Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1449

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
08/953033-15 en 08/952487-17 (P) (t.t.z. gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 51-jarige man voor onder andere meerdere oplichtingen, afpersing en valsheid in geschrifte in Rijssen, Enter, Wierden en Markelo. De man krijgt een celstraf van 12 maanden en 14 dagen, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ook moet de man ruim 32.000 euro aan schadevergoedingen betalen aan zijn slachtoffers.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat hij ruim 34.000 euro aan illegaal verdiend geld moet betalen aan de Staat. Het bedrag van ruim 32.000 euro dat hij aan schadevergoedingen moet betalen wordt daarvan afgetrokken, zodra hij de schadevergoedingen heeft betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/953033-15 en 08/952487-17 (P) (t.t.z. gevoegd)

Datum vonnis: 1 mei 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.M. Stad en van hetgeen door de gemachtigde raadsman

mr. M.A.J. van der Klaauw, advocaat te Haarlem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Parketnummer 08/953033-15

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 17 april 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 november 2014 tot en met 14 december 2015 [slachtoffer 1] ,

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bewogen tot afgifte van geld, althans dat hij in die periode geld van hen heeft verduisterd;

feit 2: in de periode van 1 april 2015 tot en met 10 november 2015 [slachtoffer 4] heeft bewogen tot afgifte van geld, althans dat hij in die periode geld van [slachtoffer 4] heeft verduisterd;

feit 3: in de periode van 1 maart 2014 tot en met 11 december 2015 geld van [slachtoffer 5] ,

[slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] heeft verduisterd;

feit 4: in de periode van 18 juli 2015 tot en met 2 januari 2016 [slachtoffer 6] heeft bewogen tot afgifte van geld;

feit 5: op 23 juni 2016 een koopakte voor de aankoop van een woning heeft vervalst om dit als echt te gebruiken.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08/953033-15 aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 15 december 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] (PV, pag. 28) en/of [slachtoffer 2] (PV, pag. 65) en/of [slachtoffer 3] (PV, pag. 196)

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van meerdere, althans een, hoeveelhe(i)d(en) geld

te weten

-met betrekking tot [slachtoffer 1] euro 750,-- (zevenhonderdvijftig) (PV,

pag. 28) en/of

-met betrekking tot [slachtoffer 2] euro 2.850,-- (achtentwintighonderdenvijftig)

(PV, pag. 65) en/of

-met betrekking tot [slachtoffer 3] euro 1.100,-- (elfhonderd) (PV, pag. 196)

, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte

(telkens)met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-zich ten overstaande van voornoemde personen voorgedaan als bonafide

handelaar in elektronica en/of in I-phones en/of I-pads en/of Mac-Books en/of

-gezegd/voorgedaan alsof hij -verdachte- voornoemde goederen wel tegen

gereduceerde prij(s)zen zou kunnen leveren en/of

-ten overstaande van voornoemde personen voorgedaan (nadat hij een keer wel

heeft geleverd) dat hij ook in (een) volgende bestelling(en) van elektronica

en/of laptops en/of I-phones en/of I-pads en/of Mac-Books kan/zou kunnen

voorzien/leveren en/of

-zich ten overstaande van voornoemde [slachtoffer 1] voorgedaan als [alias]

en/of

-heeft gezegd/voorgedaan tegen voornoemde personen dat hij -verdachte- wel een

laptop's en/of I-Phone's en/of Mac-Books kon leveren en/of

-(telkens) een aanbetaling/vooruitbetaling gevraagd/geëist (en ontvangen)

omdat hij de goederen al besteld zou hebben en/of omdat dit iets zakelijks was

en/of omdat hij zijn leverancier(s) moest betalen en/of dat de bij hem

-verdachte- bestelde goederen binnen 10 dagen geleverd zouden worden en/of dat

hij tegen de prijzen waartegen hij de genoemde goederen leverde er zelf bijna

niets meer op verdiende en/of

-gezegd/voorgedaan alsof hij -verdachte- er zelf wel 250,-(tweehonderdvijftig

euro) bij zou doen voor die [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] (PV, pag. 28) en/of [slachtoffer 2] (PV, pag. 65) en/of [slachtoffer 3] (PV, pag. 196) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n)(PV.nr. 2016065342);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van van 01 november 2014 tot en met 15 december 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, in ieder geval in Nederland, opzettelijk meerdere, althans een hoeveelhe(i)d(en) geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (PV, pag. 28) en/of [slachtoffer 2] (PV, pag. 65) en/of [slachtoffer 3] (PV, pag. 196), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door

misdrijf, te weten als (vooruit)betaling voor (een) bij hem -verdachte- bestelde en/of (een) door hem -verdachte- te leveren I-Phone('s) en/of I-Pads en/of Laptops, althans (dure) elektronica, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend(PV.nr. 20160665342);

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met

10 november 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] ( PV, pag. 44) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

een hoeveelheid geld (te weten euro 10.250,- en/of euro 6.000,- en/of 450,-), immers heeft verdachte

-voorgedaan alsof hij een bonafide leverancier van I-phones zou zijn door via

een advertentie op marktplaats twee I-Phones, type 5s aan die [slachtoffer 4] te

verkopen en te leveren en/of

-(vervolgens), toen die [slachtoffer 4] vroeg of hij ook 20(twintig) I-Phones, type 6

en/of 1 (een) Samsung, type Alpha kon leveren (voor respectievelijk euro

500,-(vijfhonderd) en/of euro 250,-(tweehonderdvijftig) per stuk) tegen die

[slachtoffer 4] gezegd/medegedeeld dat hij -verdachte- dit wel kon leveren en/of

-gezegd/medegedeeld dat het 10 (tien) dagen duurde alvorens de telefoons

binnen zouden zijn en/of

-gezegd/medegedeeld aan die [slachtoffer 4] dat hij het het totaalbedrag ad euro

10.250,- (tienduizendtweehonderdvijftig) vooraf/van te voren overgemaakt

diende te worden omdat dit gebruikelijk zou zijn in deze branche/handel en/of

-gezegd/medegedeeld dat hij -verdachte al 15 (vijftien) jaar zaken deed met

deze leverancier en/of

-gezegd medegedeeld dat die [slachtoffer 4] hem kon vertrouwen, omdat die [slachtoffer 4] zijn

-verdachtes- naam, adres en telefoonnummer wist en/of

-gezegd medegedeeld dat zijn -verdachtes- ouders in Rijssen woonden en/of dat

-gezegd medegedeeld dat hij verdachte kennissen had bij de voetbal in Enter en/of

-gezegd/medegedeeld dat hij -verdachte- de professioneel scheidsrechter [scheidsrechter]

persoonlijk zou kennen en/of

-gezegd/medegedeeld dat hij verdachte aan de KNVB voetbalbond telefoons zou

hebben geleverd en/of

-toegezegd/medegedeeld dat (toen de telefoons niet geleverd werden) hij -verdachte- de reeds (aan)betaalde euro 10.250,- zou terugstorten en/of

-gezegd/ medegedeeld dat hij -verdachte- 20 (twintig) a 30 (dertig) elektrische fietsen kon leveren voor euro 6.000,- (zesduizend) en/of

-gezegd medegedeeld dat voornoemde euro 6.000,- (zesduizend) van tevoren, tegen afgifte van een kwitatie, betaald moesten worden en/of

-gezegd/medegedeeld dat het 10 (tien) dagen duurde alvorens de fietsen binnen zouden zijn en/of

-gezegd/medegedeeld dat hij -verdachte een Samsung, type Galaxy S6 kon leveren voor euro 450,- (vierhondervijftig) en/of

-gezegd medegedeeld dat voornoemde euro 450,- (vierhondervijftig) van tevoren, tegen afgifte van een kwitantie, betaald moesten worden en/of

-(telkens) beloofd/toegezegd dat dat voornoemde goederen geleverd zouden worden en/of

-(telkens) beloofd/toegezegd dat (indien niet werd geleverd) (een) reeds overgemaakte betaling(en) zou(den) worden teruggestort, waardoor die [slachtoffer 4] (PV, pag. 44) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n)(PV.nr. 2016065342);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2014 tot en met

10 november 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, in elk geval in Nederland, opzettelijk, meerdere, althans een hoeveelhe(i)den geld (te weten in totaal ongeveer euro 16.700,- (zestienduizendzevenhonderd)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als (vooruit)betaling voor 20 (twintig) (een) door hem -verdachte- te leveren I-Phone('s) en/of 20 a 30 (twintig a dertig) elektrische fietsen, althans voor enig(e) te leveren goed(eren), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend(PV.nr. 20160665342, pag. 44);

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van van 1 maart 2014 tot en met 11 december 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, (telkens) opzettelijk, meerdere, althans een hoeveelhe(i)d(en) geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan aan [slachtoffer 5] (PV pag 117) en/of [slachtoffer 7] (PV, pag. 134) en/of [slachtoffer 8] (PV, pag. 165) en/of [slachtoffer 9] (PV, pag. 215), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geld verdachte (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten,

met betrekking tot

- [slachtoffer 5] euro 2.150,- (eenentwintighonderdvijftig) als (zijnde een aan hem -verdachte verstrekte) lening (PV, pag. 117) en/of

met betrekking tot

- [slachtoffer 7] als (vooruit) betaling voor een door hem -verdachte- te leveren I-watch (PV, pag. 134) en/of

met betrekking tot

- [slachtoffer 8] als (vooruit) betaling voor een door hem -verdachte- te leveren I-Phone 6 (Silver, 64GB) (PV, pag. 165) en/of

met betrekking tot

- [slachtoffer 9] , als (zijnde aan hem -verdachte- verstrekte) lening(en) (PV, pag. 215),

(telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend(PV 2016065342);

4.

hij in of omstreeks van 18 juli 2015 tot en met 2 januari 2016 te Enter, in de gemeente Wierden, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een hoeveelheid geld (te weten euro 1.050,-(duizendvijftig), immers heeft verdachte

-voorgedaan/medegedeeld alsof/dat hij een bonafide leverancier van Mac-books

en/of I-Pads en/of I-Watches zou zijn en/of

-gezegd/voorgedaan alsof hij -verdachte- voornoemde goederen wel tegen gereduceerde prij(s)zen zou kunnen leveren en/of

-ten overstaande van voornoemde [slachtoffer 6] voorgedaan (nadat hij een keer wel twee

I-Phones (inclusief hoesjes) heeft geleverd) dat hij ook in (een) volgende bestelling(en) van elektronica en/of laptops en/of I-phones en/of I-pads en/of

I-Watches kan/zou kunnen voorzien/leveren en/of

-voorgedaan/medegedeeld alsof hij -verdachte- 2 (twee) I-Pads en/of een I-Watch aan die [slachtoffer 6] kon leveren voor euro 1.050,-(duizendvijftig) en/of

-voorgedaan/medegedeeld dat de twee (2) I-Pads en/of de I-Watch binnen 10 (tien) dagen aan die [slachtoffer 6] geleverd zouden worden en/of

-ten overstaande van voornoemde [slachtoffer 6] (telkens) voorgedaan/beloofd/toegezegd (gedurende ongeveer een (1) tot drie (3) maanden) dat de I-pads en de later eveneens bestelde I-Watch) geleverd zouden worden en/of

-(telkens) voorgedaan/beloofd/toegezegd dat (toen/indien (uiteindelijk) niet werd geleverd (een) reeds overgemaakte betaling(en) zou(den) worden teruggestort,

waardoor die [slachtoffer 6] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n)(PV-nr 2016456924, pag 100);

5.

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Wierden, in elk geval in Nederland een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een koopakte (ten behoeve van de aankoop van een woning) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op voornoemde koopakte een handtekening te zetten/plaatsen, welke moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1] , met het oogmerk om voornoemde koopakte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken(PV-nr 2016456924, pag 109).

In de aan verdachte onder parketnummer 08/953033-15 uitgebrachte dagvaarding is voorts opgenomen:

MEDEDELING AD INFORMANDUM GEVOEGDE STRAFBARE FEITEN

Ter terechtzitting zal/zullen onderstaand(e) door u bekend(e) strafba(a)r(e) feit(en) ter kennis van de rechter worden gebracht. De rechter kan aldus bij het bepalen van de straf ook met dat/die feit(en) rekening houden. Doet de rechter dit dan kunt u dat/die feit(en) als strafrechtelijk afgedaan beschouwen.

Parketnr. Feitgegevens (pleegperiode, -lokatie, -plaats, -gemeente, omschr. feit)

1. nov 2015 tot en met 12 februari 2016, , Wierden, Gem. Wierden

Verduist. aanbetaling voor te leveren Apple product(en)

pag. 068 PV 2017456924

2. 953033-15 9 januari 2016 tot en met 15 februari 2016, , Wijchen, Gem. Wijchen

Oplichting met Apple product(en)

pag. 075 PV 2016456924

3. 953033-15 27 januari 2016 tot en met 29 augustus 2016, , Wijchen, Gem. Wijchen,

Verduist. aanbetaling voor te leveren Apple product(en)

pag. 084 PV 2016456924

4. 953033-15 26 januari 2016 tot en met 29 augustus 2016, , Wijchen, Gem. Wijchen,

Oplichting met Apple producten

pag. 089 PV 2016456924

5. 953033-15 31 augustus 2016, , Wijchen, Gem. Wijchen,

Verduist. aanbetaling voor te leveren Apple product(en)

pag. 095 PV 2016456924.

Parketnummer 08/952487-17

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 17 april 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 21 november 2016 tot en met 7 februari 2017 [slachtoffer 10] heeft bewogen tot afgifte van geld;

feit 2: op 27 januari 2017 [slachtoffer 10] door bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van geld;

feit 3: op 13 februari 2017 heeft geprobeerd door bedreiging met smaad of smaadschrift

[slachtoffer 10] te dwingen geld af te geven.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08/952487-17 aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 november

2016 tot en met 7 februari 2017 te Markelo, gemeente Hof van Twente, althans

in Nederland

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 10] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een

dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld

en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

een hoeveelheid geld (te weten euro 750,- (zevenhonderdenvijftig), door

-zich (op Facebook(messenger)) voor te doen als [alias] en/of

-zich (op/via Facebookmessenger) voor te doen als bonafide 'handelaar' en/of

-aan die [slachtoffer 10] (via Facebookmessenger)) te vragen of zij een televisie

nodig had en/of

-tegen die [slachtoffer 10] te zeggen/doen voorkomen (via Facebookmessenger) alsof hij

een Jura koffiemachine (zo'n machine zocht die [slachtoffer 10] ) had staan voor een

zacht prijsje en/of

-tegen die [slachtoffer 10] (via Facebookmessenger) te zeggen dat zij eerst (vooraf)

voornoemd geldbedrag moest overmaken op zijn -verdachtes- bankrekening en/of

-die [slachtoffer 10] (via Facebookmessenger) te beloven/toe te zeggen, dat hij

verdachte voornoemde koffiemachine zou leveren tegen voornoemde hoeveelheid

geld en/of

-tegen die [slachtoffer 10] (via Facebookmessenger) te zeggen/mede te delen, dat zij

nog euro 150,- over te maklen voor de garantie van voornoemde koffiemachine

en/of een factuur en/of

-tegen die [slachtoffer 10] (via Facebookmessenger) (toe) te zeggen/ te beloven dat de

koffiemachine op 12 december 2016 geleverd/gebracht zou worden,

waardoor die [slachtoffer 10] werd bewogen tot boven omschreven afgifte(n);

2.

hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Markelo, gemeente Hof van Twente, in

elk geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 10] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten

euro 650,-, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 10] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

tegen die [slachtoffer 10] heeft gezegd/medegedeeld

-dat indien voornoemd geldbedrag, althans een hoeveelheid geld, niet op de

avond van 27 januari 2017 op de bankrekening van hem -verdachte- zou staan,

hij verdachte "mannetjes uit Goor", die hij kende bij die [slachtoffer 10] langs

zouden sturen en/of

-dat die 'mannetjes uit Goor' de ramen bij die [slachtoffer 10] in zouden gooien;

3.

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Markelo, in de gemeente Hof van

Twente, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem verdachte

voorgenomen misdrijf om zich wederrechtelijk te bevoordelen, een ander, te

weten [slachtoffer 10] , door bedreiging met smaad en/of smaadschrift, te dwingen

tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten euro 1.000,-(duizend)),

geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 10] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte,

immers is/heeft hij, verdachte,

- een seksueel, althans erotisch getint contact aangegaan via

Facebookmessenger met die [slachtoffer 10] en/of heeft hij, verdachte, daaruit een of

meer foto's van die [slachtoffer 10] , gekleed in lingerie verkregen en/of (vervolgens)

- verdachte die [slachtoffer 10] , een of meer (zogenaamd(e))

Facebookmessengerbericht(en), althans een of meer soortgelijk(e) bericht(en)

gestuurd/gemaild inhoudende:

"(zakelijk weergegeven) als je die euro 1.000,-(duizend) niet overmaakt,

vertel ik alles tegen je man",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

Parketnummer 08/953033-15

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte bekent dat hij de goederen niet heeft geleverd en het geld heeft gehouden en zegt ook dat hij zich schuldig voelt aan oplichting en verduistering. Hij bekent ook dat hij een valse handtekening heeft gezet op de voorlopige koopakte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 tot en met 4. Verdachte heeft geen oplichtingshandelingen verricht, hij heeft niemand bewogen tot het afgeven van geld. Op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad levert het zich voordoen als bonafide verkoper en het vragen van een vooruitbetaling geen oplichting op in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Er is ook geen sprake van verduistering, want er was geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening van het geld. Verdachte had niet de bedoeling het geld te houden en wilde de bedragen terugbetalen. Het niet-terugbetalen van een geldlening levert geen verduistering op, maar is een civielrechtelijke kwestie.

Voor wat betreft feit 5 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aanwezige bewijsmiddelen het volgende.1

Feit 1, feit 2 en feit 4

Op 6 november 2015 doet [slachtoffer 1] aangifte tegen verdachte van oplichting en verduistering. Zij verklaart dat zij in augustus 2015 met verdachte in contact is gekomen via de (dating)site Lexa. Toen zij met hem afsprak bij hem thuis bleek dat hij niet leek op de foto’s die hij op de site had geplaatst. Voordat aangeefster verdachte voor het eerst ontmoette, had zij bij hem een laptop besteld. Na de ontmoeting stelde de verdachte dat hij de laptop al had besteld en dat aangeefster ervoor moest betalen. Aangeefster heeft toen

€ 750,-- aan verdachte overgemaakt. Zij spraken af dat verdachte de laptop binnen tien werkdagen zou leveren. Dat is niet gebeurd. Aangeefster heeft het betaalde bedrag niet teruggekregen van verdachte.2

Aangeefster is op 15 december 2015 verhoord als benadeelde. Tijdens dat verhoor verklaart zij dat zij dacht dat verdachte [alias] heette. Dat is ook de naam behorend bij het rekeningnummer waar zij het geld voor de laptop naartoe heeft overgemaakt. Verder had verdachte haar gezegd dat hij bevriend was met KNVB-scheidsrechter [scheidsrechter] .3

Op 16 november 2015 doet [slachtoffer 2] aangifte tegen verdachte van oplichting en verduistering. Aangever verklaart dat hij verdachte in 2014 heeft ontmoet via het voetballen. Verdachte gaf aan dat hij handelde in Apple-producten en deze voor aangever kon bestellen. Aangever heeft in november 2014 bij verdachte twee iPhones besteld voor € 550,-- per stuk en die iPhones zijn ook geleverd in december 2014. Aangever verklaart dat hij vervolgens op 16 december 2014 bij verdachte drie laptops (MacBooks) heeft besteld, voor in totaal

€ 2.000,--. Verder heeft hij op 5 januari 2015 twee iPads besteld voor € 350,-- en op

10 februari 2015 heeft hij een iPhone bijbesteld voor € 550,--. Hij heeft alle bedragen aan verdachte betaald, maar de goederen nooit ontvangen. Hij heeft ook geen geld teruggekregen, terwijl verdachte dat wel heeft toegezegd.4

Op 12 december 2015 doet [slachtoffer 3] ook aangifte tegen verdachte van oplichting en verduistering. Hij verklaart dat hij verdachte ook via het voetballen heeft leren kennen. Hij verklaart dat hij meerdere goederen heeft besteld bij verdachte en dat hij die wel geleverd heeft gekregen. Hij verklaart ook dat hij op 3 december 2014 bij verdachte twee iPhones heeft besteld voor € 1.100,-- en dat hij dat bedrag ook heeft betaald. Hij heeft maar één iPhone geleverd gekregen. Uit de uitdraaien van de WhatsApp gesprekken blijkt dat aangever herhaaldelijk heeft gevraagd om het geld terug te storten en dat verdachte telkens stelt dat dit gaat gebeuren.5

Op 10 november 2015 doet [slachtoffer 4] aangifte tegen verdachte om dezelfde redenen. Hij verklaart dat hij in april 2015 in contact kwam met verdachte via Marktplaats en van hem twee iPhones heeft gekocht. De eerste ontving hij onmiddellijk, de tweede enige tijd later. Toen aangever die telefoon half april bij verdachte ging ophalen, gaf aangever te kennen dat hij interesse had in meerdere iPhones 6. Verdachte zei dat hij de telefoons kon leveren voor

€ 500,-- per stuk en dat het ongeveer tien dagen zou duren voordat de telefoons binnen zouden zijn. Hij kon ook nog een Samsung leveren voor € 250,--. Verdachte vroeg aangever het totale bedrag van € 10.250,-- over te maken, wat aangever heeft gedaan.

Op 29 april 2015 hoorde aangever van verdachte dat hij aan een partij nieuwe elektrische fietsen kon komen van het merk Batavus. Aangever moest daar € 6000,-- voor betalen. Hij verklaart dat hij het geld contant heeft overhandigd en daar een kwitantie van kreeg.
Op 20 augustus 2015 heeft aangever aan verdachte € 450,-- betaald voor een Samsung Galaxy 6, die ook later geleverd zou worden. Verdachte verklaart dat hij de goederen nooit heeft gekregen en het geld nog niet terug heeft ontvangen. Verdachte heeft op enig moment tegen aangever gezegd dat hij maar naar de politie moest gaan als hij het geld nog steeds niet had.6

Op 31 augustus heeft [slachtoffer 6] aangifte gedaan van oplichting. Hij heeft verklaard dat verdachte in juli 2015 contact met hem heeft gezocht in een horecagelegenheid. Verdachte zou daarbij hebben gezegd dat hij voetbalscout was voor de jeugd en samenwerkte met scheidsrechter [scheidsrechter] . Er ontstaat een vriendschappelijke relatie. Aangever bestelt twee iPhones bij verdachte, die uiteindelijk ook worden geleverd. Aangever bestelt verder twee iPads voor € 600,-- en een iWatch voor € 450,--, maar deze worden niet geleverd door verdachte. Aangever verklaart dat verdachte de toezeggingen niet nakomt over de leveringen en het terugbetalen van het geld.7

Verdachte is verhoord over alle aangiftes. Hij heeft de feitelijke gang van zaken bekend. Hij zegt dat het klopt dat hij de goederen niet heeft geleverd en het geld niet heeft terugbetaald. Hij heeft daarbij onder meer verklaard dat hij de afspraken niet nakwam, mensen aan het lijntje hield en het ene gat met het andere dichtte. Verdachte heeft ook verklaard dat hij in de financiële problemen kwam in maart 2014, omdat zijn vriendin toen bij hem wegging en hij geen andere inkomsten had.8

- de kwalificatie van de bewezen feiten

De verdediging heeft gesteld dat, hoewel verdachte de feitelijke gang van zaken bekent, er geen sprake is van oplichting in de zin van artikel 326 Sr. De rechtbank ziet dat anders.

De Hoge Raad heeft in het arrest van december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3546) geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een verdachte via een website goederen te koop aanbood en bestellingen en betalingen van kopers accepteerde in het besef dat hij niet (langer) aan zijn leverings- of restitutieverplichtingen kon voldoen, niet kan worden aangemerkt als het aannemen van een valse hoedanigheid als bedoeld in artikel 326 Sr en dus ook niet als oplichting in de zin van dat artikel.

De Hoge Raad heeft verder in het arrest van 3 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:200) overwogen dat voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, het aankomt op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer (vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ8600, NJ 2012/279).

Uit het eerste arrest volgt dat het enkele feit dat verdachte goederen , waar wel voor is betaald, niet heeft geleverd, niet voldoende is om te spreken van oplichting. Volgens het tweede arrest zijn voor de beoordeling of (toch) sprake is van oplichting alle omstandigheden van het geval van belang. De rechtbank betrekt bij de beoordeling in dit geval de volgende omstandigheden. Verdachte heeft in één geval een valse naam gebruikt (namelijk [alias] ) en zich anders voorgedaan dan hij was (door andere foto’s te plaatsen op de datingsite en zich voor te doen als voetbalscout). Hij heeft vertrouwen gewekt door in eerste instantie wel goederen te leveren en later niet meer, terwijl hij wist dat hij in de financiële problemen verkeerde en – zoals hij het zelf zei – het ene gat met het andere dichtte. Hij deed toezeggingen aan de kopers – in eerste instantie om te leveren en daarna over de terugbetaling – terwijl hij deze niet nakwam en naar eigen zeggen de kopers aan het lijntje hield. Verder vindt de rechtbank het van belang dat het hier niet gaat om een enkel incident, waarbij niet wordt geleverd, maar om een telkens terugkerend patroon en handelswijze. Gelet op dit samenstel van omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte door een samenweefsel van verdichtsels de genoemde personen heeft bewogen tot het afgeven van geld.

Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en 2 primair en onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan. Voor zover aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd, spreekt de rechtbank hem daarvan vrij.

Feit 3

Op 8 januari 2016 doet [slachtoffer 9] ook aangifte tegen verdachte van verduistering. Zij verklaart dat zij verdachte in maart, juli en augustus of september 2014 driemaal € 5000,-- heeft geleend. De eerste maal had verdachte aangeefster huilend opgebeld en verteld dat zijn rekening was geblokkeerd. De tweede keer vertelde verdachte aangeefster dat hij aan documenten kon komen waaruit bleek dat haar ex-echtgenoot haar financieel wilde benadelen in de echtscheiding. Ook de derde keer had verdachte verteld dat hij niet bij zijn geld kon, omdat zijn rekening was geblokkeerd. Verdachte heeft het geld – ondanks toezeggingen – niet terugbetaald. Aangeefster heeft ook geen documenten gekregen.9

Verdachte heeft ook deze feitelijke toedracht bekend tijdens het verhoor bij de politie. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld niet heeft terugbetaald aan aangever [slachtoffer 9] , omdat hij daar schulden van heeft betaald.10

- kwalificatie

De verdediging heeft bepleit dat het een civielrechtelijke kwestie betreft en dat dit geen verduistering is in de zin van artikel 321 Sr. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit de bewezen geachte feitelijke toedracht blijkt dat verdachte aangeefster heeft gezegd dat hij het geld nodig had, omdat zijn rekening zou zijn geblokkeerd en omdat hij aan documenten zou kunnen komen. Zoals blijkt uit de verklaringen van zowel aangeefster als verdachte heeft verdachte nooit documenten gekregen en was dat ook niet de bedoeling van verdachte. Er was ook geen sprake van een tijdelijke oplossing tot het deblokkeren van zijn rekening. Verdachte heeft dat geld gebruikt om schulden af te betalen. Hij heeft het geld dan ook niet gebruikt voor het doel waarvoor het was gegeven en was dit ook nooit van plan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich dit geld daarom wederrechtelijk heeft toegeëigend en dat onder deze omstandigheden wel sprake is van verduistering (vergelijk ECLI:NL:HR:2011:BP4638).

De rechtbank is daarom van oordeel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, voor zover dit ziet op verduistering van leningen van aangeefster [slachtoffer 9] .

De rechtbank is verder van oordeel dat wat aan verdachte nog meer ten laste is gelegd onder feit 3 niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt hem daarvan vrij. De rechtbank vindt daarbij het volgende van belang.

Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij verdachte geld heeft geleend, omdat hij had gezegd anders op straat te staan. Verdachte verklaart zelf dit geld te hebben gebruikt om de huur te betalen. Het geld is dus gebruikt voor het doel waarvoor het is geleend, zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening, maar eerder van een lening (vergelijk ECLI:NL:HR:2011:BP4638).

[slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] hebben ook aangifte gedaan van verduistering door verdachte. Hij zou hen goederen leveren, namelijk een iWatch en een iPhone, maar dat is nooit gebeurd, terwijl zij daarvoor wel hebben betaald. Naar het oordeel van de rechtbank is dat geen verduistering. De enkele omstandigheid dat degene op grond van een (koop)overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen en vervolgens niet de verschuldigde tegenprestatie levert, is nog geen reden om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren (vergelijk ECLI:NL:HR:2014:3546).

Feit 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder feit 5 op grond van de volgende bewijsmiddelen. De rechtbank volstaat op grond van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen11, omdat verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit:

  • -

    proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 31 augustus 2016 (blz. 109-110);

  • -

    proces-verbaal van verhoor van verdachte van 31 augustus 2016, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte (blz. 128-129).

Parketnummer 08/952487-17

Zoals hierboven uiteengezet, worden aan verdachte onder dit parketnummer drie feiten ten laste gelegd, namelijk oplichting, afpersing en poging tot afdreiging van aangeefster

[slachtoffer 10] .

4.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte bekent dat hij het koffiezetapparaat niet heeft geleverd. Hij bekent ook dat hij heeft gezegd dat hij “mannetjes uit Goor” zou sturen om de ramen in te gooien en dat hij alles aan de man van aangeefster zou vertellen.

4.5

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten. Het staat niet vast dat verdachte het koffiezetapparaat al op voorhand niet kon of wilde leveren, zodat de opzet ontbreekt en daarom geen sprake is van oplichting in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien blijkt uit de jurisprudentie dat het je voordoen als bonafide verkoper en het vragen van vooruitbetaling op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is oplichting.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat voor bedreiging noodzakelijk is dat wordt gedreigd met geweld, terwijl verdachte hooguit heeft gedreigd met vernieling.

Ten slotte is ook geen sprake van (poging tot) afdreiging, omdat geen sprake is van smaad. Daarvoor is vereist dat de beschuldiging is gericht aan een kring van willekeurige derden. Dat is in dit geval niet zo, omdat de beschuldiging alleen was gericht aan de echtgenoot van aangeefster.

4.6

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aanwezige bewijsmiddelen het volgende.12

Feit 1

Op 15 februari 2017 heeft [slachtoffer 10] aangifte gedaan tegen verdachte. Zij verklaart dat zij in mei 2016 via Facebook Messenger een berichtje ontving van een man genaamd

‘ [alias] ’. Hij vertelde dat hij aangeefster een mooie vrouw vond. Er is contact ontstaan via WhatsApp, welk contact al snel voornamelijk seksueel was getint. Op enig moment heeft aangeefster verdachte enkele foto’s gestuurd van zichzelf in lingerie. Aangeefster wist dat verdachte handelaar was en vroeg hem of hij aan een koffiezetapparaat van het merk ‘Jura’ kon komen. Verdachte zei toen dat hij er wel eentje had staan voor een mooi prijsje. Aangeefster moest eerst € 750,-- overmaken en daarna zou hij de koffieautomaat bezorgen. Aangeefster heeft dat bedrag ook overgemaakt op een rekeningnummer ten name van [alias] . Op 1 december 2016 heeft aangeefster nogmaals € 150,-- overgemaakt naar verdachte. Dit was voor de garantie en zij zou dan een factuur ontvangen. Verdachte deed meerdere malen toezeggingen over de levering van het apparaat, maar kwam deze toezeggingen niet na.13

Verdachte is op 5 juli 2017 tweemaal verhoord bij de politie en bekent de feitelijke gang van zaken. Hij verklaart dat hij geen koffiezetapparaat thuis had, maar er wel één had besteld voor aangeefster. Hij heeft deze verkocht aan iemand anders, omdat hij er meer geld voor kon krijgen. Daarna heeft hij geen nieuw apparaat meer besteld voor aangeefster. Hij verklaart dat hij aangeefster heeft voorgehouden dat hij er wel eentje zou regelen en dat het wel goed zou komen, maar dat hij dat dus niet heeft geregeld. Verder heeft hij verklaard dat hij in de problemen zat en dat hij het apparaat wel had willen leveren, maar dat iemand anders het geld moest krijgen. Hij verklaart dat hij het ene gat met het andere gat vulde.14

- de kwalificatie

De rechtbank heeft hierboven onder 4.3 overwogen dat en waarom zij van oordeel is dat verdachte zich in die gevallen schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Diezelfde overwegingen zijn ook hier van toepassing. Ook in dit geval is naar het oordeel sprake van omstandigheden die, in onderling verband beschouwd, leiden tot de conclusie dat wel sprake is van oplichting. Verdachte heeft ook in dit geval een valse naam gebruikt (namelijk [alias] ). Hij heeft het vertrouwen gewekt van aangeefster door een vriendschappelijke band met haar op te bouwen. Hij wist dat hij in de financiële problemen verkeerde en – zoals hij het zelf zei – het ene gat met het andere dichtte. Hij deed ook aan deze aangeefster toezeggingen die hij niet nakwam. Gelet op dit samenstel van omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat is bewezen dat verdachte door het aannemen van een valse naam en valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels aangeefster heeft bewogen tot het afgeven van geld.

De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd, namelijk dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Feit 2

Bij de aangifte van 15 februari 2017 heeft aangeefster [slachtoffer 10] verder het volgende verklaard. Op 27 januari 2017 ontving zij een appje van verdachte, dat hij wat wilde bespreken. Verdachte wilde dat aangeefster nogmaals € 600,-- aan hem zou overmaken en hij zou dan € 1550,-- terugstorten. Aangeefster kreeg dan € 50,-- euro cadeau van hem. Dit zou beter uitkomen wat betreft de boekhouding. Aangeefster wilde het geld overmaken, maar had niet genoeg geld op haar rekening. Zij heeft verdachte een foto gestuurd via WhatsApp van de mislukte betaalopdracht. Zij kreeg toen een appje van verdachte dat hij haar niet geloofde. Zij moest ervoor zorgen dat het geld ‘s avonds bij hem op de rekening stond anders zou hij mannetjes die hij uit Goor kende bij haar langs sturen. Die zouden haar ramen ingooien. Aangeefster werd zo bang van dit dreigement dat zij toen € 500,-- heeft overgemaakt aan verdachte. Zij verklaart dat hij daarna weer poeslief tegen haar was.15

Verdachte is ook over dit feit tweemaal verhoord. Hij heeft tijdens beide verhoren verklaard dat hij dit heeft gezegd. Hij heeft ook verklaard dat het maar woorden waren en dat hij het niet wilde uitvoeren.16

- de kwalificatie

Dit feit is aan verdachte tenlastegelegd als afpersing (artikel 317, eerste lid Sr), onder bedreiging met geweld. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat hiervan geen sprake is, omdat dreiging met geweld tegen goederen (de ramen ingooien) geen ‘dreiging met geweld’ is in de zin van artikel 317, eerste lid Sr. De rechtbank is het ook op dit punt niet met de raadsman eens. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat het bij bedreiging met geweld in de zin van artikel 317, eerste lid, Sr, niet kan gaan om bedreiging met geweld tegen goederen. Zo heeft de Hoge Raad in een arrest 26 juni 1973 overwogen dat het Hof kon komen tot een bewezenverklaring van een poging tot afpersing, onder de bedreiging dat schilderijen vernietigd zouden worden (ECLI:NL:HR:1973:AB6054). De raadsman heeft ook gesteld dat voor de uitleg van het begrip ‘bedreiging met geweld’ aansluiting moet worden gezocht bij de uitleg van dat begrip zoals vermeld in artikel 312 Sr. Dat leidt niet tot een andere conclusie, omdat in artikel 312 Sr expliciet staat vermeld dat het moet gaan om bedreiging met geweld tegen personen. Deze laatste toevoeging ontbreekt in de tekst van artikel 317, eerste lid Sr.

De rechtbank is dus van oordeel dat de woorden van verdachte, dat hij ‘mannetjes uit Goor’ zou langs sturen, die de ramen zouden ingooien, wel zijn te begrijpen als een ‘bedreiging met geweld’, zoals bedoeld in artikel 317, eerste lid, Sr. Dat verdachte niet de bedoeling had de bedreiging uit te voeren is niet relevant, omdat hij de bedreiging wel heeft geuit met het oogmerk aangeefster te dwingen geld over te maken. Hieruit volgt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, namelijk dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

Feit 3

De rechtbank is verder van oordeel dat wat aan verdachte ten laste is gelegd onder feit 3 (poging tot afdreiging) niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Verdachte heeft bekend dat hij de echtgenoot van aangeefster zou inlichten over “alles” (waarmee gedoeld werd op de foto’s die aangeefster verdachte had gestuurd). Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee niet bewezen dat sprake is van een poging tot afdreiging. Verdachte is tenlastegelegd dat hij aangeefster heeft bedreigd met smaad. Voor smaad is het noodzakelijk dat de pleger de kennelijke bedoeling had om de beschuldiging publiek te maken; dat wil zeggen aan een kring van willekeurige derden (zie ECLI:NL:HR:2008:BC9186). Daarvan is in dit geval niet gebleken, omdat verdachte alleen heeft gezegd “alles” aan de echtgenoot van aangeefster te vertellen. Uit de bewijsmiddelen is niet af te leiden dat verdachte een andere bedoeling had. Daarom is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van smaad en ook niet van een poging tot afdreiging.

4.7

De bewezenverklaring

Parketnummer 08/953033-15

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 november 2014 tot en met 15 december 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van geld, te weten

-met betrekking tot [slachtoffer 1] euro 750,-- (zevenhonderdvijftig) en

-met betrekking tot [slachtoffer 2] euro 2.500,-- (vijfentwintighonderdvijftig) en

-met betrekking tot [slachtoffer 3] euro 550,-- (vijfhonderdvijftig), hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

-zich ten overstaan van voornoemde personen voorgedaan als bonafide handelaar in elektronica en in iPhones en iPads en MacBooks en/of

-gezegd/zich voorgedaan alsof hij -verdachte- voornoemde goederen wel tegen gereduceerde prijzen zou kunnen leveren en/of

-ten overstaan van voornoemde personen zich voorgedaan (nadat hij een keer wel heeft geleverd) dat hij ook in (een) volgende bestelling(en) van elektronica en/of laptops en/of iPhones en/of iPads en/of MacBooks kan/zou kunnen voorzien/leveren en/of

-zich ten overstaan van voornoemde [slachtoffer 1] voorgedaan als [alias] en/of

-heeft gezegd/voorgedaan tegen voornoemde personen dat hij -verdachte- wel laptops en/of iPhones en/of MacBooks kon leveren en/of

-telkens een aanbetaling/vooruitbetaling gevraagd/geëist (en ontvangen) omdat hij de goederen al besteld zou hebben en/of omdat dit iets zakelijks was en/of omdat hij zijn leverancier(s) moest betalen en/of dat de bij hem -verdachte- bestelde goederen binnen tien dagen geleverd zouden worden en/of dat hij tegen de prijzen waartegen hij de genoemde goederen leverde er zelf bijna niets meer op verdiende en/of

-gezegd/voorgedaan alsof hij -verdachte- er zelf wel euro 250,-- (tweehonderdvijftig) bij zou doen voor die [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

in de periode van 1 april 2015 tot en met 10 november 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van geld (te weten euro 10.250,-- en euro 6.000,-- en 450,--), immers heeft verdachte

-zich voorgedaan alsof hij een bonafide leverancier van iPhones zou zijn door via een advertentie op marktplaats twee iPhones, type 5s, aan die [slachtoffer 4] te verkopen en te leveren en

-(vervolgens) toen [slachtoffer 4] vroeg of hij ook twintig iPhones, type 6, en/of één Samsung, type Alpha, kon leveren (voor respectievelijk euro 500,-- (vijfhonderd) en/of euro 250,-- (tweehonderdvijftig) per stuk) tegen [slachtoffer 4] gezegd/medegedeeld dat hij -verdachte- dit wel kon leveren en

-gezegd dat het tien dagen duurde alvorens de telefoons binnen zouden zijn en

-gezegd aan die [slachtoffer 4] dat hij het totaalbedrag ad euro 10.250,-- (tienduizendtweehonderdvijftig) vooraf overgemaakt diende te worden omdat dit gebruikelijk zou zijn in deze branche/handel en

-gezegd dat hij -verdachte- al vijftien jaar zaken deed met deze leverancier en

-gezegd dat [slachtoffer 4] hem kon vertrouwen, omdat [slachtoffer 4] zijn -verdachtes- naam, adres en telefoonnummer wist en

-gezegd dat zijn -verdachtes- ouders in Rijssen woonden en

-gezegd dat hij -verdachte- kennissen had bij de voetbal in Enter en

-gezegd dat hij -verdachte- de professioneel scheidsrechter [scheidsrechter] persoonlijk zou kennen en

-gezegd dat hij –verdachte- aan de KNVB voetbalbond telefoons zou hebben geleverd en

-toegezegd dat (toen de telefoons niet geleverd werden) hij -verdachte- de reeds betaalde euro 10.250,-- zou terugstorten en

-gezegd dat hij -verdachte- twintig à dertig elektrische fietsen kon leveren voor euro 6.000,-- (zesduizend) en

-gezegd dat voornoemde euro 6.000,-- (zesduizend) van tevoren, tegen afgifte van een kwitantie, betaald moest worden en

-gezegd dat het tien dagen duurde alvorens de fietsen binnen zouden zijn en

-gezegd dat hij -verdachte- een Samsung, type Galaxy S6, kon leveren voor euro 450,-- (vierhonderdvijftig) en

-gezegd dat voornoemde euro 450,-- (vierhonderdvijftig) van tevoren, tegen afgifte van een kwitantie, betaald moest worden en

-telkens beloofd/toegezegd dat voornoemde goederen geleverd zouden worden en

-telkens beloofd/toegezegd dat (indien niet werd geleverd) (een) reeds overgemaakte betaling(en) zou(den) worden teruggestort, waardoor [slachtoffer 4] werd bewogen tot bovenomschreven afgiften;

3.

in de periode van 1 maart 2014 tot en met 11 december 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk geld toebehorende aan [slachtoffer 9] , welk geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten, met betrekking tot [slachtoffer 9] , als een aan verdachte verstrekte lening, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

4.

in de periode van 18 juli 2015 tot en met 2 januari 2016 te Enter, in de gemeente Wierden, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 6] heeft bewogen tot afgifte van geld (te weten euro 1.050,-- (eenduizendvijftig)), immers heeft verdachte

-zich voorgedaan/medegedeeld alsof/dat hij een bonafide leverancier van MacBooks en/of iPads en/of iWatches zou zijn en

-gezegd/voorgedaan alsof hij voornoemde goederen wel tegen gereduceerde prij(s)zen zou kunnen leveren en

-ten overstaan van voornoemde [slachtoffer 6] heeft voorgedaan (nadat hij een keer wel twee iPhones (inclusief hoesjes) heeft geleverd) alsof hij ook in (een) volgende bestelling(en) van elektronica en/of laptops en/of iPhones en/of iPads en/of iWatches kan/zou kunnen voorzien/leveren en

-voorgedaan/medegedeeld alsof hij twee iPads en/of een iWatch aan [slachtoffer 6] kon leveren voor euro 1.050,-- (eenduizendvijftig) en

-voorgedaan/medegedeeld dat de twee iPads en/of de iWatch binnen tien dagen aan [slachtoffer 6] geleverd zouden worden en

-ten overstaande van [slachtoffer 6] (telkens) voorgedaan/beloofd/toegezegd (gedurende ongeveer een tot drie maanden) dat de iPads en de later bestelde iWatch geleverd zouden worden en

-telkens voorgedaan/beloofd/toegezegd dat toen niet werd geleverd (een) reeds overgemaakte betaling(en) zou(den) worden teruggestort, waardoor [slachtoffer 6] werd bewogen tot bovenomschreven afgiften;

5.

op 23 juni 2016 te Wierden een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een koopakte ten behoeve van de aankoop van een woning valselijk heeft opgemaakt, door op voornoemde koopakte een handtekening te zetten welke moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1] , met het oogmerk om voornoemde koopakte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Parketnummer 08/952487-17

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 21 november 2016 tot en met 7 februari 2017 te Markelo, gemeente Hof van Twente, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 10] heeft bewogen tot de afgifte van geld (te weten euro 750,-- (zevenhonderdvijftig)), door

-zich (op Facebook (Messenger)) voor te doen als [alias] en

-zich (op/via Facebook Messenger) voor te doen als bonafide 'handelaar' en

-aan die [slachtoffer 10] (via Facebook Messenger)) te vragen of zij een televisie nodig had en

-tegen die [slachtoffer 10] te zeggen/doen voorkomen (via Facebook Messenger) alsof hij een Jura koffiemachine (zo'n machine zocht die [slachtoffer 10] ) had staan voor een zacht prijsje en

-tegen die [slachtoffer 10] (via Facebook Messenger) te zeggen dat zij vooraf voornoemd geldbedrag moest overmaken op zijn bankrekening en

-die [slachtoffer 10] (via Facebook Messenger) te beloven/toe te zeggen, dat hij voornoemde koffiemachine zou leveren tegen voornoemde hoeveelheid geld en

-tegen die [slachtoffer 10] (via Facebook Messenger) te zeggen/mede te delen, dat zij nog euro 150,-moest overmaken voor de garantie van voornoemde koffiemachine en/of een factuur en

-tegen die [slachtoffer 10] (via Facebook Messenger) te zeggen/te beloven dat de koffiemachine op 12 december 2016 geleverd/gebracht zou worden, waardoor die [slachtoffer 10] werd bewogen tot boven omschreven afgiften.

2.

hij op 27 januari 2017 te Markelo, gemeente Hof van Twente, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 10] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten euro 650,-, toebehorende aan die [slachtoffer 10] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tegen die [slachtoffer 10] heeft gezegd/medegedeeld

-dat indien voornoemd geldbedrag niet op de avond van 27 januari 2017 op de bankrekening van hem -verdachte- zou staan, hij "mannetjes uit Goor", die hij kende bij die [slachtoffer 10] langs

zou sturen en dat die 'mannetjes uit Goor' de ramen bij die [slachtoffer 10] in zouden gooien;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.6

Het ad informandum gevoegde in de zaak met parketnummer 08/953033-15

De rechtbank is van oordeel dat met de onder nummer 2 en onder nummer 4 ad informandum gevoegde feiten rekening gehouden kan worden nu verdachte deze feiten heeft bekend.

Het betreft:

onder 2: oplichting, gepleegd in de periode van 9 januari 2016 tot en met 15 februari 2016, gepleegd in Wijchen;

onder 4: oplichting, gepleegd in de periode van 26 januari 2016 tot en met 29 augustus 2016, gepleegd in Wijchen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 08/953033-15 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 225, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het in de zaak met parketnummer 08/952487-17 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 326 Sr en artikel 317 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op in de zaak met parketnummer 08/953033-15:

feit 1 primair en feit 2 primair telkens het misdrijf oplichting meermalen gepleegd;

feit 3: het misdrijf verduistering, meermalen gepleegd;

feit 4: het misdrijf oplichting;

feit 5: het misdrijf valsheid in geschrifte.

Het bewezenverklaarde levert op in de zaak met parketnummer 08/952487-17:

feit 1: het misdrijf oplichting.

feit 2: het misdrijf afpersing

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden waarvan achttien maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren, en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De officier van justitie vindt daarbij onder meer van belang dat het gaat om ernstige feiten en stelselmatige oplichting, met een grote impact op de betrokkenen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak van de tenlastegelegde feiten is door de verdediging geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft de verdediging gesteld dat de redelijke termijn is overschreden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De rechtbank is van oordeel dat een, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is en overweegt daartoe het volgende.

Zoals hierboven blijkt is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van zes personen, het verduisteren van geld van een persoon, het plegen van valsheid in geschrifte en afpersing. De rechtbank betrekt bij deze beoordeling ook de twee gevallen van oplichting die ad informandum zijn gevoegd.

De rechtbank zal voor wat betreft de duur van de straf niet aansluiten bij de eis van de officier van justitie, alleen al omdat de rechtbank is gekomen tot een bewezenverklaring van minder feiten dan door de officier is geëist.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten vastgesteld voor fraudedelicten. Voor deze delicten met een benadelingsbedrag van tussen de € 10.000,-- en de € 70.000,-- (zoals in deze zaak) is als oriëntatiepunt gegeven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een taakstraf. Voor afpersing is geen apart oriëntatiepunt vastgesteld. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen van een langere duur dan de oriëntatiepunten voor fraudedelicten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan afpersing. Dat is een ernstig feit. Voor wat betreft de overige feiten waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt, vindt de rechtbank van belang dat de gepleegde feiten zich hebben afgespeeld gedurende langere tijd: namelijk tussen 1 maart 2014 en 7 februari 2017. Verdachte heeft zijn handelen bovendien voortgezet, ook nadat hij de eerste keer was aangehouden en verhoord. Tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat verdachte opnieuw in beeld is bij justitie voor soortgelijke feiten. Verder blijkt uit het dossier dat verdachte tot op heden amper iets heeft terugbetaald aan de aangevers.

De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat hij, zoals blijkt uit alle verklaringen van de aangevers, misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de aangevers in hem stelden. In enkele gevallen lijkt het erop dat hij die vertrouwensband ook heeft gecultiveerd. In een geval heeft verdachte zelfs niet geschuwd om het slachtoffer te intimideren.

Verder rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat dit soort handelingen leidt tot een verstoring van het vertrouwen in de markt en daarmee tot markverstoring. Een website als Marktplaats kan – tot op zekere hoogte – alleen functioneren als partijen zich te goeder trouw opstellen en zich houden aan hun afspraken. Die werking wordt verstoord door dergelijke oplichting.

De rechtbank vindt het verder van belang om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, om verdachte ervan te weerhouden dat hij zich opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten. Dat dit nodig is, blijkt uit de hiervoor genoemde omstandigheid dat verdachte meermalen in beeld is geweest voor dezelfde feiten en dat ook zijn eerste aanhouding hem er niet van weerhield opnieuw de fout in te gaan.

De rechtbank heeft op de voet van artikel 63 Sr ook rekening gehouden met een eerdere veroordeling van verdachte op 17 oktober 2014 (strafbeschikking van € 360,--).

- overschrijding van de redelijke termijn

De verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat het geding met een einduitspraak moet zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen, afgezien van bijzondere omstandigheden die een langere duur rechtvaardigen. In dat verband stelt de rechtbank het volgende vast. Op 6 januari 2016 is de woning van verdachte doorzocht. Naar het oordeel van de rechtbank kon verdachte daar in redelijkheid de verwachting aan ontlenen dat tegen hem ter zake een strafvervolging zou worden ingesteld en is op die datum de redelijke termijn gaan lopen. Op 1 mei 2018 wijst de rechtbank vonnis.

In dit geval bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 van de tenlastelegging met parketnummer 08/953033-15, dus (bijna) vier maanden. De officier van justitie heeft geen verklaring voor de termijnoverschrijding kunnen geven.

Met deze overschrijding dient rekening te worden gehouden bij de strafoplegging. Volgens vaste jurisprudentie dient bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder, het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf te worden verminderd met 5% (zie ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn daarom compenseren door de gevangenisstraf te verminderen die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, namelijk een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel 9 maanden bedraagt. De rechtbank brengt op deze straf twee weken (5%) in mindering als compensatie. Dat resulteert in de oplegging van een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte 8 maanden en 14 dagen bedraagt.

8 De schade van benadeelden in de zaak met parketnummer 08/953033-15

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

De tien hierna onder 8.4 nader te noemen personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partijen vorderen verdachte te veroordelen om aan hen een schadevergoeding te betalen. De gevorderde bedragen betreft telkens materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente over de gevorderde bedragen vanaf het moment van ontstaan van de schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam 1] in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering geen betrekking heeft op het onder 5 tenlastegelegde en daarnaast niet voldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 750,-- kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag van € 200,-- ter zake van verlof is volgens de officier van justitie onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dat deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De vorderingen van de andere benadeelde partijen kunnen volgens de officier van justitie worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat gelet op de bepleitte vrijspraken, de benadeelde partij in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij, behoudens ten aanzien van het door [slachtoffer 1] gevorderde bedrag van € 200,-- ter zake van verlof, ten aanzien van de vorderingen geen opmerkingen heeft.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1

De vorderingen

De rechtbank overweegt als volgt. De vorderingen van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en

[slachtoffer 5] hebben betrekking op onderdelen van het onder feit 3 tenlastegelegde. Nu verdachte van dit feit partieel wordt vrijgesproken en de vorderingen betrekking hebben op de partiële vrijspraak, zal de rechtbank de benadeelde partijen op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank is ten aanzien van de hierna te bespreken vorderingen van oordeel dat door de gebezigde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan deze benadeelde partijen.

[slachtoffer 1] heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een bedrag van € 950,--.

De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 750,-- toewijzen. Het gevorderde bedrag van € 200,-- (twee dagen verlof vanwege ziekmelding) acht de rechtbank in onvoldoende causaal verband te staan met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft dit bedrag van € 200,-- ook niet verder toegelicht of onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dat deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[slachtoffer 2] heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een bedrag van € 2.850,--. De rechtbank zal de vordering toewijzen.

[slachtoffer 3] heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een bedrag van € 1.100,--. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 550,-- toewijzen. In het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat de nadere onderbouwing ontbreekt. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[slachtoffer 4] heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een bedrag van € 16.700,--. De rechtbank zal de vordering toewijzen.

[slachtoffer 9] heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een bedrag van € 11.000,--. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 10.000,-- toewijzen. In het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 1.000,-- niet is terug te herleiden op het onder 3 tenlastegelegde feit. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[slachtoffer 6] heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een bedrag van € 1050,--. De rechtbank zal de vordering toewijzen.

[naam 1] heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een bedrag van € 7.500,--. Als onderbouwing van de vordering is aangevoerd dat het bedrag een geldlening betreft. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag niet is te herleiden op het bewezenverklaarde feit 5, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.4.2

De wettelijke rente

De benadeelde partijen hebben gevorderd verdachte te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de gevorderde bedragen vanaf het ontstaan van de schade. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen bedragen. Als ingangsdatum voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente bepaalt de rechtbank

7 februari 2017, zijnde de laatste dag waarop verdachte in de onderhavige procedure een strafbaar feit heeft gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08/952487-17 onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08/95033-15 onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 08/952487-17 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte in de zaak met parketnummer 08/95033-15 onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 08/952487-17 onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de zaak met parketnummer 08/953033-15:

feit 1 primair en feit 2 primair telkens het misdrijf oplichting, meermalen gepleegd;

feit 3 het misdrijf verduistering, meermalen gepleegd;

feit 4 het misdrijf oplichting;

feit 5 het misdrijf valsheid in geschrifte;

in de zaak met parketnummer 08/952487-17:

feit 1 het misdrijf oplichting;

feit 2 het misdrijf afpersing;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het in de zaak met parketnummer 08/95033-15 onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 en het in de zaak met parketnummer 08/952487-17 onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden en 14 (veertien) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 750,-- (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 200,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 2.850,-- (tweeduizendachthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.850,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 38 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 1.100,-- (elfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.100,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 21 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van € 16.700,-- (zestienduizendzevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 2 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 16.700,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 118 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] van een bedrag van € 10.000,-- (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 3 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 10.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 85 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.000,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van een bedrag van € 1.050,-- (eenduizendvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 4 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.050,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 februari 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. M.I. van Meel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.

Mr. Van Meel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district Twente, met nummer PL0600—20l6065342. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 6 november 2015, p. 28-29

3 Het proces-verbaal van verhoor benadeelde van 15 december 2015, p. 31-32

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2015, p. 65-66

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 15 december 2015, p. 196-197 en p. 201-210

6 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 10 november 2015, p. 44-45

7 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] van 7 oktober 2016, p. 101-105

8 De processen-verbaal van verhoor van verdachte van 3 en 4 februari en 31 augustus 2016, p. 23-24, p. 40-41, p. 113-115, p. 212-213 en p. 59-63, p. 106-107.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 9] van 8 januari 2016, p. 216-217

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 februari 2016, p. 249.

11 Zie het hierboven genoemde proces-verbaal met nummer PL0600-20l6065342

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district Twente, met nummer PL0600-2017072435. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10] van 20 februari 2017, p. 4-5

14 De processen-verbaal van verhoor van verdachte van 5 juli 2017, p. 39, 40 en 43

15 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10] van 15 februari 2017, p. 5

16 De processen-verbaal van verhoor van verdachte van 5 juli 2017, p. 39 en 43