Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:157

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
08/730323-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 20-jarige man uit Deventer tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor openlijke geweldpleging in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/730323-17 (P)

Datum vonnis: 18 januari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats 1] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 januari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Weimar en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: met anderen [slachtoffer] heeft beroofd van zijn portemonnee en mobiele telefoon waarbij geweld is gebruikt;

feit 2: met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] dan wel hem heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 28 mei 2017 te Schalkhaar, gemeente Deventer,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer een rijbewijs en/of een of meerdere bankpassen en/of een creditcard en/of contant geld) en/of een mobiele telefoon (merk iPhone), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (met kracht) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal

- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- (vervolgens) (toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt;

2. Primair

hij op of omstreeks 28 mei 2017 te Schalkhaar, gemeente Deventer, openlijk, te weten, op en/of aan de Pastoorsdijk (ter hoogte van de supermarkt PLUS en/of woonwinkel Berghuis), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (met kracht) meermalen, althans eenmaal

- bij de arm(en) vastpakken en/of (vervolgens) de arm(en) van die [slachtoffer] op de rug en/of naar achteren draaien en/of

- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam slaan en/of stompen van die [slachtoffer] en/of

- (vervolgens) (toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam trappen/schoppen van die [slachtoffer] ;

2. Subsidiair

hij op of omstreeks 28 mei 2017 te Schalkhaar, gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal

- bij de arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) de arm(en) op de rug en/of naar achteren te draaien en/of

- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- (vervolgens) (toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te trappen/schoppen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 28 mei 2017 krijgt de politie een melding dat een mishandeling heeft plaatsgevonden voor de Plus in Schalkhaar door een groep jongens. Het slachtoffer, aangever [slachtoffer] , kan zich niks meer herinneren van het incident. Wanneer hij bijkomt merkt hij dat zijn gezicht onder het bloed zit en dat een stuk van zijn tand en kies is afgebroken. Ook komt hij erachter dat zijn portemonnee en telefoon weg zijn. De daders zouden zijn gevlucht op een scooter en fietsen. Eén van hen zou volgens een getuige een lichtblauwe polo dragen. Op basis van die informatie houdt de politie twee jongens staande, namelijk [verdachte]
– verdachte – en [medeverdachte 1] . [verdachte] , die een lichtblauwe polo draagt, verklaart dat zij zojuist ruzie hebben gehad. Op basis van een getuigenverklaring en camerabeelden blijkt bovendien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ook deel uitmaakten van de groep.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard. Voor feit 1 baseert de officier van justitie zich op de op de WhatsAppgesprekken en de verklaringen dat verdachte degene zou zijn die heeft gezegd ‘zakken leegmaken’ en die de buit heeft verdeeld. Voor feit 2 primair baseert de officier van justitie zich op de verklaringen waaruit blijkt dat verdachte en de rest van de groep geweld hebben gebruikt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit dat zijn cliënt van feit 1 moet worden vrijgesproken, omdat het oogmerk op het geweld om de diefstal te vergemakkelijken ontbreekt. Voor feit 2 primair kan wel een veroordeling volgen, nu zijn cliënt bekent een bijdrage te hebben geleverd aan het geweld door het slaan van aangever [slachtoffer] .

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte ontkent dat hij betrokken is geweest bij de diefstal van de portemonnee en telefoon. De rechtbank vindt die verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat de groep jongens waarvan verdachte deel uitmaakte geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en dat op een bepaald moment door verdachte is gezegd ‘zakken leeghalen’. Aangever wordt dan, terwijl hij op de grond ligt, getrapt. Medeverdachte [medeverdachte 1] neemt vervolgens de telefoon van aangever mee, die hij daarna ergens in de bosjes dumpt. Even later worden [medeverdachte 1] en verdachte vlakbij die plek staande gehouden door de politie. De volgende dag vindt aangever zijn telefoon in de bosjes terug. Enkele meters verderop vindt hij ook een gedeelte van de inhoud van zijn portemonnee terug. Omdat de gestolen goederen bijna op dezelfde plaats worden aangetroffen, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte en [medeverdachte 1] zowel de portemonnee als de telefoon hebben gestolen. Dit beeld past ook bij de WhatsAppgesprekken, waaruit blijkt dat twee personen zich – naar eigen zeggen – schuldig hebben gemaakt aan het ‘jatten’, waarop vervolgens wordt gezegd dat [medeverdachte 1] en verdachte ‘dan de lul zijn’.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een wezenlijke bijdrage van verdachte aan de straatroof en van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. Het gebeurde mag dan zijn begonnen als een openlijke geweldpleging waarbij diefstal wellicht niet de inzet was, maar feit is dat bij die geweldpleging uiteindelijk ook de spullen van [slachtoffer] zijn gestolen. Daarmee is sprake van een voldoende verband tussen het gepleegde geweld en de diefstal.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2 primair:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 januari 2018;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 29 mei 2017 (p. Z1 008);

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 30 mei 2017 (p. Z1 027-028).

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van bovenstaande alsmede de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 28 mei 2017 te Schalkhaar, gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer een rijbewijs, bankpassen, een creditcard en contant geld) en een mobiele telefoon (merk iPhone), toebehorende aan [slachtoffer] welke diefstal werd vergezeld met geweld tegen die voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, in vereniging met een ander (met kracht) die [slachtoffer] meermalen (toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen) in het gezicht en tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt.

2. Primair

hij op 28 mei 2017 te Schalkhaar, gemeente Deventer, openlijk, te weten, op de Pastoorsdijk (ter hoogte van de supermarkt PLUS en woonwinkel Berghuis), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (met kracht)

- bij de arm vastpakken en de arm van die [slachtoffer] op de rug en naar achteren draaien en

- in het gezicht en tegen het lichaam slaan en stompen van die [slachtoffer] en

- vervolgens toen die [slachtoffer] op de grond was gevallen in het gezicht en tegen het lichaam trappen/schoppen van die [slachtoffer] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen;

feit 2 primair

het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte voor de feiten 1 en 2 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag met aftrek van het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 160 uren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit dat er geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging en diefstal met geweld, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] gewond is geraakt. Als gevolg van het gebruikte geweld heeft hij schaafwonden opgelopen en is een tand en kies afgebroken. [slachtoffer] is, zonder een echte aanleiding, door de groep waarvan verdachte deel uitmaakte, geslagen en nadat hij op de grond was gevallen, getrapt en op brute wijze beroofd van zijn telefoon en portemonnee. Het was verdachte die het initiatief nam tot de diefstal door zijn medeverdachten aan te sporen de zakken van het slachtoffer leeg te halen. De groep heeft het slachtoffer daarna op de grond laten liggen, is vertrokken en heeft zich niet bekommerd om zijn toestand. De rechtbank neemt verdachte zijn aanzienlijke rol bij dit zinloze geweld kwalijk. Het gezamenlijk en openlijk plegen van geweld is een zeer ernstig feit, niet alleen vanwege alle mogelijke fysieke gevolgen, maar ook omdat het tot gevoelens van angst en onveiligheid leidt bij het slachtoffer in het bijzonder en de samenleving in het algemeen. De impact van het feit is voor [slachtoffer] nog groter, omdat hij tijdens het geweld ook nog is beroofd van zijn telefoon en portemonnee.

Deze rechtbank heeft in het nadeel van verdachte rekening gehouden met zijn justitiële documentatie (het strafblad) van 24 november 2017. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld tot een werkstraf wegens een openlijke geweldpleging en een straatroof. De ernst van de huidige feiten is dusdanig dat in beginsel slechts een gevangenisstraf passend is, maar na de eerder opgelegde werkstraf voor soortgelijke feiten is naar het oordeel van de rechtbank zeker geen plaats meer voor afdoening met een werkstraf. Deze omstandigheden maken dat verdachte, ondanks zijn jonge leeftijd, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd. De rechtbank zal dan ook een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat verdachte, ook ter zitting, geen openheid van zaken heeft gegeven en in die zin geen verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Zijn spijtbetuiging komt daardoor ook weinig oprecht over.

Omdat de rechtbank wil voorkomen dat verdachte zich in de toekomst weer schuldig maakt aan strafbare feiten, acht zij een deels voorwaardelijk straf op zijn plaats. Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.923,29 (tweeduizend negenhonderddrieëntwintig euro en negenentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Tandarts reparatie gebit € 137,17

- Fiets reparatie € 59,90

- Portemonnee € 35,-

- 2 x Sleutel € 15,-

- Inhoud portemonnee € 70,-

- Toekomstige tandartskosten € 1.106,22

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.500,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , met uitzondering van de fiets reparatie, hoofdelijk wordt toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman betoogt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , met uitzondering van de fiets reparatie, hoofdelijk kan worden toegewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Met uitzondering van de schadepost ‘fiets reparatie’ zijn de opgevoerde schadeposten niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van

€ 2.863,39, de posten ‘tandarts reparatie gebit’ en ‘toekomstige tandartskosten’ te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data dat de kosten worden gemaakt en het overige te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De vordering zal hoofdelijk worden toegewezen nu meerdere personen verantwoordelijk zijn voor de schade.

Het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de onder de post ‘fiets reparatie’ opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om het causaal verband en deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen;

feit 2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

- omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt de proeftijd op 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , van een bedrag van € 2.863,39, de posten ‘tandarts reparatie gebit’ en ‘toekomstige tandartskosten’ te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en de overige posten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.863,39, de posten ‘tandarts reparatie gebit’ en ‘toekomstige tandartskosten’ te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en de overige posten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 38 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte of een van zijn mededader(s) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte of een van zijn mededader(s) aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], voor een deel van € 59,90 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2018.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, District IJsselland met nummer [nummer 1] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 29 mei 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. Z1 008):

(…) Op zondag 28 mei 2017 (…) liep ik (…) in Schalkhaar richting de supermarkt PLUS aan de Pastoorsdijk in Schalkhaar (...) Ik zag ter hoogte van Berghuis woonwinkel een groep jongeren (…) tussen de zestien en twintig jaar staan. Hierna weet ik niet meer wat er is gebeurd. Ik kwam op de grond tussen de PLUS en Berghuis weer bij en voelde dat ik bloed op mijn gezicht had. Ik voelde met mijn tong dat er een stuk van mijn rechter onderkies en linker voortand mistte. (…) Ik had ook schaafwonden op mijn gezicht. In het ziekenhuis kwam ik erachter dat ik mijn telefoon en portemonnee kwijt was. (…) Mijn bruin lederen portemonnee had meerdere vakjes waar ik mijn rijbewijs, twee Rabobank bankpassen, Rabobank creditkaart (…) en zeventig euro. Mijn telefoon is van het merk iPhone type 6S 64 GB met een zwart hoesje. (…)

2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 30 mei 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. Z1 027):

(…) V: Wat heeft u gisteren 28 mei tussen 22:00 uur en 00:00 uur gezien?

A: Ik zag dat er een jongen in elkaar werd geslagen. (…) Ik zag om 23:50 uur een groepje jongens om een persoon staan. (…) Hij kreeg twee (2) stoten en toen lag hij op de grond. (…) Hij lag toen in een foetushouding. Hij had toen een paar trappen gekregen. Ik zag dat zij trappende bewegingen maakten. (…) Ik zag dat een jongen naar zijn fiets rende. Hij maakte een beweging met zijn arm naar de grond en pakte iets van de grond. Hij rende toen weer naar zijn fiets. (…) De jongens die er al stonden, hielden hem al vast. (…)

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 12 juni 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. Z1 043-045):

(…) V: Met wie was jij daar in Schalkhaar?

A: Met mijn broertje [medeverdachte 1] , mijn neefje [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . (…) Mijn neef en mijn broertje hebben hem een paar klappen gegeven (…). [medeverdachte 2] heeft die man nog geschopt toen hij op de grond lag, ook in zijn gezicht. [medeverdachte 3] heeft die man ook nog geslagen. (…) Mijn broertje heeft vervolgens de mobiel opgepakt en kennelijk meegenomen. (…)

4. Het proces-verbaal van verhoor van minderjarige verdachte [medeverdachte 1] d.d. 12 juni 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. P2 016-017):

(…) A: De man zwalkte en liep op mij af. (…) Zijn hand schoot naar voren en raakte mijn buik. Echt heel zachtjes. (…)

V: En toen sloeg jij?

A: Ja dat klopt, ik heb met mijn vuist geslagen.

V: Waar heb je hem geraakt?

A: In zijn gezicht (…)

V: En toen?

A: Direct hierna sloegen [verdachte] en [medeverdachte 3] deze man ook nog. Het ging heel snel, ik

weet niet wie er eerst sloeg en waar ze de man raakten. (…) De man viel op de grond. (…) Ik heb (…) de telefoon opgepakt en meegenomen. (…)

5. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] d.d. 7 juni 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. P3 029):

(…) A: (…) Ik zag dat de man een glaasje te veel op had en agressief was richting de groep. De groep toonde ook agressie terug en er ontstond een woordenwisseling. (…) Ik heb de arm van de man op zijn rug gedraaid zodat hij niets kon doen. (…)

V: Wie heeft de man mishandeld?

A: Een (…) klap is gegeven door [medeverdachte 3] en gelijk daarna kreeg de man een

trap in zijn gezicht van [medeverdachte 1] . (…)

V: Wie heeft het slachtoffer beroofd?

A: [verdachte] .

V: Hoe ging dat?

A: Toen het slachtoffer op de grond lag zei [verdachte] : “zakken leeghalen”.

V: Wie bedoelde [verdachte] “om de zakken leeg te halen”?

A; Van de man die op de grond lag. (…)

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juni 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. Z1 082-085):

(…) Uit onderzoek is gebleken dat de volgende verdachten gebruik maken van genoemde

bijnaam en telefoonnummer:

- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats 2]

- [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats 1]

- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 3] 1999 te [geboorteplaats 3]

Ik zag dat op 30 mei 2017 het volgende gesprek op deze groepsApp plaats vond:

(…) 11:34 [medeverdachte 3] : (stuurt foto met een schermafdruk van de getuigenoproep van gewelddadige straatroof in Schalkhaar gepleegd op 28 mei 2017)

11:36 [verdachte] : Kankerzooi (…)

11:52 [medeverdachte 3] : [medeverdachte 1] heeft die tellie op een kkdonme plek gedumpt (…)

12:00 [verdachte] : Boys ze kunnen niks

12:02 [medeverdachte 1] : Wel als het gebeurtenis op camera staat de vechtpartij en het jatten?

12:04 [verdachte] : Dan wel

12:04 [verdachte] : Maar het jatten waren 2 mensen dusja (…)

12:04 [medeverdachte 1] : Dus jij [medeverdachte 1] zijn de lul?

12:05 [verdachte] : Mochten ze bewijs hebben wel (…)

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. Z1 050) in samenhang bezien met de als bijlage gevoegde tijdlijn bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2017 (p. Z1 064):

(…) Aangever verklaarde dat hij de volgende dag middels het programma genaamd Find My

iPhone zijn telefoon in de bosschage had gevonden aan de Koningin Wilhelminalaan te

Schalkhaar. Op de Koningin Wilhelminalaan ter hoogte van [nummer 2] te Schalkhaar vond hij een klantenpas uit zijn portemonnee. (…) Hij zag op de hoek Koningin Wilhelminalaan ter hoogte van [nummer 2] en Oosterwechelsweg te Schalkhaar, een klantenpas in de bosschage liggen. (…) Op de Oosterwechelsweg ter hoogte van [nummer 3] te Schalkhaar vond hij achter een muurtje meerdere passen en bonnetjes uit zijn portemonnee. (…)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer 1] . Tenzij hierboven anders is vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.