Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1317

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
08/952348-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 40-jarige man tot 8 maanden cel. Hij is schuldig aan van 170.000 euro. Dit bedrag werd ontdekt in zijn auto tijdens een controle op de A1. Daarnaast had hij spullen die bestemd waren om te gebruiken bij een hennepkwekerij. Ook had hij twee zogenaamde jammers. Deze jammers worden gebruikt om radiosignalen te verstoren om zo de opsporing van onder andere druggerelateerde feiten moeilijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952348-16 (P)

Datum vonnis: 20 april 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. de Waard en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Almere, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een bedrag van € 170.000,-- heeft witgewassen;

feit 2: stoffen en/of voorwerpen in zijn bezit had, waarvan hij wist of moest vermoeden dat die bestemd waren voor een hennepkwekerij;

feit 3: radiozendapparatuur heeft aangelegd en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt, terwijl hij daarvoor geen vergunning had.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2016, te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

althans in Nederland,

- van een geldbedrag, te weten 170.000,- euro, de werkelijke aard, de

herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, en/of heeft hij, verdachte, verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende(n) op het geldbedrag was/waren, en/of

- een geldbedrag, te weten 170.000,- euro, verworven en/of voorhanden heeft

gehad en/of overgedragen en/of gebruikt,

terwijl hij, verdachte, wist, althans had moeten vermoeden, dat dat

geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - (al dan niet gedeeltelijk) (mede)

afkomstig was/waren uit een of meer misdrijven;

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2016 te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop

aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of

voorhanden gehad, te weten:

- een digitale weegschaal en/of

- een strijkijzer en/of

- ( een) kabelbinder(s) en/of

- een kabelstripper en/of

- een zegeltang en/of

- ( een) sealbag(s) en/of

- ( een) jammer(s) en/of

- ( een) wegwerpoveral(s) en/of

- een spuitbus met luchtverfrisser en/of

- een breekijzer en/of

- ( een) bahco(’s) en/of

- een waterpomptang en/of

- zeven schroevendraaiers en/of

- een hamer en/of

- een (sport)tas,

waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd

waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van

de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

hij op of omstreeks 18 februari 2016 te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

althans in Nederland,

al dan niet opzettelijk,

een of meer radiozendappara(a)t(en), te weten (een) jammer(s),

heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of

heeft gebruikt,

terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die/dat

radiozendappara(a)t(en) geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte

was verleend op grond van hoofstuk 3 van de Telecommunicatiewet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Feit 1

4.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu het bedrag van € 170.000,-- in de auto van verdachte is aangetroffen, verdachte heeft bevestigd dat het geldbedrag hem toebehoorde, dat hij wist dat het geld daar lag en onvoldoende aannemelijk is dat het geld de opbrengst is van verkoop van hennep door verdachte zelf.

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat er sprake is van een kwalificatie-uitsluitingsgrond, omdat de € 170.000,-- onmiddellijk afkomstig is uit de verkoop van hennep door verdachte zelf. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat verdachte om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna als bijlage aangehechte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op donderdag 18 februari 2016 omstreeks 23:00 uur heeft er op de Rijkssnelweg A1 ter hoogte van de gemeente Rijssen, op de parkeerplaats Struik ter hoogte van hectometer paal 122.0 links, een verkeerscontrole genaamd “Ochtendgloren” plaatsgevonden. Vlak na aanvang van deze controle werd een personenauto, merk Volvo, type V70, voorzien van het kenteken [kenteken] , steekproefsgewijs van de snelweg gehaald en gecontroleerd door de politieambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] . Verdachte was de bestuurder van die auto. Bij onderzoek in de auto werd een dichtgeplakte doos achterin de auto aangetroffen. Deze doos was voorzien van een Disney-afbeelding van de kinderfilm Jungle Book en leek bestemd voor kinderspeelgoed. Nadat verbalisant [verbalisant] aan verdachte had gevraagd wat er in de doos zat, verklaarde verdachte dat hij daarmee vandaag zijn inkopen had gedaan. Verbalisanten hebben de doos geopend en daarin bevond zich een grote hoeveelheid gebundelde bankbiljetten van verschillende coupures. Na telling is gebleken dat het een totaal geldbedrag van € 170.000,-- betrof.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat dit geld van hem is.

De vraag die voorligt is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het geldbedrag van € 170.000,--. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met het voorhanden hebben van grote bedragen contant geld. De verdediging heeft niet betwist dat het geldbedrag een criminele herkomst had en het voorhanden hebben en vervoeren van een dergelijk groot geldbedrag rechtvaardigt in beginsel dan ook de conclusie dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2

Feit 2

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu verdachte ter zitting heeft bekend dat hij de goederen gebruikte voor het telen van hennep.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de goederen ‘bestemd’ waren tot het plegen van een feit als bedoeld in artikel 11 lid 3 of lid 5 van de Opiumwet (OW). De goederen kwamen juist van een ontruimde kwekerij en verdachte wilde geen nieuwe kwekerij beginnen.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna als bijlage aangehechte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast en gaat daarbij eveneens uit van wat zij hiervoor onder 4.1.3 heeft vastgesteld.

Bij onderzoek in de auto van verdachte zag verbalisant [verbalisant] op de achterbank van de auto in een openstaande bigshopper een digitale weegschaal liggen, waarvan hij ambtshalve wist dat deze veelal worden gebruikt bij het wegen van drugs. Hierna heeft een drugshondgeleider van de douane zijn hond ingezet en onderzoek laten doen aan de auto van verdachte. Tijdens deze inzet bleek dat de hond op de gehele auto aansloeg als het gaat om de mogelijke aanwezigheid van drugs. Hierbij reageerde de drugshond vooral op de aangetroffen weegschaal en tassen achterin de auto. In de auto werd tevens een sporttas aangetroffen waarin een aantal schroevendraaiers en een breekijzer lagen. In een andere tas lagen een tweetal sealbags en een strijkijzer.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de in de auto aangetroffen goederen van hem waren. De goederen zouden wel afkomstig zijn van een hennepkwekerij, maar verdachte was niet van plan om een nieuwe kwekerij te beginnen.

Voor een bewezenverklaring is vereist dat de bestemming ten tijde van het ten laste gelegde nog actueel is en dat de verdachte daarvan weet. Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij wist dat de goederen afkomstig waren van een hennepkwekerij en derhalve ook opnieuw de bestemming konden hebben om de in artikel 11 lid 3 en 5 OW bedoelde feiten te plegen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij met het verdiende geld als zzp’er wilde gaan werken en niet een nieuwe kwekerij wilde inrichten, ongeloofwaardig. Dit mede gelet op het feit dat verdachte reeds eerder voor een druggerelateerd feit is veroordeeld en nadien nog eens is aangetroffen in een woning waarin zich een hennepkwekerij bleek te bevinden. Voorts blijkt uit het onderhavige dossier dat verdachte gedurende een langere periode rondom zijn aanhouding niet of nauwelijks (legale) inkomsten genoot.

De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3

Feit 3

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en komt tot bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 april 2018, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid laatste volzin Sv;

2. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] van 19 februari 2016, pagina’s 35 en 36;

3. de conclusies van de rapporten van bevindingen technische onderzoeken van inspecteur [verbalisant] , inspecteur bij het Agentschap Telecom van 8 maart 2016, pagina’s 229 en 234.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 en de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 18 februari 2016 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, een geldbedrag, te weten 170.000,- euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit een of meer misdrijven;

2.

op 18 februari 2016 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, voorwerpen heeft vervoerd en voorhanden heeft gehad, te weten:

- een digitale weegschaal en

- een strijkijzer en

- kabelbinders en

- een kabelstripper en

- een zegeltang en

- sealbags en

- jammers en

- wegwerpoverals en

- een spuitbus met luchtverfrisser en

- een breekijzer en

- bahco’s en

- een waterpomptang en

- zeven schroevendraaiers en

- een hamer en

- een (sport)tas,

waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

op 18 februari 2016 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk,

radiozendapparaten, te weten jammers, aanwezig heeft gehad en heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het geldbedrag van € 170.000,-- onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, te weten overtreding van artikel 3 en 11 van de Opiumwet. Dit leidt ertoe dat dit feit niet kan worden gekwalificeerd als opzetwitwassen en ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het verweer betwist en aangevoerd dat verdachte pas op de zitting met deze verklaring is gekomen en dat die verklaring niet voldoende concreet en verifieerbaar is.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden aangemerkt. In een dergelijk geval moet ontslag van rechtsvervolging het gevolg zijn. De vraag ligt zodoende voor of voldoende geconcretiseerd is dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was.

De verdachte heeft, eerst ter terechtzitting, verklaard dat hij het geld heeft verworven met eigen criminele activiteiten, te weten de verkoop van hennep. Hij zou een hennepkwekerij in Nijmegen hebben gehad en de hennepopbrengst hebben verkocht in Enschede. De hennepkwekerij zou hebben bestaan uit 650 tot 700 plantjes en verdachte heeft naar eigen zeggen 30 kilo geoogst. Enige nadere feitelijke, controleerbare onderbouwing ontbreekt. Daarmee ontbreekt de vereiste mate van concretisering van het misdrijf dat door de verdachte zou zijn gepleegd en van het verband tussen dat misdrijf en het aangetroffen geldbedrag. De door de raadsman genoemde omstandigheden zijn niet zodanig dat daaruit (zonder meer) volgt dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk is verkregen uit de verkoop van 30 kg hennep door de verdachte. Dit geldt temeer nu de verdachte heeft verklaard dat het aangetroffen geldbedrag de opbrengst was van zijn eerste geslaagde oogst en de rechtbank constateert dat de hoeveelheid hennep die hij zou hebben verkocht (30 kilo) de aanwezigheid van veel meer hennepplanten veronderstelt dan het aantal dat verdachte verklaart te hebben geteeld en bovendien de gestelde 30 kilo hennep, ook gerekend naar de voor verdachte meest gunstige BOOM-tarieven, een substantieel lager bedrag oplevert dan de aangetroffen € 170.000,--.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en dat de verdachte dus geen beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond toekomt. De rechtbank verwerpt dan ook het door de raadsman gevoerde verweer. Nu verdachte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, gaat de rechtbank ervan uit dat het geld een andere criminele herkomst heeft.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr), 11a OW en 10.9 van de Telecommunicatiewet. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: witwassen;

feit 2

het misdrijf: voorwerpen vervoeren en voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

feit 3

het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9 van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte nu een kans heeft op een goede en legale baan in Zwitserland en een gevangenisstraf deze kans zou wegnemen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van

€ 170.000,--. Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan. Het in omloop zijn van een dergelijk witgewassen geldbedrag heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. Daarnaast heeft verdachte spullen in zijn bezit gehad die bestemd waren om te gebruiken bij een hennepkwekerij. Ook heeft verdachte twee zogenaamde jammers in zijn bezit gehad. Deze jammers worden gebruikt om radiosignalen te verstoren om zo de opsporing van onder andere druggerelateerde feiten moeilijk te maken.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 26 februari 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake druggerelateerde feiten is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is, zodat zij verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde goederen, te weten het geldbedrag van € 170.000,-- en de hennep gerelateerde goederen als genoemd onder 2 moeten worden verbeurdverklaard. Het geldbedrag betreft een voorwerp dat aan verdachte toebehoort, dat hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en dat geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van een strafbaar feit is verkregen. De hennep gerelateerde goederen als genoemd onder 2 behoren verdachte toe en zijn voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde geldbedrag ten bedrage van € 330,--, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a, 57 en 91 Sr en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op economische delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: witwassen;

feit 2

het misdrijf: voorwerpen vervoeren en voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

feit 3

het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9 van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 170.000,--;

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de hennep gerelateerde goederen als genoemd onder 2;

- gelast de teruggave van een geldbedrag van € 330,-- aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. K.J. Haarhuis, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.

Buiten staat

Mrs. Bordenga-Koppes en Haarhuis zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de districtsrecherche Twente met nummer PL600-2016084783. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 april 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik op 18 februari 2016 in een Volvo voorzien van kenteken [kenteken] op de A1 reed en dat ik door de politie werd gecontroleerd. Het klopt dat er € 170.000,-- in de kofferbak lag. Volgens mij zat het in een soort postdoos met opdruk van Disney. Dat geld was van mij.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] van 19 februari 2016, pagina’s 35 en 36:

Op donderdag 18 februari 2016 omstreeks 23:00 uur waren wij verbalisanten belast met het uitvoeren van een algehele verkeerscontrole op de Rijksweg A1 te Holten. Op genoemd tijdstip kregen wij een voertuig aangeboden ter controle. Dit betrof een donkerblauwe Volvo V70 voorzien van het kenteken [kenteken] . De bestuurder gaf op te zijn [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] . Wij zagen dat de bestuurder de kofferbak van het voertuig opende. Wij zagen een dichtgeplakte doos met een afbeelding van Jungle Book. Het leek een doos bestemd voor kinderspeelgoed. Ik, [verbalisant] , vroeg de bestuurder wat of er in de doos zat. Wij hoorden de bestuurder zeggen: “Daarmee heb ik vandaag inkopen gedaan”. Wij begrepen niet wat de bestuurder bedoelde en hebben vervolgens voorzichtig de doos open gemaakt. Na opening bleek er een groot aantal gebundelde bankbiljetten in de doos te zitten. Ik, [verbalisant] , zag de grote hoeveelheid geld en vroeg aan de bestuurder: “Hoeveel geld is dit?”. Wij hoorden de bestuurder zeggen dat het tussen 150 en 180 was. Ik, [verbalisant] , vroeg hem vervolgens: “Met drie nullen erachter zeker?”. Wij hoorden de bestuurder zeggen dat dat klopte.

Feit 2

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 april 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Het klopt dat de spullen die op mijn achterbank lagen gebruikt worden bij een hennepkwekerij. Door de haast had ik alle spullen in de auto gegooid. Ik had net dat pand in Nijmegen ontruimd en deze spullen lagen er nog en die heb ik snel in de auto gegooid. Het klopt dat ik wel eerder met hennepteelt te maken heb gehad.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] van 19 februari 2016, pagina’s 35 en 36:

Op donderdag 18 februari 2016 omstreeks 23:00 uur waren wij verbalisanten belast met het uitvoeren van een algehele verkeerscontrole op de Rijksweg A1 te Holten. Op genoemd tijdstip kregen wij een voertuig aangeboden ter controle. Dit betrof een donkerblauwe Volvo V70 voorzien van het kenteken [kenteken] . De bestuurder gaf op te zijn [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] . Wij zagen dat de bestuurder de kofferbak van het voertuig opende. Wij zagen een grote rode tas achterin liggen. Ik, [verbalisant] , rook een sterke weedlucht uit de tas komen. Mij is ambtshalve goed bekend hoe deze drug ruikt. Toen ik, [verbalisant] , de rechter achterdeur van het voertuig opende zag ik dat er een digitale weegschaal in een openstaande big shopper zat. Mij is ambtshalve bekend dat dergelijke weegschalen gebruikt worden om drugs te wegen. Ik, [verbalisant] , werd vervolgens door een collega erop geattendeerd dat de betrokken persoon [verdachte] voorkwam in het politiesysteem voor onder andere bezit en vervaardigen van drugs. Vervolgens hebben wij besloten de douane drugshond in te laten zetten op de betrokken auto. Tijdens deze inzet bleek de hond op de gehele auto aan te slaan op de mogelijke aanwezigheid van drugs. Met name de weegschaal en de tassen achterin de kofferbak.

3.

Het proces-verbaal van [verbalisant] van 22 februari 2016, pagina’s 197 en 198, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

Door mij werd een nader onderzoek ingesteld aan een aantal goederen welke werden aangetroffen in een personenauto van het merk Volvo, model V70 en voorzien van het kenteken [kenteken] . Voornoemde goederen werden aangetroffen en in beslaggenomen onder de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] . Ik zag dat zowel de weegschaal als het strijkijzer waren besmeurd met THC-houdende resten. Van zowel het strijkijzer als de weegschaal zijn stofmonsters afgenomen welke aansluitend werden getest met een ODV-verdovende middelentest op de aanwezigheid van THC. Hierbij werd positief gereageerd op de aanwezigheid van THC. THC is de werkzame stof in hennep en staat als zodanig vermeld op Lijst II van de Opiumwet. Vorenstaande geeft aan dat de weegschaal en het strijkijzer vermoedelijk zijn gebruikt bij het bewerken van hennep houdende goederen. Gezien de mate van vervuiling op de weegschaal en het strijkijzer is het aannemelijk dat deze goederen veelvuldig en langdurig zijn gebruik bij het bewerken/verpakken van hennep/marihuana.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de districtsrecherche Twente met nummer PL600-2016084783. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.