Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1527

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
6288595 \ CV EXPL 17-3027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Levering van twee bedden die niet betaald worden. Uitoefening retentierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 6288595 \ CV EXPL 17-3027

Vonnis van 27 maart 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma [eiseres],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

geboren op [1974] te [geboorteplaats] ,

woon- of verblijfplaats onbekend,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen, hierna te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

gemachtigde: Rechtskundig Bureau Vincam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 december 2017,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 22 februari 2018, met daarbij de ter zitting door [eiseres] overgelegde producties 2 tot en met 7.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een beddenspeciaalzaak. Op 21 maart 2017 heeft [eiseres] aan [gedaagde 1] twee bedden, twee bodems, twee matrassen en twee nachtkastjes (hierna te noemen: de bedden) verkocht, bestemd voor de heer [X] . [eiseres] heeft de bedden afgeleverd op het woonadres van de heer [X] op 14 april 2017.

2.2.

Op de factuur voor de bedden staan de naam en het emailadres van [gedaagde 1] vermeld.

2.3.

Per mailberichten van 18 en 27 april 2017 schrijft [gedaagde 1] aan [eiseres] dat hij het geld voor de bedden heeft overgemaakt aan [eiseres] . Per mailbericht van

3 mei 2017 schrijft de gemachtigde van [gedaagde 1] , de heer [A] , aan [eiseres] dat de bedden niet conform afspraak zijn geleverd en dat deze (vele) gebreken vertonen.

2.4.

Op 4 mei 2017 haalt de heer [Y] , eigenaar van [eiseres] , de bedden op van het adres van de heer [X] .

3 Het geschil

3.1.

De vordering

[eiseres] vordert - samengevat - om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van

  1. de hoofdsom van € 3.775,00,

  2. de buitengerechtelijke kosten van € 502,50,

  3. de wettelijke rente over het sub a gevorderde vanaf de dag van de dagvaarding,

  4. e kosten van deze procedure, waaronder begrepen kosten gemachtigde.

3.2.

[eiseres] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen partijen een koopovereenkomst is gesloten waarbij [eiseres] de bedden leverde voor een bedrag van

€ 3.775,00. De bedden heeft [eiseres] op verzoek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleverd en in elkaar gezet op het adres van de oom van [gedaagde 1] , de heer [X] . Vervolgens is betaling door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitgebleven. In deze procedure vordert [eiseres] betaling van de factuur voor de bedden.

3.3.

Het verweer

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen - samengevat - tot afwijzing van de vordering.

3.4.

Weliswaar erkennen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat ze beide in de winkel van [eiseres] de bedden hebben uitgekozen, maar zij betwisten dat [gedaagde 2] partij was bij de koopovereenkomst. Alleen [gedaagde 1] heeft de bedden besteld voor zijn oom. [gedaagde 1] heeft hiervoor nog niet betaald, omdat nog niet duidelijk was of zijn oom hiervan gebruik ging maken. Nu [eiseres] er zelf voor heeft gekozen de bedden terug te halen, is [eiseres] zelf verantwoordelijk voor de gevolgen daarvan, aldus [gedaagde 1] .

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] vordert van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaling van de factuur voor de bedden die volgens [eiseres] door zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] zijn gekocht. Door [gedaagde 2] wordt echter betwist dat zij partij was bij de koopovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde 2] partij was bij de koopovereenkomst. Dat wordt als volgt gemotiveerd. Dat [gedaagde 2] bij het uitzoeken van de bedden aanwezig was, betekent niet dat zij ook partij was bij de koopovereenkomst. [gedaagde 2] heeft de schriftelijke aankoopbon van 21 maart 2017 niet meegetekend en de factuur van [eiseres] is slechts gericht aan [gedaagde 1] . Bovendien verliep de communicatie over het uitblijven van de betaling van de bedden vervolgens tussen [gedaagde 1] en [eiseres] . Nu niet is gebleken dat [gedaagde 2] partij is bij de koopovereenkomst met [eiseres] , zal de vordering met betrekking tot [gedaagde 2] dan ook worden afgewezen.

4.2.

Anders dan door [gedaagde 1] gesteld in de conclusie van antwoord en de correspondentie

tussen partijen, is namens [gedaagde 1] ter zitting erkend dat hij de bedden wel degelijk heeft gekocht. Bovendien is namens [gedaagde 1] bevestigd dat hij niet heeft betaald voor de bedden. Ook de aanbetaling die op de factuur wordt vermeld is, anders dan de factuur doet vermoeden, nog niet betaald volgens [gedaagde 1] . Waarom [gedaagde 1] in de communicatie met [eiseres] en de conclusie van antwoord in deze procedure anders deed voorkomen is ter zitting niet duidelijk geworden. Ter zitting werd namens [gedaagde 1] verklaard dat de reden voor het uitblijven van de betaling van de factuur is dat niet zeker was of zijn oom van de bedden gebruik zou gaan maken. Zijn oom lag namelijk nog in het ziekenhuis. [gedaagde 1] heeft geen afspraak met [eiseres] gemaakt op basis waarvan betaling uit mocht blijven. Nu door [gedaagde 1] is erkend dat hij de bedden heeft besteld en nog niet heeft betaald, is [gedaagde 1] naar het oordeel van de kantonrechter dan ook gehouden de factuur te betalen.

4.3.

Op 4 mei 2017 heeft [eiseres] de bedden teruggehaald van het adres waarop de bedden eerder waren afgeleverd. Hoewel niet expliciet door [eiseres] gesteld, wordt hiermee naar het oordeel van de kantonrechter een beroep gedaan op het retentierecht. Op basis daarvan kan [eiseres] de bedden onder zich houden totdat [gedaagde 1] de factuur volledig betaalt. Dit recht ontstond voor [eiseres] op het moment dat in [gedaagde 1] in verzuim was. Op 27 april 2017 zond [eiseres] per mailbericht een ingebrekestelling aan [gedaagde 1] om de factuur uiterlijk 28 april 2017 om 12.00 uur te voldoen. Toen [gedaagde 1] dat naliet, raakte hij in verzuim en ontstond voor [eiseres] het retentierecht. Door de bedden terug te halen heeft [eiseres] de feitelijke macht over de bedden verkregen.

4.4.

Uit bovenstaande volgt dat [eiseres] het retentierecht op de bedden mag uitoefenen totdat [gedaagde 1] de bedden heeft betaald. Op het moment van betaling door [gedaagde 1] herleeft de verplichting van [eiseres] de bedden te leveren aan [gedaagde 1] . De vordering van [eiseres] wordt toegewezen en de kantonrechter zal [gedaagde 1] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.775,00. Dit bedrag wordt verhoogd met de gevorderde rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag waarop het totale bedrag door [gedaagde 1] is betaald.

4.5.

[eiseres] vordert voorts de buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 502,50. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] [gedaagde 1] een aanmaning heeft verzonden waarin hem een termijn van 14 dagen is gegeven om alsnog de factuur te voldoen en is gemeld dat bij uitblijven van de betaling buitengerechtelijke incassokosten in rekening worden gebracht. Dit is een vereiste, omdat [gedaagde 1] een consument is.

4.6.

[gedaagde 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] begroot op een bedrag van € 931,05. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • -

    dagvaardingskosten € 101,05

  • -

    griffierecht € 470,00

  • -

    salaris gemachtigde € 350,00 (2 x € 175,00 liquidatietarief kanton)

Totaal: € 931,05

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering op [gedaagde 2] af,

5.2.

wijst de vordering op [gedaagde 1] toe en veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 3.375,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de kosten van dit geding aan de zijde van [eiseres] tot aan dit vonnis begroot op € 931,05,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Mensink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2018.