte heeft verklaard dat hij continu in het gebouw is gebleven, dat de taxichauffeur hem en zijn zoon binnen kwam ophalen en hen naar buiten heeft begeleid en dat hij met niemand heeft gepraat. Daar staat tegenover dat de politie de camerabeelden van de ingang van de Vogellanden heeft uitgekeken en heeft geverbaliseerd dat slechts één manspersoon, namelijk verdachte, past bij het door [slachtoffer] opgegeven signalement. Verdachte heeft zichzelf en zijn zoon op die beelden herkend. Op deze camerabeelden is te zien dat verdachte samen met zijn zoon meermalen het gebouw in- en uitloopt en daar ook kort met andere bezoekers praat. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte wel degelijk het gebouw heeft verlaten en met mensen heeft gepraat, zodat de verklaring van verdachte aldus als kennelijk leugenachtig moet worden aangemerkt. Dit oordeel vindt voorts steun in het feit dat twee tandartsassistentes van het Centrum Bijzondere Tandheelkunde van de Vogellanden, getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] , hebben gezien dat verdachte (in de nabijheid van zijn zoon) buiten op een bankje naast een meisje zit. De getuigen herkennen verdachte en zijn zoon, omdat zij de zoon in de aanwezigheid van verdachte kort daarvoor hebben behandeld. Dat het daadwerkelijk om verdachte en zijn zoon gaat, blijkt ook uit het feit dat getuige [getuige 1] expliciet benoemt dat de zoon in een te grote rolstoel zit en verdachte geen Nederlands spreekt. Getuige [getuige 2] ziet dat verdachte een zwarte leren jas draagt. Hoewel de raadsvrouw heeft gesuggereerd dat de getuigen elkaar mogelijk hebben beïnvloed voordat zij de politie hebben gesproken, is dit niet onderbouwd en is de rechtbank daarvan op basis van de inhoud van het dossier niet gebleken. Daarnaast heeft de raadsvrouw opgemerkt dat [slachtoffer] in haar signalement ook andere uiterlijke kenmerken heeft benoemd die niet corresponderen met de uiterlijke kenmerken van verdachte. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte wel degelijk degene is geweest die naast [slachtoffer] op het bankje heeft gezeten, gelet op de zodanig significante overeenkomsten tussen het door [slachtoffer] opgegeven signalement en de omschrijving die getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] van verdachte en zijn zoon hebben gegeven, en ook gelet op de bijzondere omstandigheid dat verdachte verkeerde in aanwezigheid van zijn zoon die in een te grote rolstoel zat.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer] . Zowel getuige [getuige 1] als getuige [getuige 2] zien dat, nadat verdachte naast [slachtoffer] op een bankje is gaan zitten, hij zijn linkerarm om haar heenslaat. Getuige [getuige 2] ziet dat verdachte zijn arm iets hoger houdt op het moment dat hij zijn arm over de schouders van het meisje legt. De rechtbank overweegt dat deze handeling van verdachte ertoe kan leiden dat zijn hand op of rondom de borsttreek van [slachtoffer] is komen te rusten. Hoewel geen van beide getuigen daadwerkelijk heeft gezien dat de hand van verdachte de borst van [slachtoffer] raakt, is dat volgens vaste en bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad onder omstandigheden ook niet vereist.1 De rechtbank is van oordeel dat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan, nu de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, namelijk de camerabeelden en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zoals hierboven weergegeven, en geen sprake is van een te ver verwijderd verband tussen deze bewijsmiddelen.

De rechtbank is gezien het voorgaande dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 4 oktober 2016 in Zwolle, met [slachtoffer] , geboren op 13 oktober 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen over de kleding heen aanraken, betasten van en wrijven over de borst van die [slachtoffer] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 247 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat – mocht de rechtbank tot een oplegging van een straf of maatregel komen – de geëiste straf disproportioneel is, gelet op het feit dat zij vraagtekens heeft gesteld bij de aanwezigheid van voldoende bewijs in deze zaak en op het feit dat haar cliënt de zorgt draagt voor zijn gezin.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen door het over de kleding heen aanraken en betasten van en het wrijven over de borst van [slachtoffer] , die op dat moment twaalf jaar oud was. Verdachte heeft daardoor haar lichamelijke integriteit geschonden en gevoelens van onveiligheid en onbehagen bij [slachtoffer] veroorzaakt. Uit het voegingsformulier komt naar voren dat [slachtoffer] nog steeds klachten ondervindt als gevolg van de gebeurtenis. Zij kan lichamelijk contact moeilijk verdragen, heeft angstklachten, is schrikkerig en heeft boze en verdrietige buien. Zij is haar onbevangenheid en naïviteit volledig kwijt en haar vertrouwen in de mensen en vooral mannen is geschaad, zo blijkt uit het formulier. Gelet op deze omstandigheden hebben de ouders van [slachtoffer] besloten om haar EMDR-therapie te laten ondergaan. De rechtbank rekent dit verdachte aan en vindt het bezwaarlijk dat hij op geen enkele manier inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen, geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en geen enkel berouw heeft getoond.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 19 maart 2018. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 20 december 2017, waarin wordt geadviseerd om – indien verdachte schuldig wordt bevonden – hem een deels voorwaardelijke sanctie op te leggen. De reclassering rapporteert verder dat een behandeling voor de zedenproblematiek van verdachte weinig zinvol is, gelet op het feit dat hij de Nederlandse taal niet beheerst.

Zonder afbreuk te doen aan de gevolgen van het feit voor het slachtoffer in deze zaak acht de rechtbank het thans nog opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf aan verdachte, zoals door de officier van justitie is geëist, niet opportuun. Hoewel de ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde ontucht een verwerpelijk feit is waarmee hij schade heeft berokkend aan een jong meisje zijn de door verdachte gepleegde handelingen, afgezet tegen andere zedenzaken, niet van een dergelijke ernst en zwaarte dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf daaraan recht zou doen. Verdachte is niet eerder voor dit soort feiten veroordeeld; verdachte heeft voorts de zorg voor een gezin met jonge kinderen waarvan één gehandicapte zoon. Het nu opleggen van een onvoorwaardelijke straf aan verdachte zou enkel neerkomen op vergelding. Daarbij weegt de rechtbank het tijdsverloop in deze zaak mee. Met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf kan naar het oordeel van de rechtbank in voldoende passende mate gereageerd worden op dit vergrijp.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank een

voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 2 maanden met een proeftijd

van 3 jaren, om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende in [woonplaats] , heeft zich (door middel van een door haar wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene] ingevuld voegingsformulier) als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 848,24 (zegge: achthonderdachtenveertig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat – zakelijk weergegeven – uit de volgende posten:

- reiskosten Vogellanden en school € 138,24;

- therapie (POPtalk-sessies) € 110,-.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 600,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij integraal wordt toegewezen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, gelet op haar pleidooi voor vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De raadsvrouw voert subsidiair aan dat de in het schadevergoedingsformulier aangehaalde jurisprudentie op significante onderdelen afwijkt van wat zich in deze zaak heeft afgespeeld, zodat de gevorderde immateriële schadevergoeding onevenredig hoog is.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding dan ook volledig toewijzen. Wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat de in het schadevergoedingsformulier aangehaalde jurisprudentie wat betreft de aard en de ernst van de ontuchtige handelingen en de kwetsbaarheid van het slachtoffer afwijkt ten opzichte van de feiten in deze zaak. De rechtbank ziet dan ook aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten en zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid volstaan met een immateriële schadevergoeding van een bedrag van € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2016. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en kan dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende in [woonplaats] , van een bedrag van € 548,24 (zegge: vijfhonderdachtenveertig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2016;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 548,24 (zegge: vijfhonderdachtenveertig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van € 300,- (zegge: driehonderd euro) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. K. Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer 1] Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 6 maart 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 73):

(…) V: Op 4 oktober 2016 hebben jullie ook een afspraak gehad bij het tandheelkundig centrum Vogellanden. Bij het centrum hangen beveiligingscamera’s. Ik wil jou nu een aantal foto’s laten zien en vragen wat jij hierop ziet?

A: (…) Ja, dat ben ik op de foto. (…)

V: Nu zit jouw zoon op de beelden in een rolstoel, waar komt deze rolstoel vandaan?

A: De [instelling] heeft die aan ons gegeven. (…)

2. Het proces-verbaal van aangifte [betrokkene] d.d. 25 oktober 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 11-12):

(…) V: Je komt aangifte doen, namens?

A: [slachtoffer] mijn dochter. Ze heet [slachtoffer] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2003. (…) Na het zwemmen, dus na 12.30 uur is [slachtoffer] naar buiten gegaan om daar te wachten op de taxi. Daar werd ze aangesproken door volgens haar een donkere meneer met een kindje in de rolstoel. Hij vroeg haar hoe laat het was en nam haar mee naar een bankje. (…) Het kindje werd met het gezicht naar de straat geparkeerd en [slachtoffer] en die meneer zaten daar dus achter op het bankje. Toen gaf [slachtoffer] aan dat die meneer door haar haar zat te kriebelen en toen met een strijkende beweging over haar schouder over haar borst naar beneden is gegaan. [slachtoffer] gaf aan dat ze dat niet prettig vond, waarop die man weer naar haar hoofd ging om te kriebelen en vertelde dat hij haar alleen maar mooi vond. Hij heeft meerdere malen van haar hoofd naar beneden een strijkende beweging gemaakt. (…) Tijdens het avondeten, rond 18.00 uur, toen heeft ze aan ons verteld dat het zwemmen heel spannend was geweest. (…) Wij hebben haar gevraagd waarom zwemmen spannend was, ze zwemt immers al jaren. Waarop zij vertelde dat het zwemmen zelf niet spannend was, maar dat er een meneer was. (…) Waarop wij vroegen: ‘’Waar was die meneer dan? Was die bij het zwemmen?’’ Nee, die meneer stond buiten. Wij vroegen toen: ‘’Waarom was die meneer dan spannend?’’ [slachtoffer] zei toen: ‘’Omdat die meneer mij mee had genomen naar een bankje’’. Toen begon [slachtoffer] heel hard te huilen en begon ze te vertellen wat ze op het bankje had meegemaakt. (…) Toen zei ik tegen haar dat zij dan ook met de politie moest praten omdat zij meer over die man kon vertellen dan ik aan de politie. Toen zei [slachtoffer] : ‘’Ja, dat klopt, want jij weet niet dat die man ‘opaharen’ heeft.’’ Ik vroeg toen aan haar wat dan ‘opaharen’ waren. Toen zei [slachtoffer] : ‘’Van die terugtrekkende haren’’. (…)

V: Wanneer is dit gebeurd?

A: 4 oktober 2016 tussen 12.30 en 13.00 uur. (…)

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 25 oktober 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 16-19):

(…) A: Ik heb dinsdag altijd zwemmen. Dan ga ik daarheen en meestal wacht ik na het zwemmen buiten als het mooi weer is. Dat deed ik toen ook en kwam er een meneer naar mij toe met een jongetje. Hij vroeg hoe laat het was. Ik zei dat. Toen nam hij mij mee naar bankje. Hij praatte en ging de hele tijd met zijn hand door mijn haren. Toe ging hij met zijn hand naar beneden. (…)

V: Waar was jij die dinsdag?

A: Bij Vogellanden (…) in Zwolle (…)

V: Hij vroeg jou de tijd, hoe laat was het?

A: Het was 10 voor 1.

V: Hoe sprak de man tegen jou?

A: Half Engels, half Nederlands. (…)

V: Hoe gaat het dan verder?

A: Hij trok mij naar het bankje. Daar moest ik gaan zitten. (…) Toen ging hij met zijn hand door mijn haar en zei ‘mooi, mooi’. En toen ging zijn hand naar beneden. (…)

V: Jij ging zitten en hij?

A: Ik weet niet, dat jongetje zette hij goed. (…) Zijn rolstoel zette hij goed. (…)

V: Hij gaat met zijn hand door jouw haar en dan naar beneden, wat doet hij met die hand?

A: Zo.

O: [slachtoffer] wrijft met haar hand over haar linkerschouder en borst.

V: Met welke hand deed hij dat?

A: Met zijn linkerhand, die hand die het dichtste bij mij zat. (…)

V: Was het knijpen, wrijven of iets anders?

A: Volgens mij wrijven.

V: Deed hij dat met de binnen- of buitenkant van zijn hand?

A: Binnenkant.

V: Hoe was het met jouw kleren?

A: Een hemdje met een vest en een jas.

V: En dat wrijven. Was dat over de kleren of in de kleren?

A: Over. (…)

V: Hoe vaak heeft hij dat gedaan?

A: Twee of drie keer. (…)

V: Die man, hoe zag hij eruit?

A :Ik weet alleen nog dat hij een leren zwarte jas aan had (…)

V: En zijn gezicht?

A: Snor (…)

V: Zijn huidskleur?

A: Bruin (…)

V: Zijn leeftijd?

A: Ik denk rond de 40 of 45. (…) Hij leek iets ouder dan mijn vader, die is 43 of 44 jaar. (…)

V: En de jongen die bij die meneer was?

A: Zwart haar, ik denk een jaar of 8. (…)

V: Had hij nog bijzonderheden aan zijn rolstoel?

A: Die was veel te groot. (…)

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 24-25):

(…) Ik zie op de camerabeelden dat op 4 oktober 2016 om 12.15.34 uur een bruin getinte man de ingang komt binnenlopen met een licht getinte jongen in een rolstoel. De man is ongeveer tussen de 40 en 55 jaar en draagt een zwarte leren jas. De jongen heeft donker haar en is tussen de 7 en 10 jaar oud. Hij zit in een iets te grote rolstoel. (…) Ik heb op de camerabeelden meerdere kinderen gezien in een rolstoel, echter hadden deze geen donker haar en allemaal aangepaste rolstoelen. (…) Tevens was er geen enkele andere combinatie van bruine man met zwarte leren jas en kind in rolstoel. (…) Ik zie dat ze op 4 oktober 2016 tussen 12.30 uur en 12.32 uur meerdere keren buiten in en uit het beeld van de camera zijn. Het lijkt wel of ze buiten ronddwalen bij de hoofdingang. Ze spreken ook kort met andere bezoekers rond 12.32 uur. (…) Ik zie dat ze op 4 oktober 2016 om 12.41.49 uur, nadat ze buiten in het zicht van de camera rondgewandeld hebben voor de hoofdingang, weer via de in/uitgang het gebouw weer binnenkomen. (…)

5. Het als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2016 gevoegde overzicht van de patiënten die op 4-10-2016 gezien zijn tussen 12.00u en 12.45u op het Centrum Bijzondere Tandheelkunde Vogellanden (p. 41)

(…) Hierbij een overzicht van de patiënten die 4-10-2016 gezien zijn tussen 12.00u en 12.45u op het Centrum Bijzondere Tandheelkunde (…) Vogellanden (…)

(…) Betreft: patiënt: [nummer 3]

BSN: [nummer 2]

[naam]

[adres 2]

Geboren: [geboortedatum 3] (…)

6. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 6 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 48-49):

(…) A: (…) U moet weten dat wij lunchtijd hebben van 12.45 uur tot 13.30 uur. (…) Ik zat op zo’n plek dat ik goed naar buiten kon kijken. Op een gegeven moment zag ik een vader en een jongetje lopen. Ik herkende deze man en jongetje omdat deze net uit de behandelkamer kwamen waar ik had gewerkt. Het jongetje was de laatste patiënt van mij voor de lunch. (…) Toen ik later weer naar buiten keek zag ik dat ze niet meer op dat bankje zaten maar waren verplaatst naar een ander bankje. Ik zag de vader namelijk zitten op een bankje met een meisje. Dit bankje is dichterbij de lunchplek. Ik zag ook dat de zoon in de rolstoel erbij zat. (…) Ik zag toen ook dat de man een arm om het meisje had geslagen. (…) Ik zei nog tegen mijn collega dat ik het raar vond dat ze aan het praten waren terwijl ze in de behandelkamer helemaal geen Nederlands konden. (…) Ik weet wel dat het zijn linkerarm was. (…) Ik zag aan het meisje dat ze het niet prettig vond ik zag dat aan haar houding. (…) Dit was een volwassen rolstoel en die was veel te groot voor hem. (…)

7. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 21 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 54-55):

(…) Op dat moment zag ik de vader met het jongetje naar buiten komen lopen. Ik weet me nog te herinneren dat de vader een zwart leren jas aan had. De jas leek wat te groot of te wijd. Ik zag dat ze in de richting van de bankjes liepen. (…) Ik zag vervolgens dat er een meisje bij de man stond. Ik zag dat het meisje links naast de man stond en dus voor mij rechts. Het leek als zij met elkaar communiceerden. (…) Ik zag dat in het contact tussen het meisje en de man dat de man zijn arm om het meisje haar schouder legde. (…) Ik zag dat hij dit met zijn linkerarm deed. (…) Ik zag dat hij zijn arm ook iets hoger hield toen hij zijn arm over de schouders van het meisje legde. (…)

1 Ter illustratie: Parket Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1886.