Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1461

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
C/08/209140 / FA RK 17-2559
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Inkomensverlies niet herstelbaar en niet verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/209140 / FA RK 17-2559

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 30 maart 2018

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. P. van der Zalm te Hengelo Ov,

en

[verweerster] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. E.M. Elfrink te Hengelo Ov.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 23 oktober 2017;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 19 december 2017;

- een op 28 december 2017 binnengekomen email van mr. Elfrink met bijlage;

- een op 16 januari 2018 binnengekomen email van mr. Elfrink met bijlage;

- een op 23 januari 2018 binnengekomen F9-formulier van mr. Van der Zalm van 22 januari 2018 met bijlagen;

- een op 26 januari 2018 binnengekomen email van mr. Elfrink met bijlagen;

- een op 28 februari 2018 binnengekomen email van mr. Elfrink met bijlagen;

- een op 5 maart 2018 binnengekomen F9-formulier van mr. Van der Zalm van 5 maart 2018 met als bijlage een schrijven van 4 maart 2018 en de bijlagen 4 tot en met 7.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 15 maart 2018. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [2011] te [plaats] met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [2013] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2014] .

2.2.

Bij beschikking van 29 februari 2016 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 9 maart 2016 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.3.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat:
- de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen € 370,- per kind per maand zal voldoen.

2.4.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2017 € 378,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2018 € 383,- per kind per maand

3 Het verzoek

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij beschikking van deze rechtbank van 29 februari 2016 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te wijzigen en deze bijdrage met ingang van 1 november 2017 tot 1 februari 2018 vast te stellen op € 79,50 per kind per maand en met ingang van 1 februari 2018 op € 70,- per kind per maand, dan wel op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. De man stelt dat de omstandigheden zijn gewijzigd, nu de man per 1 november 2017 een WW-uitkering ontvangt. De man zat hiervoor reeds nagenoeg een jaar in de Ziektewet. Middels een vaststellingsovereenkomst is een einde gekomen aan zijn dienstbetrekking bij [X] . De man heeft geen transitievergoeding ontvangen. Hiermee is de draagkracht van de man substantieel gewijzigd en kan hij niet langer huidige bijdrage voldoen.

4 Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen, kosten rechtens. Volgens de vrouw is sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. Daarnaast stelt de vrouw dat de man aanspraak had kunnen maken op een transitievergoeding. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Geheel subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man is staat is een bijdrage van € 333,- per kind per maand te leveren in de kosten van de kinderen.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1.

De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden erin gelegen dat zijn

inkomen is gewijzigd, nu hij per 1 november 2017 een WW-uitkering ontvangt. Dit maakt

dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. Of deze gewijzigde omstandigheid ook

tot een wijziging van de thans geldende kinderbijdrage zal dienen te leiden, wordt hierna

beoordeeld.

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

De ingangsdatum

5.2.

De vrouw heeft de door de man verzochte ingangsdatum van de te wijzigen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding niet weersproken, zodat de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de man zal beslissen en de ingangsdatum zal bepalen op 1 november 2017.

Behoefte minderjarigen

5.3.

De man stelt zich op het standpunt dat voor de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] destijds in de voorlopige voorzieningenprocedure in december 2015 ten onrechte geen rekening is gehouden met de alimentatieverplichting jegens de ex-echtgenote van de man. Er had gekeken moeten worden naar het daadwerkelijk besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk met de vrouw. Feitelijk hebben zij slechts de beschikking gehad over hun beider inkomens, verminderd met de alimentatieverplichting van de man. Om die reden moet volgens de man de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lager worden vastgesteld.

De vrouw heeft een en ander betwist. Volgens haar is de behoefte in de voorlopige voorzieningenprocedure uitgebreid aan de orde geweest. De overwegingen zijn volgens de vrouw goed geweest, zodat de behoefte juist is vastgesteld.

5.4.

De rechtbank overweegt als volgt. In de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 28 december 2015 is een uitgebreide overweging opgenomen over de behoefte van de kinderen. De behoefte is in die beschikking vastgesteld op € 508,- per kind per maand. In de echtscheidingsprocedure heeft de vrouw € 370,- per kind per maand verzocht als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , overeenkomstig de beslissing in de voorlopige voorzieningen. De man heeft geen verweer gevoerd tegen die bijdrage, zodat de door de vrouw verzochte bijdrage is vastgesteld in de echtscheidingsbeschikking van 29 februari 2016. De man is niet in hoger beroep gegaan van de echtscheidingsbeschikking. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank de behoefte van de kinderen vast. De rechtbank gaat daarom uit van een behoefte van de kinderen van

€ 508,- per kind per maand. Ten aanzien van de indexering volgt de rechtbank het standpunt van de man dat, nu de alimentatieverplichting in de echtscheidingsprocedure is vastgesteld met ingang van 1 januari 2016, de indexering voor het eerst plaatsvindt per 1 januari 2017. Hiermee komt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2017 op € 519,- per kind per maand.

5.5.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de behoefte van de kinderen thans moet worden verhoogd met de kosten die zij moet maken voor kinderopvang.

De man heeft een en ander betwist. De vrouw heeft volgens de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij op de dagen dat zij van de kinderopvang gebruik maakt ook daadwerkelijk werkt, dan wel dat de daarmee gemoeide kosten noodzakelijk waren en van een dergelijke orde dat deze als ‘hoog’ aan te merken zijn. Deze dienen dus niet behoefte verhogend te werken.

5.6.

De rechtbank overweegt als volgt. De behoefte van de kinderen is gebaseerd op het welvaartsniveau ten tijde van het huwelijk. Het ligt dan ook niet in de rede dat bij elke wijziging die na de echtscheiding plaatsvindt de behoefte van de kinderen wordt bijgesteld, nu de kinderen aan de mate van welvaart tijdens het huwelijk gewend zijn geraakt. Eventueel kan de behoefte worden gecorrigeerd als het gaat om kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd in de tabel “Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen” en die bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. In dit geval is bij de vrouw naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dermate hoge oppaskosten dat die niet zijn te compenseren met andere uitgavenposten, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de behoefte van de kinderen hiermee te verhogen.

5.7.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen van € 519,- per kind per maand. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

De draagkracht van de man

5.8.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat sprake is van voor herstel vatbaar inkomensverlies. Nu er een ontslagverbod geldt tijdens ziekte is het inkomensverlies volgens de vrouw door toedoen van de man ontstaan. Onduidelijk is waarom de man heeft ingestemd met de vaststellingsovereenkomst tijdens het ontslagverbod. De man had volgens de vrouw bovendien recht op een transitievergoeding. Als de rechtbank van oordeel is dat het inkomen van de man niet voor herstel vatbaar is, is het inkomensverlies volgens de vrouw verwijtbaar en dient dus te worden uitgegaan van oude inkomen. De vrouw heeft in dit kader ter zitting verwezen naar een aantal uitspraken. De man is ziek geweest en had zijn dienstverband moeten continueren dan wel andere keuzes moeten maken. De door hem gemaakte keuzes mogen niet ten nadele van de kinderen komen, zodat met een fictief inkomen ter hoogte van het oude inkomen van de man dient te worden gerekend.

5.9.

De man heeft in zijn brief van 4 maart 2018 naar aanleiding van het verweer van de vrouw en op verzoek van de rechtbank het een en ander toegelicht over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en de transitievergoeding. [X] , waar de man medeoprichter, mede-eigenaar en het gezicht van was, is nagenoeg financieel ten dode opgeschreven. In 2011 heeft de man noodgedwongen zijn aandelen (50%) moeten verkopen om niet toen al financieel ten onder te gaan vanwege een schuld van meer dan € 200.000,- en een naderend faillissement. Investeerders (werkgever) gebben toen de aandelen van de man overgenomen. De man is toen in loondienst getreden, tegen een veel hoger salaris dan gebruikelijk in de functie die hij kreeg als bedrijfsleider. Dit vanwege de bijzondere positie die de man toen had, namelijk als gezicht van het restaurant. De investeerders vonden het belangrijk dat de man aanbleef als het gezicht van het restaurant en waren bereid om daar meer voor te betalen dan gebruikelijk in een dergelijke functie. Vervolgens is de man uitgevallen met psychische klachten, te weten burn-out/overspannenheidsklachten. Terugkeer naar [X] was niet mogelijk. In goed overleg tussen de bedrijfsarts, zijn werkgever en de man is toen besloten om de arbeidsrelatie te beëindigen. Dit is gebeurd middels een vaststellingsovereenkomst van

31 augustus 2017. Om het ontslagverbod te omzeilen, diende de man hiervoor eerst beter gemeld te worden. Dit was slechts een formaliteit. De werkgever van de man wilde hieraan meewerken, om de man meer ademruimte te geven (zonder continue druk van een re-integratieverplichting), maar wilde hier geen transitievergoeding voor betalen. Temeer nu zij de man reeds bij overname van zijn aandelen en de schuld die de man destijds in de onderneming had reeds aanzienlijk hebben ‘gematst’. Ongeveer de helft van het bedrag dat de man destijds nog als schuld in de onderneming had, is destijds (met goedkeuring van de fiscus) kwijtgescholden. Het restant is de man nog steeds aan het afbetalen. Wel heeft de werkgever van de man veel tijd en energie geïnvesteerd als het gaat om het verkrijgen van werk elders (o.a. meenemen naar netwerkbijeenkomsten e.d.), zodat de kans op een baan elders voor de man vergroot werd. Gegeven de omstandigheden, is dit volgens de man de beste oplossing geweest.

5.10.

De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het inkomen van de man voor herstel vatbaar is en zo ja, of dit van de man kan worden gevergd. De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kon terugkeren naar zijn oude werkplek [X] . Dit wordt bevestigd in het spreekuurverslag van de bedrijfsarts van de man van 8 juni 2017, waarin is vermeld: “... dat terug naar eigen werkplek niet mogelijk is. Sterker nog, het is te verwachten, dat dat een averechts effect zou kunnen hebben op zijn herstel en gezondheid. Om die reden is outplacement of 2e spoor aangewezen. Outplacement is eigenlijk meer op zijn plaats omdat te verwachten is dat zijn beperkingen niet blijvend zullen zijn. Ook in geval dat de beperkingen verdwenen zijn, is terugkeer niet mogelijk om preventieve redenen. Bij eventuele terugkeer is te verwachten dat zijn medische klachten zullen terug komen.”

De man heeft hiermee voldoende onderbouwd dat terugkeer naar zijn oude werkgever vanwege zijn psychische klachten niet meer aan de orde was; niet in zijn toenmalige functie noch in een andere functie.

5.11.

De man heeft tevens voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zijn functie van bedrijfsleider een veel hoger salaris genoot dan te doen gebruikelijk in dergelijke functies in de horeca. De man heeft een en ander onderbouwd met het overleggen van een CAO van de horeca, waaruit een en ander kan worden afgeleid. De reden hiervoor heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht, nu de man het gezicht van het [X] was en de investeerders bereid waren om daar meer voor te betalen dan gebruikelijk.

5.12.

Nu voldoende is gebleken dat terugkeer naar de oude werkgever voor de man niet mogelijk was en de man in zijn toenmalige functie een hoger salaris ontving dan gebruikelijk, komt de rechtbank tot de conclusie dat het inkomensverlies van de man niet voor herstel vatbaar is.

5.13.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de man zich van zijn gedragingen had moeten onthouden, dus of het inkomensverlies van de man verwijtbaar is. Hiervoor is van belang of de man met het oog op zijn onderhoudsplicht jegens zijn kinderen, verwijtbaar heeft gehandeld door de vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever te ondertekenen. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt hiertoe het volgende. Zoals hiervoor reeds is overwogen, was terugkeer naar zijn [X] voor de man geen optie. Voldoende is gebleken dat dit voor de man te belastend was en dit naar alle waarschijnlijkheid tot een meer langdurige uitval van de man zou leiden. Indien niet voor deze weg was gekozen, acht de rechtbank de kans niet onaannemelijk dat de man uiteindelijk in de WIA was beland. De man stelt dat dit voor zijn geestelijk welzijn funest was geweest. Een langdurig integratietraject/ziekteverzuim was dan waarschijnlijk het gevolg geweest. De man stelt verder dat, gelet op zijn leeftijd en zijn drive om toch nog iets van het werkende leven te maken, hij niet het risico wilde lopen om uiteindelijk helemaal geen werk meer te kunnen vinden. Hiermee heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, binnen zijn mogelijkheden, het maximale heeft gedaan om er financieel gezien het beste uit te komen. De man heeft door het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst een hogere uitkering ontvangen, nu zijn WW-uitkering is gebaseerd op zijn voormalige (hoge) salaris. Ter zitting is gebleken dat de man, met toestemming van het UWV, inmiddels ander werk heeft gevonden, waarbij hij zelfstandig een onderneming mag beginnen met behoud van zijn WW-uitkering gedurende zes maanden. De man wordt in die periode van zes maanden gekort met 29% op zijn uitkering, waarbij hij zijn verdiensten mag houden. De man heeft dus de kans gekregen om, met behoud van zijn uitkering, uiteindelijk weer geheel in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De vraag is of de man dit, financieel gezien, had bereikt indien hij de vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever niet had getekend, nu de kans groot was geweest dat hij dan in het WIA traject was terechtgekomen. Van verwijtbaar handelen in verband met de onderhoudsplicht van de man jegens zijn kinderen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

5.14.

De man heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldoende onderbouwd waarom hij geen transitievergoeding heeft ontvangen. Nu de werkgever de man reeds vanaf 2011 financieel tegemoet kwam, vanwege het hoge salaris en vanwege het kwijtschelden van de helft van de schuld die de man destijds nog in de onderneming had, acht de rechtbank het alleszins redelijk en aannemelijk dat de man in dit geval geen transitievergoeding van zijn werkgever heeft ontvangen.

5.15.

Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van voor herstel vatbaar dan wel van verwijtbaar inkomensverlies aan de kant van de man, gaat de rechtbank voor het inkomen van de man uit van de volgende gegevens:

5.16.

De man ontvangt met ingang van 1 november 2017 een WW-uitkering ter hoogte van

€ 3.386,48 en met ingang van 1 februari 2018 ter hoogte van € 3.160,17. Per 1 maart 2018 start het traject dat de man , met behoud van zijn WW-uitkering, gedurende zes maanden zelfstandig een onderneming mag beginnen, waarbij hij voor 29% wordt gekort op zijn uitkering en de man zijn verdiensten mag behouden. Omdat de hoogte van die verdiensten onduidelijk zijn, meent de man dat voor die periode van zes maanden uitgegaan kan worden van zijn WW-uitkering zonder korting. De vrouw heeft een en ander niet weersproken, zodat de rechtbank hiervan uit gaat.

5.17.

De oudste zoon van de man, [A] (19 jaar), woont bij de man. Per 1 februari 2018 volgt [A] een leer/werktraject en kan hij met het inkomen dat hij daarmee genereert geheel in zijn behoefte voorzien. Partijen zijn het erover eens dat in de draagkracht van de man niet langer rekening hoeft te worden gehouden met [A] .

5.18.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting.

5.19.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man vanaf 1 november 2017 op € 2.181,- en vanaf 1 februari 2018 op € 2.058,- per maand.

5.20.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905)] met ingang van 1 november 2017 op € 435,- en met ingang van

1 februari 2018 op € 374,- per maand.

5.21.

Voor zover de man wenst dat op voormelde formule een correctie wordt toegepast in verband met de door hem te betalen rente en aflossing van € 500,- per maand op een schuld aan zijn broer en een aflossing van € 376,35 per maand op een schuld aan [X] ., overweegt de rechtbank als volgt. In beginsel blijven overige lasten, zoals rente en aflossing van een schuld, buiten beschouwing bij de berekening van de draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Wel kan er reden zijn dat met bepaalde lasten rekening wordt gehouden door het draagkrachtloos inkomen te verhogen met die lasten. De rechtbank zal dan moeten beoordelen of deze lasten niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn.

5.22.

Nu de man de noodzaak voor het aangaan van deze schulden niet heeft aangetoond en de man in zijn eigen draagkrachtberekening evenmin een correctie heeft toegepast, houdt de rechtbank geen rekening met deze schulden.

De draagkracht van de vrouw

5.23.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor haar inkomen dient te worden uitgegaan van haar ‘basis’ inkomen, gebaseerd op een 20-urige werkweek. Uit de salarisspecificaties van de vrouw blijkt weliswaar dat zij bepaalde periodes meer heeft gewerkt, maar dat was gedurende de vakantieperiode en in verband met het overnemen van uren van een zieke of zwangere collega. Hiermee dient volgens de vrouw geen rekening te worden gehouden.

De man is van mening dat uitgegaan moet worden van het totaal gegenereerde inkomen, hetgeen moet worden gemiddeld.

5.24.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat van het gemiddelde inkomen van de vrouw dient te worden uitgegaan, nu de salarisspecificaties van de vrouw sterk uiteenlopen en de vrouw vrijwel structureel meer heeft gewerkt dan 20 uur per week. De vrouw heeft een verklaring van de werkgever van de vrouw in het geding gebracht, waaruit blijkt dat het de intentie van de werkgever is om het contract van de vrouw dat in mei afloopt, te verlengen. De rechtbank gaat hier dan ook van uit.

5.25.

Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de cumulatieven, zoals die blijken uit de salarisspecificatie van de maand december 2017. Hieruit volgt een fiscaal loon van € 9.253,72. Nu de vrouw per 22 mei 2017 in dienst is getreden, heeft de rechtbank dit loon omgerekend naar een jaarloon en vermeerderd met vakantietoeslag van 8%. De rechtbank komt dan op een bruto jaarloon van de vrouw van afgerond € 16.764,-, inclusief vakantietoeslag.

5.25.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

5.26.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw, inclusief haar aanspraak kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van € 5.116,- per jaar, op € 1.823,- per maand.

5.27.

De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905)] op € 259,- per maand.

De draagkrachtvergelijking

5.28.

Nu de gezamenlijke draagkracht van man en de vrouw van € 694,- met ingang van

1 november 2017 en € 633,- met ingang van 1 februari 2018 per maand lager is dan het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen van € 1.038,- per maand, ziet de rechtbank geen reden de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op een lager bedrag vast te stellen dan zijn draagkracht toelaat.

De zorgkorting

5.29.

Ter zitting is gebleken dat de man in de ene week omgang heeft met de kinderen van zondag tot en met dinsdagochtend en in de andere week van maandag tot en met dinsdagochtend. Verder worden de vakanties en feestdagen zoveel mogelijk bij helfte gedeeld. De man heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting. De rechtbank volgt wat betreft de hoogte van die zorgkorting de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. De man heeft per jaar gemiddeld 121 dagen omgang:

- 26 weekenden x 2 dagen (zondag en maandag) = 52 dagen per jaar

- 26 weekenden x 1 dag (maandag) = 26 dagen per jaar

- de helft van de vakantieweken = 38,5 dagen per jaar

- de helft van de feestdagen = 4,5 dagen per jaar

------

121 dagen per jaar

Het aantal dagen per jaar : 52 weken, komt in dit geval neer op gemiddeld 2,3 dag per week zorg. Uitgaande van voormelde regeling geldt dan een zorgkortingspercentage van 25%.

5.30.

Nu het aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen € 1.038,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 260,- per maand.

5.31.

Nu de draagkracht van de ouders van in totaal € 694,- respectievelijk 633,- per maand onvoldoende is om volledig in het aandeel van de ouders in de kosten van minderjarige kinderen van € 1.038,- per maand te voorzien, wordt het tekort aan draagkracht aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat zijn aandeel in het tekort van € 86,- respectievelijk € 101,- per maand in mindering komt op hiervoor berekende zorgkorting. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarige kinderen komt daarmee met ingang van 1 november 2017 op € 174,- per kind per maand en met ingang van 1 februari 2018 op € 158,- per kind per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De terugbetalingsverplichting

5.32.

Volgens vaste rechtspraak dient de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalings-verplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Bij die beoordeling is onder andere van belang de omvang van de eventuele terugbetalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de eerder betaalde bijdragen reeds zijn verbruikt, of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte, en het belang van de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bijdragen. Een onderhoudsgerechtigde die te hoge bedragen heeft ontvangen, zal immers in beginsel gehouden zijn tot terugbetaling daarvan.

5.33.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover er na 1 november 2017 door de man teveel gelden zouden zijn betaald aan de vrouw, kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij die bedragen terug betaalt. Kinderalimentatie is bedoeld als bijdrage in de kosten van de kinderen en de rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw die gelden ook als zodanig heeft besteed en dus zijn verbruikt.

De proceskosten

5.34.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank:

I. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank 29 februari 2016 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [2013] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2014]

en stelt die bijdrage met ingang van 1 november 2017 op € 174,- (honderd vierenzeventig euro) per kind per maand en met ingang van 1 februari 2018 € 158,- (honderd achtenvijftig euro) per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

II. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

III. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

IV. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.A.J. Lemain en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018 in tegenwoordigheid van G.H. Mensink-Heuver, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.