Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:15

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-01-2018
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
08/730426-17 en 08/730614-17 (gev.ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man moet worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis omdat hij op 25 juli 2017 een politieagente in Olst mishandelde. De man lijdt aan psychoses en een cocaïneverslaving en is ontoerekeningsvatbaar. Hij moet 990 euro schadevergoeding betalen aan de agente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/730426-17 en 08/730614-17 (gev.ttz) (P)

Datum vonnis: 4 januari 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in HvB Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van de politierechter op 24 november 2017 en de meervoudige kamer van 21 december 2017.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 08/730426-17 en 08/730614-17 tegen verdachte aangebrachte zaken.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.C. Pol en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van een politieambtenaar en het voorhanden hebben van een wapen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Parketnummer 08/730426-17

hij op of omstreeks 25 juli 2017 te Olst, gemeente Olst-Wijhe, een ambtenaar, [slachtoffer] (brigadier van politie Oost-Nederland), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door deze [slachtoffer] één of meerdere malen (met kracht) op/tegen de borst en/of de heup, althans het (boven)lichaam te trappen en/of te schoppen en/of (vervolgens) (met kracht) in/tegen het gezicht te stompen en/of te

slaan;

parketnummer 08/730614-17

hij op of omstreeks 22 september 2017 te Almelo (een) (keuken)mes, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in categorie IV (onder 7) van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

Parketnummer 08/730426-17

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de bewezenverklaring beperkt dient te blijven tot het geven van een schop.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , kan worden geconcludeerd dat op 25 juli 2017 te Olst, gemeente Olst-Wijhe, een mishandeling heeft plaatsgevonden, waarbij de verbalisante [slachtoffer] door verdachte tegen de borst is getrapt en in het gezicht is gestompt waardoor zij pijn heeft bekomen.

Anders dan de verdediging heeft de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte haar tegen de borst heeft getrapt en in het gezicht heeft gestompt. De verklaring van verdachte dat hij één keer heeft getrapt acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat zich op 25 juli 2017 heeft afgespeeld. Bovendien ondersteunen de verklaringen van de getuigen deels de verklaring van [slachtoffer] en komen zij op wezenlijke onderdelen overeen. Verder is door een arts letsel bij [slachtoffer] geconstateerd, dat naar het oordeel van de rechtbank past bij de door [slachtoffer] omschreven toedracht.

De rechtbank is aldus van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd.

parketnummer 08/730614-17

4.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.5

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.6

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 december 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

2.

Het proces-verbaal van bevindingen, van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , van 22 september 2017, pagina 10 t/m 11, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten;

3.

Het proces-verbaal dragen wapen categorie IV zonder aannemelijke verklaring, met fotobijlage, van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , van 22 september 2017, pagina 12 t/m 16, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten.

4.7

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

Parketnummer 08/730426-17

hij op 25 juli 2017 te Olst, gemeente Olst-Wijhe, een ambtenaar, [slachtoffer] (brigadier van politie Oost-Nederland), gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door deze [slachtoffer] tegen de borst en de heup, te trappen en met (kracht) in het gezicht te stompen.

parketnummer 08/730614-17

hij op 22 september 2017 te Almelo een (keuken)mes, zijnde een voorwerp als bedoeld in categorie IV (onder 7) van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 27, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 54 van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend, omdat hij op het moment van het begaan van het bewezenverklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar was als gevolg van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

De raadsman heeft bepleit dat de rapportages van de psychiater en de psycholoog niet voldoen aan de vereisten van artikel 37 Sr en daarom niet kan worden geconcludeerd dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was op het moment van het begaan van de feiten. De raadsman verzoekt de zaak aan te houden teneinde de psychiater en de psycholoog die verdachte gedurende zijn verblijf in de penitentiaire inrichting hebben meegemaakt, ter terechtzitting te horen, danwel hen schriftelijk te laten rapporteren over de geestelijke gesteldheid van verdachte.

6.1

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de met betrekking tot de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages, te weten onder meer:

- een psychiatrisch Pro Justitia rapport van 17 november 2017, opgemaakt door

I. Hazemeijer, psychiater;

- een psychologisch Pro Justitia rapport van 13 november 2017, opgemaakt door

drs. A.M. Hertig, GGZ-psycholoog.

Uit het rapport van de psychiater blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens te weten een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of een andere psychotische stoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne. Ten tijde van het ten laste gelegde was de ziekelijke stoornis ook aanwezig. Tevens leed betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde aan delier als gevolg van een ernstige nierinsufficiëntie. Voorafgaand aan het ten laste gelegde verkeerde verdachte in een paranoïde psychotische toestand als gevolg waarvan hij zijn omgeving, andere mensen en hun gedragingen interpreteerde vanuit zijn achterdocht. Zij psychische toestand en bewustzijn verkeerde ook nog eens onder invloed van acuut nierfalen door voorafgaand cocaïnegebruik. In een dergelijke delirante toestand had verdachte geen invloed op zijn wisselende bewustzijn en gedrag. Voorafgaand aan het plegen van het ten laste gelegde feit heeft verdachte de ongeoorloofdheid kunnen inzien, maar is hij niet in staat geweest zijn wil in vrijheid, overeenkomstig een dergelijk besef, te bepalen. De psychiater acht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt onder meer dat verdachte weigerde aan het onderzoek mee te werken. Vanwege de weigering van verdachte kan door de psycholoog niet worden vastgesteld of er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en/of een ziekelijke stoornis. De overige vragen kunnen daarom ook niet beantwoord worden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de psychiater op goede gronden tot het advies is gekomen. Bovendien vindt het onderzoek en de daaruit volgende conclusie van de psychiater voldoende verankering in het dossier. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier onder meer naar voren komt dat er al langer sprake is van psychische problematiek bij verdachte. Vanaf 2009 is er contact tussen verdachte en Dimence in verband met angstklachten, maar na intake komt het niet tot behandeling. Ook zijn er sinds 2012 meerdere meldingen bij de politie binnen gekomen betreffende zorgen om de geestelijke gezondheid van verdachte (verdachte hoort stemmen, is angstig en psychotisch) en zijn er meldingen van de moeder van verdachte over zijn psychische toestand. In 2014 zou verdachte behandeling ondergaan, maar hij verschijnt niet op afspraken. In 2015 is verdachte door de huisarts verwezen voor hernieuwde intake voor behandeling, maar daartoe komt het niet en volgt terugverwijzing van verdachte. In juli 2017 is verdachte aangemeld voor Bemoeizorg vanwege verwaarlozing en achterdocht. Verdachte is op 22 september 2017 aangehouden waarbij er sprake was van bijzondere (psychische) omstandigheden. De rechtbank maakt derhalve de conclusie van de psychiater tot de hare.

Gelet op voorgaande acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte. Het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek door de psychiater en de psycholoog uit de penitentiaire inrichting waar verdachte verblijft, zal daarom worden afgewezen.

De rechtbank concludeert dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten ontoerekeningsvatbaar geacht dient te worden in verband met deze feiten en dat de feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar voor het bewezenverklaarde.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van een (1) jaar wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend is.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van haar functie. Van politieambtenaren wordt verwacht dat zij gewoon hun werk kunnen doen, juist wanneer zij ten dienste van de burger hun taak vervullen. De mishandeling heeft bij de desbetreffende politieambtenaar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een mes. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte werd aangetroffen, verdachte was blootvoets en liep op een stationsplein terwijl hij Arabische teksten prevelde en het mes voorhanden had, kan het bezit hiervan kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De psychiater concludeert dat het recidiverisico hoog is. Er is sprake van een aantal zeer relevante risicofactoren die voortkomen uit de psychose en cocaïnegebruik. Hier staan nauwelijks beschermende factoren tegenover, waarbij het juist ook weer vanuit de achterdocht is dat het verdachte daar aan ontbreekt. Zonder de psychose te behandelen, zal het recidivegevaar niet structureel kunnen worden teruggedrongen, tenzij verdachte in een gesloten setting wordt geplaatst. De deskundige adviseert verdachte te laten behandelen voor zijn psychose en verslaving door toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 37 Sr. De reclassering onderschrijft in het adviesrapport van 22 november 2017 het advies van de psychiater.

Gelet op het in voormelde rapportages vermelde ziektebeeld van verdachte, in samenhang met de aard van het onderhavige feiten en het recidiverisico, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Uit al het vorenstaande volgt dat bij verdachte sprake is van langdurige psychiatrische problematiek, en niet – zoals de verdediging heeft betoogd – van een eenmalig incident als gevolg van nierfalen. Behandeling van verdachte is noodzakelijk.

De rechtbank acht daarom, overeenkomstig het advies van de deskundige, de oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van een jaar geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 990,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder parketnummer 08/730426-17 tenlastegelegde.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 990,- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 39 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08/730426-17 en parketnummer 08/730614-17 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 het misdrijf: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
    feit 2 het misdrijf: handelen in strijd met artikel 27, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 54 van de Wet wapens en munitie.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder parketnummer 08/730426-17 en parketnummer 08/730614-17 bewezenverklaarde en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

maatregel

- gelast dat de verdachte zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een (1) jaar.

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 990,- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2017);

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 990,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 19 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en

mr. S. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2018.

Mr. Schreuder is niet in de gelegenheid het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017347577. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , met bijlage, van 26 juli 2017, pagina 13 t/m 26 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

“(…) Op dinsdag 25 juli 2017 was ik belast met een wijkdienst in de gemeente Olst-Wijhe. Ik reed in een onopvallend dienstvoertuig en was in politie uniform gekleed en in die hoedanigheid herkenbaar als zijnde politie. (…) Op dinsdag 25 juli 2017 hadden collega’s van de 14.04 eerder op de avond een melding gehad van de moeder van [verdachte] . (…) Aanrijdend heb ik telefonisch contact gehad met de meldster. Ik hoorde dat de meldster vertelde dat [verdachte] lopend onderweg was naar het station te Olst. Ook hoorde ik dat zijn tante met hem mee liep, omdat zij bang was dat hij zichzelf wat zou aandoen. (…) [verdachte] zou psychotisch zijn. (…) Hij was vriendelijk en werkte meteen mee. Hij gaf direct zijn ID kaart. (…) De man werd mij bekend als zijnde [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] . (…) Ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde in de richting van mij: “jij bent geen politie, geef mijn legitimatie terug”. Hij sloeg ineens om. (…) Ik zag dat [verdachte] de vrouw (zijn tante) wegdrukte en met snelheid op mij af kwam lopen, waarop ik hem met kracht wegdrukte en ik zei dat hij op afstand moest blijven. Ik zag dat [verdachte] uit het niets met zijn rechterbeen met kracht een voorwaartse trap op mijn borstkast gaf. Ik voelde een scherpe pijnscheut in mijn borst, waardoor ik een seconde naar adem hapte. (…) Ik heb nu wel last van mijn ribben en mijn linkerheup. Op het moment dat ik [verdachte] met mijn handen wilde vastpakken trapte hij opzettelijk en met zeer veel kracht in mijn ribbenkast. (…) Ik voelde een heftige pijnscheut door mijn gehele bovenlichaam. (…) Ik zag dat [verdachte] zich omdraaide en met zijn rechtervuist met kracht in mijn gezicht sloeg. Dit was tegen mijn rechteroog. Ik voelde een heftige pijnscheut door mijn gehele gelaat. (…) V:Welk letsel heb je er aan overgehouden? A: Pijnlijke linkerheup, mijn ribbenkast doet pijn, een rode zwelling boven mijn oog, een rode plek op mijn arm, ik had bloedcontact met de VE, een kras op mijn rechterbeen, een blauwe plek op mijn linkerkuit. (…).”

2.

Een geschrift, zijnde een letselrapportage van GGD IJsselland, van 28 juli 2017, met fotobijlage, betreffende [slachtoffer] , pagina 27 t/m 34, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de forensisch arts:

“(…) Letselbeschrijving: Hoofd. In het gebied rond het rechteroog is nog geringe blauwe verkleuring en geringe zwelling zichtbaar. (foto 3). (…) Romp. Borst. (…) Bij onderzoek geeft BE drukpijn aan bij borstbeen en bij de aanhechting van de onderste ribben aan het borstbeen. (…).”

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 26 juli 2017, pagina 42 t/m 44, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Dinsdag 25 juli 2017 ging ik rond 20.25 uur naar het station in Olst. (…) Ik zag dat er een vrouwelijke politieagent bij de man stond. (…) Ik kon horen dat de agente de identiteitskaart van de man vroeg. (…) Ik hoorde dat de man tegen de agente begon te schreeuwen, geef mijn id terug en nu wil ik jouw id zien. Ik zag dat de man tegen de agente begon te duwen met zijn beide handen (…) Ik zag toen dat de man de agente een harde trap in haar buik gaf. (…) Ik zag dat de man de agente nog een keer trapte. (…).”

4.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , van 26 juli 2017, pagina 45 t/m 47, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Ik was gisteravond, dinsdag 25 juli 2017 (…) bij het station in Olst. (…) Op enig moment, ik denk na een paar minuten hoorde ik de man aan uw collega vragen: “ik wil uw ID zien” of zoiets. (…) Ik hoorde de man nog een keer vragen om haar ID, maar nu schreeuwde hij bijna. (…) Ik hoorde uw collega toen zeggen dat de man afstand moest houden, ik zag ook dat uw collega met haar hand de man iets achteruit duwde, dat ging niet hard, was volgens mij meer om wat ruimte te maken. (…) Ik zag dat de man met een van zijn voeten uw collega vol op de borst trapte. (…).”

5.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , van 4 augustus 2017, pagina 52 t/m 54, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) V: Wat kan je verklaren over het incident wat je hebt gezien bij het station in Olst? (…) A: De agente vroeg de man om zijn ID kaart. (…) Uit het niks liep uit de hand, de man gaf de agente klappen en schoppen. (…) Ik heb gezien dat ze een paar rake trappen van hem kreeg en ook wat klappen. (…) V: Waar kreeg de agente trappen? A: Volgens mij in haar buik en op haar been. (…) V: En waar kreeg de agente de klappen? A: Deze gingen richting haar gezicht. Het waren wel een paar klappen. (…).”

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017440590 van 23 september 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.