Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1396

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
08/730569-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 56-jarige man uit Deventer tot een geldboete van 15.000 euro, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De man had in 2015 op de woonboot van zijn werknemer bijna 7 kilo hennep ondergebracht. Dit was de externe handelsvoorraad van zijn coffeeshop uit Deventer die voor 3 maanden was gesloten op last van de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/730569-16 (P)

Datum vonnis: 26 april 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.F. Menke en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en)

feit 1: in de uitoefening van beroep of bedrijf, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt, in ieder geval aanwezig heeft gehad, 6.854 gram hennep;

feit 2: goederen en een geldbedrag van € 63.901,90 voorhanden heeft gehad ten behoeve van een hennepkwekerij;

Feit 3: geldbedragen van € 62.930,--, € 710,-- en € 261,90 heeft witgewassen, dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan ‘schuld witwassen’.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

verdachte op of omstreeks 16 juli 2015, in de gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (te weten in perceel [adres] ), een hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, te weten (ongeveer) 6.854 gram hennep, althans (een) (grote) hoeveelhe(i)d (en) hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (, te weten 6.854 gram hennep, althans meer dan 500 gram hennep);

2.

hij op of omstreeks 16 juli 2015, in de gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten (ongeveer) 48, althans een of meer, armatu(u)(r(en), 76, althans een of meer, assimilatielamp(en), 162, althans een of meer, transformato(o)r(en), 2, althans een, luchtafzuiger(s), 10, althans een of meer, kachel(s), 107, althans een of meer, yerrycan(s) met groeimiddel en/of 20, althans een of meer, scha(a)r(en), dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten (ongeveer) 63.901,90 euro, althans (een) geld(bedrag), waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid strafbaar gestelde feiten;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 16 juli 2015, in de gemeente Deventer en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van 62.930 euro en/of 710 euro en/of 261,90 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen, en/of

heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van 62.930 euro en/of 710 euro en/of 261,90 euro, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie (een) voorwerp(en), te weten (een)

geldbedrag(en) van 62.930 euro en/of 710 euro en/of 261,90 euro, voorhanden

heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) geheel

of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 16 juli 2015, in de gemeente Deventer en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van 62.930 euro en/of 710 euro en/of 261,90 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van 62.930 euro en/of 710 euro en/of 261,90 euro was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van 62.930 euro en/of 710 euro en/of 261,90 euro, voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 16 juli 2015 heeft in een woonboot gelegen aan de [adres] te Deventer een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking is in een kamer op de eerste etage een hoeveelheid van 6.854 gram softdrugs aangetroffen (feit 1).

In de garagebox op het terrein van de woning werd een groot aantal goederen ten behoeve van een hennepkwekerij aangetroffen (feit 2).

In een slaapkamer is een kluis aangetroffen met daarin geldbedragen van € 62.890,00 en

€ 261,90. Verder is in een kast op dezelfde slaapkamer een geldbedrag van € 400,00 aangetroffen en is in een ladekast in de woonkamer een geldbedrag van € 310,00 aangetroffen (feit 3).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte erkent dat hij 6.854 gram hennep op de woonboot van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gestald. Dit was een stash ten behoeve van zijn coffeeshop “ [naam coffeeshop] ” die vanwege bestuursdwang tijdelijk was gesloten.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat de in de woonboot aan de [adres] aangetroffen hoeveelheid softdrugs aan hem toebehoorde en dat dit handelsvoorraad van zijn coffeeshop “ [naam coffeeshop] ” was.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

  • -

    Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 12 april 2018, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 januari 2017, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte2;

 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 januari 2017, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1]3;

 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 januari 2017, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2]4;

 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2015, inhoudende het relaas van verbalisanten.5

 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2015, inhoudende het relaas van verbalisant.6

 Het relaas van onderzoek d.d. 11 augustus 2015, inhoudende het relaas van verbalisant7 ;

 De kennisgeving van in beslagneming8;

Feit 2:

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de bewijsmiddelen niet gebleken dat verdachte heeft geweten dat de in de tenlastelegging genoemde goederen in de garage behorende bij de woonboot aan de [adres] aanwezig waren.

De enkele omstandigheid dat verdachte de woonboot met de nabij gesitueerde garage aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verhuurde en dat verdachte in het verleden op deze woonboot heeft gewoond, is onvoldoende om te concluderen dat hij deze wetenschap heeft gehad.

Feit 3:

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Niet is gebleken dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

verdachte op 16 juli 2015, in de gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met anderen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (te weten in perceel [adres] ), een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, te weten (ongeveer) 6.854 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (meer dan 500 gram hennep).

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 11 en 13 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 15.000,00 te vervangen door hechtenis voor de duur van 110 dagen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat verdachte zijn bedrijfsvoering vanuit coffeeshop “ [naam coffeeshop] ” door alle vervolgingen inmiddels heeft gestaakt en dat hij de belastingdienst € 250.000,-- moet betalen.

Daarnaast heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 maart 2017 is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 50.000,- en een taakstraf voor de duur van 100 uren omdat hij zich op 15 september 2014 als coffeeshophouder schuldig had gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim 34 kilogram aan hasjisj en hennep (cannabis) en hiermee de gedoogde hoeveelheid voorraad softdrugs in een coffeeshop van 500 gram zeer fors had overschreden.

Wegens overtreding van de gedoogcriteria heeft de gemeente vervolgens bestuursrechtelijk gehandhaafd en de coffeeshop van verdachte met ingang van 1 mei 2015 voor de duur van drie maanden gesloten.

Hierna heeft verdachte onderhavig feit gepleegd door zich op 16 juli 2015 opnieuw schuldig te maken aan het aanwezig hebben van een te grote hoeveelheid softdrugs, ditmaal 6.854 gram hennep. Dit betrof de externe bedrijfsvoorraad, bestaande uit verschillende productsoorten, die verdachte tijdelijk op de woonboot van zijn bedrijfsleider, medeverdachte [medeverdachte 1] , had ondergebracht totdat de bedrijfsvoering van de coffeeshop mocht worden hervat.

Verdachte wist op dat moment, omdat hij als eigenaar van een coffeeshop reeds eerder een te grote voorraad aanwezig had gehad, dat hij hiermee de maximaal toegestane handelsvoorraad opnieuw overschreed. Het feit dat verdachte er desondanks bewust voor heeft gekozen om een 13 keer grotere voorraad dan 500 gram softdrugs op voorraad te houden, is een risico dat voor rekening van verdachte komt.

De rechtbank is van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de verdediging is bepleit, niet aan de orde is. Het bezwaar tegen de toepassing van dit artikel in coffeeshop-zaken is dat het zorgvuldig opgebouwde en over het algemeen goed functionerende gedoogbeleid in gevaar wordt gebracht. Uitgangspunt bij de bepaling van de strafwaardigheid moet zijn dat drugs, ook softdrugs, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. De teelt, handel en het vervoer van drugs zijn nauw verbonden met vormen van (georganiseerde) criminaliteit, die ondermijnend zijn voor de maatschappij, haar instellingen, de veiligheid in het algemeen en van personen in het bijzonder. Om die reden dienen de teelt en handel in softdrugs krachtig te worden bestreden en dienen er geloofwaardige straffen te worden opgelegd aan diegenen die de wet overtreden. Het is evident dat de strafwaardigheid van een coffeeshop, die aan de voorwaarden van het gedoogbeleid voldoet, kan wegvallen. Dat geldt echter niet voor degene die de achterdeur van de coffeeshop ongereguleerd en ongecontroleerd openzet. Diegene verliest de controle en kan moeilijk volhouden dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn waardoor de strafwaardigheid, die als regel aanwezig is, wordt opgeheven.

De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden bij het aanwezig hebben van softdrugs tussen de 5.000 en 10.000 gram. De rechtbank acht strikte toepassing van dit uitgangspunt in dit geval echter niet passend omdat het door verdachte gepleegde feit rechtstreeks voortvloeide uit de exploitatie van zijn coffeeshop; verdachte zag zich door de zogenaamde “achterdeurproblematiek” voor het praktische probleem gesteld dat hij zijn coffeeshop moest bevoorraden. Dat hij dit herhaaldelijk buiten de grenzen van het recht heeft opgelost, kan hem echter wel worden toegerekend.

De rechtbank heeft kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 15 maart 2018. In dit rapport wordt geadviseerd om een werkstraf op te leggen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging verder acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 13 maart 2018.

Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht houdt de rechtbank bij het opleggen van de hierna te melden straf in strafmatigende zin rekening met de straf die de verdachte bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 maart 2017 is opgelegd zoals hiervoor reeds is weergegeven.

Ook houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de straf die de verdachte bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 21 februari 2018 is opgelegd, te weten een taakstraf van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank bij de strafoplegging verder in aanmerking genomen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Verdachte heeft redelijkerwijs met vervolging rekening moeten houden vanaf 24 november 2015, de dag waarop hij als verdachte is gehoord. De zaak is niet binnen twee jaar nadien afgerond met een eindvonnis maar na twee jaren en vijf maanden. Er zijn onvoldoende omstandigheden naar voren gekomen die een dergelijke lange termijn van berechting rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging tot gevolg moet hebben.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geldboete van € 15.000,00, waarvan € 7.500,00 voorwaardelijk passend en geboden.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De raadsman van verdachte heeft verzocht het beslag dat op het geldbedrag van € 63.192,00 rust op te heffen en de officier van justitie opdracht te geven dat bedrag aan verdachte te retourneren.

Nu echter op dit geldbedrag conservatoir beslag is gelegd, is dit beslag in de onderhavige strafzaak niet aan de orde en kan de rechtbank hierover geen beslissing nemen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 15.000,-, (zegge: vijftienduizend euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 110 dagen;

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 7.500,-- (zevenduizend vijfhonderd euro), te vervangen door 72 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. W.F. Boele en mr. F. van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

Mr. F. van der Maden is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Oost-Nederland, recherche Deventer, met nummer 2015199176. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Dossierpagina 002-003

3 Dossierpagina 006-008.

4 Dossierpagina 009-011.

5 Dossierpagina 43-44.

6 Dossierpagina 46-49.

7 Dossierpagina 53-55.

8 Dossierpagina 56-82.