Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1315

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
08/710008-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 35-jarige oplichter uit Enschede is veroordeeld tot 24 maanden cel. De man heeft particulieren en bedrijven op uiterst geraffineerde en professionele wijze opgelicht en benadeeld, waardoor zij voor grote bedragen zijn gedupeerd. De rechtbank oordeelt dat hij ook schadevergoedingen moet betalen van in totaal zo'n 82.000 euro. Het verzoek bevel gevangenneming is toegewezen.

Hij heeft in de periode van januari 2010 tot en met februari 2014 telkens zijn diensten als specialist in kunststofkozijnen aangeboden bij een groot aantal aangevers en hen forse aanbetalingen laten doen. Nadat aangevers hadden betaald liet verdachte niets meer van zich horen en heeft hij nooit enige werkzaamheden verricht.

Daarnaast heeft verdachte in de periode van februari 2014 tot en met maart 2014 meermalen grote aantallen pallets besteld bij verschillende bedrijven, met de bedoeling deze niet te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/710008-17 (P)

Datum vonnis: 20 april 2018

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.H. Huang en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een of meer anderen de heer [slachtoffer 1] heeft opgelicht;

feit 2: samen met een of meer anderen meerdere mensen heeft opgelicht;

feit 3: een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen die hij niet betaalt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 januari tot en met 19 mei 2010 te

Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of

door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte

van een of meer geldbedrag(en) (te weten 26.000,-), in elk geval van enig

goed, en/of heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, immers heeft

verdachte met vorenomschreven oogmerk (telkens) -zakelijk weergegeven-

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich voorgedaan als medewerker en/of bestuurder van [bedrijf 1] (B.V/C.V.)

en in die hoedanigheid die [slachtoffer 1] benaderd en/of

- met gebruik van een folder van “ [bedrijf 1] ”, voorzien van specifieke

keurmerken die niet aan deze firma zijn verleend, kunststof kozijnen te koop

aangeboden en/of

- ( vervolgens) met voornoemde [slachtoffer 1] een prijs van aankoop van een of meer

goed(eren) afgesproken en een of meerdere keren de maten in de woning van de

[slachtoffer 1] ten behoeve van de plaatsing opgenomen en/of

- bemiddeld in de totstandkoming van een lening ten behoeve van de betaling

van deze goederen tussen die [slachtoffer 1] en [bedrijf 2] en/of

- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] het rekeningnummer van [bedrijf 1] gegeven

waarop het overeengekomen bedrag diende te worden overgemaakt

( [rekeningnummer 1] ) en/of

- na de girale overdracht van het geld naar dit bankrekeningnummer, waarvoor

verdachte (en of zijn mededaders) gemachtigd was/waren, dit geld in contanten

geheel opgenomen bij verschillende geldautomaten in Enschede en/of

- vervolgens meermalen aan die [slachtoffer 1] heeft aangegeven dat de levering van

afgesproken goederen vertraagd was en/of een schijn van levering aan die [slachtoffer 1]

voorgehouden, terwijl de gedane betalingen door die [slachtoffer 1] nooit zijn aangewend

ter bestelling van de goederen en/of

- zich (aldus) (telkens) onder meer voorgedaan als een betrouwbaar verkoper

behorend tot een betrouwbaar bedrijf ( [bedrijf 1] B.V/C.V.) en, nadat het

voor genoemd(e) goed(eren) gevraagde geldbedrag was overgemaakt naar

voornoemde rekening, die/dat te koop aangeboden goed(eren) (telkens) niet

afgeleverd en/of verstrekt en/of opgestuurd aan/naar voornoemde [slachtoffer 1] ,

waardoor die [slachtoffer 1] (telkens) werden bewogen tot afgifte van een geldbedrag

en/of tot het aangaan van een schuld;

2.

hij in of omstreeks van januari 2010 tot en met 21 februari 2014 te Almere

en/of Purmerend en/of Hoofddorp en/of Arkel en/of Zwolle en/of Enschede,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam

en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten

5.400,- euro) en

- [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld

(te weten 10.000,-) en

- [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te

weten 24.000,- euro) en

- [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten

1.050,- euro) en

- [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten

2.500,- euro) en

- [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te

weten 4.100,- euro) en/of een of meer anderen (telkens) heeft bewogen tot de

afgifte van een of meer geldbedrag(en), immers heeft verdachte met

vorenomschreven oogmerk (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid:

- zich voorgedaan als medewerker en/of bestuurder van [bedrijf 1] en/of

[bedrijf 3] en in die hoedanigheid bovengenoemde personen benaderd en/of

- met gebruik van een folder van [bedrijf 1] en/of “ [bedrijf 3] ”,

voorzien van specifieke keurmerken die niet aan deze firma zijn verleend en/of

op de internetsite www. [bedrijf 3] .nl met (telkens) het gebruik van een

gefingeerde naam een of meerdere kunststof kozijnen te koop aangeboden en/of

- ( vervolgens) met bovengenoemde personen een prijs van aankoop van een of

meer goed(eren) afgesproken en een of meerdere keren de maten in de woning van

de bovengenoemde personen ten behoeve van de plaatsing opgenomen en/of

- bemiddeld in de totstandkoming van een lening ten behoeve van de betaling

van deze goederen tussen bovengenoemde personen en [bedrijf 2] en/of

- ( vervolgens) bovengenoemde personen het rekeningnummer van

[bedrijf 1] / [bedrijf 3] gegeven waarop het overeengekomen bedrag diende

te worden overgemaakt ( [rekeningnummer 1] tav [bedrijf 1] / [rekeningnummer 2]

tav [bedrijf 3] ) en/of de aanbetaling voor het plaatsen van de producten

contant heeft ontvangen en/of

- na de girale overdracht van het geld naar dit bankrekeningnummer, waarvoor

verdachte (en of zijn mededaders) gemachtigd was/waren, dit geld in contanten

geheel opgenomen bij verschillende geldautomaten in Enschede en/of

- vervolgens meermalen aan bovengenoemde personen aangegeven dat de levering

van afgesproken goederen vertraagd was en/of een schijn van levering aan

bovengenoemde personen voorgehouden, terwijl de gedane betalingen nooit zijn

aangewend ter bestelling van de goederen en/of

- zich (aldus) (telkens) onder meer voorgedaan als een betrouwbaar verkoper

behorend tot een betrouwbaar bedrijf ( [bedrijf 1] B.V/C.V. en/of

[bedrijf 3] ) en, nadat het voor genoemd(e) goed(eren) gevraagde geldbedrag

was overgemaakt (naar voornoemde rekening), die/dat te koop aangeboden

goed(eren) (telkens) niet afgeleverd en/of verstrekt en/of opgestuurd aan/naar

voornoemde bovengenoemde personen, waardoor zij (telkens) werden bewogen tot

afgifte van een geldbedrag en/of tot het aangaan van een schuld;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van februari 2014

tot en met maart 2014 te Erichem en/of Poeldijk en/of Hoek van Holland,

althans in Nederland, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen

van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een)

ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, immers heeft

verdachte, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen gekocht zonder

zonder te betalen, te weten: europallets, toebehorende aan;

- [bedrijf 4] , voor een bedrag van 35.863,- afgenomen op meerdere

data in de periode van 5 februari tot en met 20 maart 2014 en/of

- [bedrijf 5] , voor een bedrag van 7.621,18, afgenomen op

12 en 13 februari 2014 en/of

- [bedrijf 6] , voor een bedrag van 8.145,7, afgenomen op 21

en 24 februari 2014;

voor een totaalbedrag van 51.629,90 euro.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

3.2

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft wat betreft de feiten 1 en 2 primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. Immers, het OM heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden door alleen verdachte en niet de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te vervolgen. Daarnaast is er inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor op zijn minst met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan door de wijze waarop verbalisant [verbalisant] het onderzoek heeft vormgegeven; zo heeft hij voorafgaand aan de verhoren van aangevers al een keer telefonisch contact met hen gehad, is hij degene die tijdens de verhoren is begonnen over keurmerken, heeft hij in dat verband sturende vragen gesteld en heeft hij het onderzoek alleen gedraaid.

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden, nu er overduidelijk geen sprake is van gelijkheid van gevallen. Verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben wel enige werkzaamheden verricht, maar verdachte speelde een hoofdrol in beide bedrijven waarmee aangevers zaken deden. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat de belangen van verdachte niet zijn veronachtzaamd door de wijze waarop het onderzoek is vormgegeven. Verbalisant [verbalisant] stelde verduidelijkingsvragen en de aanvullende verklaringen zijn slecht een korte aanvulling op de oorspronkelijke aangiftes. Daarbij zijn aangevers nog uitgebreid in het bijzijn van de raadsman van verdachte bij de rechter-commissaris gehoord. De verweren van de raadsman dienen dan ook te worden verworpen, aldus de officier van justitie.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie heeft een ruime discretionaire bevoegdheid om te beslissen of een verdachte moet worden vervolgd. Deze vervolgingsbeslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging vanwege het feit dat het instellen of voortzetten van die vervolging volstrekt onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde of in het geval dat vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen, dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is van zo een uitzonderlijk geval geen sprake. De beslissing van het Openbaar Ministerie om verdachte wél te vervolgen acht de rechtbank in het onderhavige geval niet onbegrijpelijk gelet op de verschillende rollen en mate van betrokkenheid van de medeverdachten en met name gelet op de centrale rol van verdachte in het geheel.

Gelet op de uit het dossier gebleken wijze waarop verbalisant [verbalisant] het onderzoek heeft vormgegeven, is de rechtbank voorts geenszins gebleken dat verbalisant [verbalisant] sturende vragen heeft gesteld. De rechtbank merkt daarbij op dat het de taak van de verhoorder is om vragen te stellen die zijn gericht op de kwalificatie van strafbare feiten. Niet is gebleken dat [verbalisant] meer of anders heeft gedaan dan het stellen van dergelijke verduidelijkingsvragen aan aangevers, na hun initiële aangiftes. Genoemde aangevers zijn bovendien nog bij de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de raadsman. De raadsman heeft hen bij die gelegenheid vragen kunnen stellen. Deze verhoren bij de rechter-commissaris wijken in essentie niet af van de verklaringen die aangevers bij de politie hebben afgelegd.

Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging en de rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Feit 1 en feit 2

4.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is telkens sprake van een zelfde werkwijze door verdachte, waarbij hij door middel van diverse oplichtingsmiddelen aangevers heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. De verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] kunnen, anders dan de raadsman van verdachte meent, voor het bewijs worden gebruikt, nu niet is gebleken van sturende vraagstellingen door verbalisant [verbalisant] .

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2. De verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] moeten van het bewijs worden uitgesloten omdat zij zijn onderworpen aan een sturende en suggestieve vraagstelling. Het handelen van verdachte voldoet in geen van de gevallen aan de eisen voor een bewezenverklaring van oplichting. Het oogmerk op wederrechtelijk bevoordeling ontbreekt nu de wil om aan overeenkomsten te voldoen wel aanwezig is geweest. Uit het onderzoek is gebleken dat er wel materialen zijn besteld en kozijnen en dergelijke zijn geïnstalleerd bij klanten, een werkplaats of showroom was niet nodig, een kantoor was er wel en verdachte maakte in de contacten gebruik van zijn eigen naam. Bovendien leveren de verschillende gedachtestreepjes, als daarvan al blijkt in de aangiftes, geen oplichtingsmiddelen op en blijkt niet dat aangevers daardoor zijn bewogen tot het aangaan van een overeenkomst. Wat betreft de zaak van aangever [slachtoffer 5] kan eveneens niet bewezen worden dat verdachte (mede)pleger was. Voorts merkt de raadsman op dat oplichting niet aan de orde is wanneer het slachtoffer de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. In het geval van aangever [slachtoffer 7] verzoekt de raadsman – in geval van een bewezenverklaring – deze te beperken tot een bedrag van 3600 euro, nu er onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de afgifte van 500 euro voor de architect is.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsuitsluiting

Gelet op het hiervoor onder 3.2.3 overwogene omtrent de wijze waarop verbalisant [verbalisant] het onderzoek heeft vormgegeven, ziet de rechtbank evenmin reden om tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] over te gaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat van een strafbare oplichting alleen kan worden gesproken als men door het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, dan wel door listige kunstgrepen, dan wel door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van geld. Dat een bouwbedrijf een overeenkomst niet nakomt is op zichzelf dan ook geen oplichting. Er is sprake van het aannemen een valse hoedanigheid, als er op een bedrieglijke wijze gebruik is gemaakt van het in het maatschappelijk verkeer gevormde verwachtingspatroon.

Bij het beoordelen van de vraag of verdachte een valse hoedanigheid heeft gebruikt door zich voor te doen als werknemer van een bonafide bedrijf, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden, die volgen uit de hierna als bijlage aangehechte bewijsmiddelen.

Verdachte heeft in de periode van januari 2010 tot en met 21 februari 2014 zaken gedaan met aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . Verdachte heeft telkens zijn diensten als handelaar in kunststofkozijnen en dakkapellen aangeboden. Hij deed dit onder de naam van verschillende bedrijven, zoals [bedrijf 1] AM en zijn eenmansbedrijf [bedrijf 3] . Deze bedrijven wisselden regelmatig van adres en KvK-gegevens werden gewijzigd. Ook gebruikte hij fake-adressen, waardoor hij voor aangevers lastig tot niet te bereiken was. Verdachte wekte vertrouwen met een professioneel uitziende folder en website waarop melding werd gemaakt van (niet aan verdachte of zijn bedrijf/bedrijven toegekende) certificeringen en keurmerken. Verdachte was betrokken bij de totstandkoming van alle overeenkomsten. Daarbij heeft verdachte aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewogen tot het aangaan van een substantiële lening om de kunststofkozijnen te kunnen betalen. Verdachte kwam meermalen bij aangevers thuis, waarbij de bestelling werd besproken en maten werden opgenomen. Verdachte sloot zelf overeenkomsten met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . In alle ten laste gelegde gevallen was hij bij huisbezoeken aanwezig en voerde het woord. Door verdachte werd aangedrongen op aanbetalingen van aangevers. Nadat de aanbetalingen waren gedaan kregen aangevers geen of nauwelijks contact met verdachte en ondanks herhaalde verzoeken van aangevers om uitvoering van de werkzaamheden, heeft verdachte nooit enige werkzaamheden verricht bij genoemde aangevers. Uit betaalverkeer of administratie van de bedrijven van verdachte is niet gebleken van enige inkoop van goederen die nodig zouden zijn voor het verrichten van de afgesproken werkzaamheden.

De rechtbank kan op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen dat aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door het gebruik van een valse hoedanigheid door verdachte of anderszins door listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot afgifte van een geldbedrag aan verdachte. Met name overweegt de rechtbank daarbij dat zich in de zaak [slachtoffer 3] slechts een summiere melding in het dossier bevindt, een aangifte ontbreekt. De aangifte van [slachtoffer 4] ontbeert eveneens specifieke informatie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze aangevers heeft opgelicht, zodat verdachte van dit deel zal worden vrijgesproken.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat verdachte bij aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] telkens opnieuw zich heeft voorgedaan als een betrouwbaar verkoper werkzaam voor een degelijk bouwbedrijf. Aldus heeft verdachte een valse hoedanigheid aangenomen en listige kunstgrepen dan wel een samenweefsel van verdichtsels heeft aangewend, waardoor aangevers werden bewogen tot afgifte van een geldbedrag en/of het aangaan van een schuld. De rechtbank is gelet op het voren overwogene tot de overtuiging gekomen dat verdachte van meet af aan de indruk wilde wekken dat hij werkzaamheden ging verrichten en aangevers heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag, terwijl hij nooit van plan is geweest de werkzaamheden ook werkelijk te verrichten.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 en het overige onder 2 heeft begaan.

4.2

Feit 3

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat sprake was van een vooropgezet plan blijkt onder meer uit het gebruik van valse namen.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die de pallets van [bedrijf 4] , Aram Troost en Lievaart Slaghuis heeft besteld en afgenomen zonder daarvoor te betalen.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna als bijlage aangehechte bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft in de periode van februari 2014 tot en met maart 2014 bij een drietal bedrijven, te weten [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [bedrijf 6] in totaal veertien keer zeer grote aantallen pallets besteld op naam van zijn eenmanszaak [bedrijf 3] en maakte daarbij gebruik van een valse naam. Nadat de pallets bij hem waren afgeleverd verkocht hij ze direct door aan derden. Verdachte heeft de facturen van deze bestellingen nooit voldaan, ondanks het feit dat hij als gevolg van de doorverkoop geacht kon worden over de daarvoor benodigde middelen te beschikken, en hij was ook niet meer bereikbaar voor aangevers.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van pallets met het oogmerk deze niet te betalen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 29 januari tot en met 19 mei 2010 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (te weten 26.000,-), en/of heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, immers heeft verdachte met voren omschreven oogmerk (telkens) -zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- met gebruik van een folder van “ [bedrijf 1] ”, voorzien van specifieke keurmerken die niet aan deze firma zijn verleend, kunststof kozijnen te koop aangeboden en

- vervolgens een of meerdere keren de maten in de woning van de [slachtoffer 1] ten behoeve van de plaatsing opgenomen en

- bemiddeld in de totstandkoming van een lening ten behoeve van de betaling van deze goederen tussen die [slachtoffer 1] en [bedrijf 2] en

- zich voorgedaan als een betrouwbaar verkoper behorend tot een betrouwbaar bedrijf ( [bedrijf 1] ) waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot afgifte van een geldbedrag en tot het aangaan van een schuld;

2.

in de periode van januari 2010 tot en met 21 februari 2014 te Almere en Purmerend en Hoofddorp en Arkel en Zwolle , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten

5.400,- euro) en

- [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten

1.050,- euro) en

- [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten

2.500,- euro) en

- [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te

weten 4.100,- euro), immers heeft verdachte met voren omschreven oogmerk telkens valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- met gebruik van een folder van [bedrijf 1] en/of “ [bedrijf 3] ”, voorzien van specifieke keurmerken die niet aan deze firma zijn verleend en/of op de internetsite www. [bedrijf 3] .nl met (telkens) het gebruik van een gefingeerde naam een of meerdere kunststof kozijnen te koop aangeboden en

- met bovengenoemde personen een prijs van aankoop van een of meer goed(eren) afgesproken en/of een of meerdere keren de maten in de woning van de bovengenoemde personen ten behoeve van de plaatsing opgenomen en

- bemiddeld in de totstandkoming van een lening ten behoeve van de betaling van deze goederen tussen [slachtoffer 2] en [bedrijf 2] en

- zich voorgedaan als een betrouwbaar verkoper behorend tot een betrouwbaar bedrijf ( [bedrijf 1] en/of [bedrijf 3] ), waardoor zij telkens werden bewogen tot afgifte van een geldbedrag en/of tot het aangaan van een schuld;

3.

op tijdstippen in de periode van februari 2014 tot en met maart 2014 te Erichem en Poeldijk en Hoek van Holland, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren, immers heeft verdachte, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen gekocht zonder te betalen, te weten: europallets, toebehorende aan;

- [bedrijf 4] , voor een bedrag van € 35.863,- afgenomen op meerdere data in de periode van 5 februari tot en met 20 maart 2014 en

- [bedrijf 5] , voor een bedrag van € 7.621,18, afgenomen op 12 en 13 februari 2014 en

- [bedrijf 6] , voor een bedrag van € 8.145,70, afgenomen op 21 en 24 februari 2014

voor een totaalbedrag van 51.629,90 euro.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 326 en 326a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: oplichting;

feit 2

het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7. De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht een bevel gevangenneming te gelasten vanaf het moment dat er uitspraak wordt gedaan.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Wat betreft de straf heeft de raadsman een taakstraf bepleit gelet op de ouderdom van de zaak en de omstandigheid dat hij als enige van de drie als verdachte aangemerkte personen gedagvaard is. De raadsman verzoekt afwijzing van het bevel gevangenneming gelet op het ontbreken van ernstige bezwaren, de ouderdom van de zaak en het (als enige) vervolgen van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft particulieren en bedrijven op uiterst geraffineerde en professionele wijze opgelicht en benadeeld, waardoor zij voor grote bedragen zijn gedupeerd. Verdachte heeft in de periode van januari 2010 tot en met februari 2014 telkens zijn diensten als specialist in kunststofkozijnen aangeboden bij een groot aantal aangevers en hen forse aanbetalingen laten doen. Nadat aangevers hadden betaald liet verdachte niets meer van zich horen en heeft hij nooit enige werkzaamheden verricht. Daarnaast heeft verdachte in de periode van februari 2014 tot en met maart 2014 meermalen grote aantallen pallets besteld bij verschillende bedrijven, met de bedoeling deze niet te betalen. Verder heeft hij nooit enige moeite gedaan om in contact te komen met aangevers. Ook ter terechtzitting heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, terwijl de slachtoffers voor veelal grote bedragen financieel zijn benadeeld. Verdachte heeft in geen enkel opzicht laten blijken de verwerpelijkheid van zijn handelen in te zien, noch enige vorm van berouw of compassie getoond ten opzichte van de slachtoffers. Tevens heeft verdachte het door hen in hem gestelde vertrouwen ernstig misbruikt en heeft verdachte puur uit eigen winstbejag gehandeld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de strafoplegging in soortgelijke zaken bij haar overweging betrokken.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 26 februari 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds veelvuldig met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank, heeft daarbij, op de voet van artikel 63 Sr, rekening gehouden met eerdere veroordelingen van verdachte. Ten voordele van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdverloop.

Gelet op het hiervoor overwogene alsmede de aard, ernst van en de hoeveelheid feiten, de duur van de periode waarin de verdachte de feiten pleegde en steeds weer het besluit nam om een strafbaar feit te plegen, het aantal slachtoffers en de impact die de feiten op de slachtoffers hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[bedrijf 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 26.429,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- niet geleverde kunststof kozijnen € 26.000,--;

- telefoonkosten € 30,--;

- reiskosten € 149,51.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 250,-- gevorderd. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van de proceskosten voor een bedrag van € 2.402,98.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.530,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- bankoverschrijving naar verdachte € 5.400,--;

- kosten aanvraag krediet Ned. Voorschot bank € 1.130,23.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.200,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘aanbetaling voor nooit geleverde kozijnen’ voor een bedrag van € 10.000,--. Daarvan is een bedrag van € 1.800,-- door verdachte terugbetaald en heeft de benadeelde partij een bedrag van € 2.000,-- ontvangen van de verzekering.

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 24.400,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘betaling voor kozijnen die nooit zijn geleverd’.

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.050,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘vooraf betaald bedrag’.

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘aanbetaling voor levering van zaken (dakkapel)’.

[slachtoffer 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.600,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- aanbetaling dakkapel + ramen € 3.600,--;

- kosten betaald voor hun architect € 500,--.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.500,-- gevorderd.

[bedrijf 4] VOF heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.600,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘betalingen voor pallets, inclusief BTW’.

[bedrijf 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.808,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘niet ontvangen factuurbedrag (2014461)’. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van de proceskosten voor een bedrag van € 250,--.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [bedrijf 5] in hun geheel kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gesteld dat die voor een bedrag van € 5.400,-- kan worden toegewezen en dat [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De vordering van [bedrijf 4] kan voor een bedrag van € 29.639,51 worden toegewezen, omdat het bedrag aan BTW niet voor toewijzing in aanmerking komt.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen, dan wel hen daarin niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsman de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk te verklaren wat betreft het immateriële deel, nu er onvoldoende informatie is waaruit blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van aantasting van persoon. [slachtoffer 7] moet ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering wat betreft de 500 euro die afgegeven zou zijn aan de heer [medeverdachte 1] , nu er onvoldoende bewijs is dat dat geld bij verdachte terecht is gekomen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte van de oplichting van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] wordt vrijgesproken en aan hem geen maatregel wordt opgelegd, zal de rechtbank die benadeelde partijen op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [bedrijf 4] VOF en [bedrijf 5] . De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het door de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] gevorderde daarom in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente. De rechtbank zal de vordering van [bedrijf 5] toewijzen tot een bedrag van € 1.172,49, gelet op de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangeleverde facturen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Het gevorderde door [bedrijf 4] VOF zal de rechtbank toewijzen, exclusief BTW, te weten tot een bedrag van € 29.639,51 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Voor [slachtoffer 2] geldt dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf 9 april 2010.

Voor [slachtoffer 5] geldt dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf 25 oktober 2013.

Voor [slachtoffer 6] geldt dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf 26 februari 2014.

Voor [bedrijf 4] geldt dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf 20 maart 2014.

Voor [bedrijf 5] geldt dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf 13 februari 2014.

Met betrekking tot het gevorderde door de benadeelde partijen [bedrijf 5] en [slachtoffer 7] overweegt de rechtbank dat de opgevoerde materiële schade onvoldoende is betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk is. De rechtbank zal het gevorderde onder die posten daarom in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de thans voorliggende vorderingen blijkt dat de bewezenverklaarde feiten impact hebben gehad op het welbevinden en de gemoedsrust van de benadeelde partijen. De rechtbank heeft er begrip voor dat de benadeelde partijen de immateriële schade, die zij hierdoor lijden op de daders willen verhalen.

De wet bepaalt evenwel in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek voor zover hier van belang dat – buiten gevallen waarin sprake is van fysiek letsel – verhaal van immateriële schade op de dader(s) alleen dan mogelijk is indien sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is in het algemeen slechts sprake indien het geestelijk letsel het karakter van een psychiatrisch ziektebeeld draagt. Gevoelens van angst, machteloosheid en onrust en andere uitingen van geestelijke en mentale onvrede vallen aldus niet onder het bereik van het wetsartikel.

Gezien deze beperking laat de wet geen mogelijkheid de immateriële schade van de benadeelde partijen toe te wijzen.

De rechtbank zal de vorderingen afwijzen voor zover die vorderingen betrekking hebben op het verzoek om de immateriële schade te vergoeden.

Voorts begrijpt de rechtbank de door [slachtoffer 1] onder het kopje proceskosten opgevoerde schade als materiële schade, gelet op de onderbouwing. De rechtbank zal ook het gevorderde onder deze post daarom toewijzen.

Voor [bedrijf 5] geldt dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf 19 mei 2010.

Voor [slachtoffer 7] geldt dat de wettelijke rente begint te lopen vanaf 25 oktober 2013.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal ten aanzien van elke toegewezen vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: oplichting;

feit 2

het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 5] van een bedrag van € 28.582,49, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2010;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 28.582,49, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2010 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 110 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 6.530,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2010;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.530,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2010 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 33 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3], in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 4], in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van een bedrag van € 1.050,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2013;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.050,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2013 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van een bedrag van € 2.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2014;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2014 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 27 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] van een bedrag van € 4.100,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2013;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.100,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2013 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 45 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 4] VOF van een bedrag van € 35.863,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2014;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 35.863,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2014 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 110 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [bedrijf 4] VOF, voor een deel van € 6.224,30 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 5] van een bedrag van € 1.172,49, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2014;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.808,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2014 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: Aram Troost, voor een deel van € 250,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. K.J. Haarhuis en mr. C.C.S Bordenga-Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.

Buiten staat

Mrs. Haarhuis en Bordenga-Koppes zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Twente, districtsrecherche met dossiernummer ON2R015136. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [bedrijf 5] van 27 mei 2010, pagina’s 275 tot en met 277, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Eind januari of begin februari 2010 stond er een vertegenwoordiger van de firma [bedrijf 1] bij mij aan de voordeur. Ik hoorde dat deze vertegenwoordiger tegen mij zei dat de genoemde firma in de buurt bezig was met het installeren van kunststof kozijnen. Ik hoorde dat de vertegenwoordiger aan mij vroeg of ik er ook interesse in had. Ik zei dat ik hier geen geld voor had en dat het niets wordt. Ik hoorde dat deze vertegenwoordiger tegen mij zei dat ik via de firma ook een gunstige lening kon afsluiten, zodat ik mogelijk toch nog kunststof kozijnen kon aanschaffen. Ik zei dat ik vooralsnog geen interesse had en ik hoorde dat de vertegenwoordiger aan mij vroeg of hij een folder kon achterlaten. Ik overhandig u hierbij een kopie van de folder ten behoeve van het onderzoek (bijlage 1). Ik zei dat het goed was om een folder achter te laten en ik heb deze folder dan ook aangenomen. Ik heb later overleg gehad met mijn echtgenote en wij hebben samen besloten om de firma toch maar eens te bellen voor een verdere afspraak. Begin februari 2010, ik weet niet meer precies welke datum, heb ik telefonisch contact opgenomen, op het telefoonnummer 053- [telefoonnummer 1] , met de hierboven genoemde firma en ik kreeg de heer [verdachte] , aan de telefoon. Ik heb een afspraak gemaakt met hem en de heer [verdachte] zou bij ons thuis komen in gezelschap van de hoofdmonteur, genaamd [naam 1] . Een dag of vier nadat wij telefonisch contact hebben gehad zijn de heer [verdachte] en [naam 1] bij ons thuis geweest. Wij hebben van alles besproken over de ramen, maar ook over de lening die wij via de hierboven genoemde firma konden afsluiten. De heer [verdachte] en ik zijn met elkaar overeengekomen dat ik de kunststof kozijn wilde laten plaatsen onder voorbehoud dat de financiën rond zouden komen. Ik wist op dit moment nog niet wat het mij zou gaan kosten. De heer [verdachte] is weer weggegaan en zou alles voor mij in orde maken zo ook de lening. Ik heb van de heer [verdachte] een visitekaartje gekregen met zijn gegevens erop. Ik overhandig u hierbij een kopie van dit visitekaartje ten behoeve van het onderzoek (bijlage 2). Er is wat telefonisch contact geweest tussen de heer [verdachte] en mij omdat er wat haken en ogen zaten aan de lening. Omdat ik al een lening van dertigduizend euro (30.000,-) had lopen, bij de Nederlandse Voorschot Bank via AFAB, waarvan vanwege mijn leeftijd de maandelijkse aflossing van omhoog zou gaan. Ik betaalde honderdvijfenzeventig euro (175,-) per maand, maar omdat ik 60 jaar was zou de maandelijkse aflossing verhoogd worden naar ongeveer achthonderd euro (800,-) per maand. Ik hoorde dat de heer [verdachte] hier was achter gekomen. De heer [verdachte] zou een en ander verder uitzoeken en wij hebben een afspraak gemaakt dat de heer [verdachte] weer bij mij thuis zou komen. Wij hebben afgesproken dat de heer [verdachte] op 13 februari 2010 bij mij thuis zou komen. Op 13 februari 2010 kwam de heer [verdachte] samen met [naam 1] bij mij thuis en [naam 1] heeft de kozijnen opgemeten. Ik hoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat het voor mij voordeliger zou zijn om een lening af te sluiten via hem waar mijn huidige lening in zou worden opgenomen. Ik zou dan een lening krijgen van een totaalbedrag van zestigduizend euro (60.000,-). Ik hoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat ik dan op een maandelijkse aflossing kwam van vierhonderd twintig euro (420,-) per maand gedurende acht jaar. Tevens hoorde ik van de heer [verdachte] dat een bijkomend voordeel zou kunnen zijn om als alles geregeld was een nieuwe hypotheek af te sluiten waarin ik dan de lening van zestigduizend euro (60.000,-) kon opnemen. Dit zou mij een hele hoop geld schelen. Ik hoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat het hypotheekbedrag dan zou uitkomen op een bedrag van ongeveer honderdveertig euro (140,-) extra per maand op mijn bestaande hypotheek. Ik ben hiermee akkoord gegaan en de heer [verdachte] zou alles in orde maken. Ik heb het contract van de kunststof kozijnen getekend samen met mijn echtgenote en de heer [verdachte] . Het bedrag voor de kunststof kozijnen zou zijn zesentwintigduizend euro (26.000,-). Een kopie van dit contract overhandig ik u hierbij ten behoeve van het onderzoek (bijlage 3). Tevens heb ik het contract voor de lening ondertekend samen met mijn echtgenote. Een kopie van dit contract overhandig ik u hierbij ten behoeve van het onderzoek (bijlage 4). Op papier is er geen duidelijke leverdatum afgesproken maar ik heb gehoord dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat de levertijd

ongeveer vier weken zou zijn. Ik hoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat ik wel eerst het totaalbedrag van zesentwintigduizend euro (26.000,-) moest betalen. Ik hoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat hij telefonisch het rekeningnummer aan mij zou doorgeven. De heer [verdachte] en [naam 1] zijn toen met alle getekende contracten weer weggegaan. Ik was toen in de veronderstelling dat alles goed zou komen. Ook omdat de heer [verdachte] nog een keer langs zou komen om besprekingen te voeren over de modellen van de deuren. Een paar dagen na 13 februari 2010 heeft de heer [verdachte] mij gebeld en ik hoorde dat hij tegen mij zei dat ik het bedrag van zesentwintigduizend euro (26.000,-) moest overmaken op rekeningnummer [rekeningnummer 1] tnv [bedrijf 1] . Ik heb het hierboven genoemde bedrag op 18 februari 2010 overgemaakt op het hierboven genoemde rekeningnummer. Totdat ik het geld had overgemaakt was de heer [verdachte] zeer

beleefd en meewerkend. Hij belde mij regelmatig. Toen het geld eenmaal was overgemaakt stopte alle contact van zijn kant. Ik heb nooit meer gehoord of het geld ook daadwerkelijk was aangekomen. Op 3 maart 2010 ben ik via de mail de heer [verdachte] gaan benaderen

omdat ik maar geen reactie meer kreeg van hem en ik eigenlijk ook wel benieuwd was naar de modellen van de deuren. Van 3 maart 2010 tot en met 19 mei 2010 zijn er verschillende mails over en weer gegaan. Ik heb nooit meer de modellen van de deuren gezien en de heer [verdachte] heeft alleen nog maar gereageerd op mijn mails. Ik heb het idee dat ik hier alleen maar aan het lijntje wordt gehouden en dat de heer [verdachte] helemaal niet de bedoeling heeft de kunststof kozijnen en deuren te leveren. Op 27 april 2010 heb ik ook nog een aangetekende brief gestuurd waarin ik ontbinding van het contract vroeg en tevens wilde ik mijn geld terug. Dit omdat ik er helemaal geen goed gevoel meer over had en ik toch echt het gevoel kreeg dat ik was opgelicht. Ik heb deze brief gestuurd aan [bedrijf 1] op het hierboven genoemde adres in Enschede. Ik heb de brief ongeopend teruggekregen met het bericht van TNT post dat op dit adres het genoemde bedrijf niet aanwezig was en de brief

dan ook niet voor ontvangst getekend kon worden. Ik heb op de website, genaamd WWW. [bedrijf 1] .NET , gekeken en daar zag ik dat ze ook een vestiging hadden geopend in Duitsland. Het adres is: [adres 1] . Ik heb de brief op 4 mei 2010 wederom aangetekend verstuurd naar dit adres. Hier heb ik nooit meer iets van teruggezien of gehoord.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 7 juli 2010, pagina’s 347 tot en met 349, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Eind januari 2010 stond er een vertegenwoordiger van de firma [bedrijf 1] bij mij aan de voordeur. Ik weet niet meer precies op welke datum dit was en ik kan u ook geen naam meer geven van deze vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordiger vroeg aan mij of ik interesse had in kunststof kozijnen en dan kon ik direct een afspraak maken via hem. Ik zei tegen de vertegenwoordiger dat ik dat even moest bekijken en als hij mij de folder gaf, die hij bij zich had, dan zou ik zelf wel bellen. Ik hoorde dat de vertegenwoordiger tegen mij zei dat ik meteen een afspraak kon maken. Ik heb mij laten verleiden om toch een afspraak te maken en ik heb de afspraak gemaakt dat op 8 februari 2010 iemand van [bedrijf 1] bij mij thuis zou komen. Op 8 februari 2010 omstreeks 20.00 uur kwam de heer [verdachte] ,

verkoper van [bedrijf 1] , bij mij thuis. Omdat ik wel interesse had in de kunststof kozijnen omdat mijn houten kozijnen niet meer goed zijn, ben ik met de heer [verdachte] overeen gekomen dat hij alle kozijnen, behalve de schuifpui in de woonkamer, zou vervangen. Het gaat hierbij om: zes ramen aan de voorzijde van mijn woning, twee ramen aan de achterzijde van mijn woning, een voordeur en een dakkapel. Dit alles zou mij achttienduizend euro gaan kosten. Op de overeenkomst staat wel dat dit onder voorbehoud is van de financiering. Zie bijlage 2. De betaling bij opmeten is dertig procent van het totaalbedrag, te weten vierenvijftighonderd euro. Betaling bij oplevering moet zijn zeventig procent van het totaalbedrag, te weten twaalfduizend zeshonderd euro. Ik hoorde van de heer [verdachte] dat hij aan mij vroeg hoe ik dit ging betalen. Ik heb hem gezegd dat ik als ik ergens geld kan lenen dat ik dan zo de achttienduizend euro kan betalen. Op 10 februari 2010 kreeg ik de factuur binnen. Hierop staat wat er betaald moet worden zoals hierboven omschreven. Ik hoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat hij met mij een nieuwe afspraak maakt om de financiering te regelen. Wij hebben een nieuwe afspraak gemaakt voor ongeveer een week later. Ik weet niet meer precies welke datum dit was. Dit was de tweede afspraak die ik met de heer [verdachte] zou hebben. Ik hoorde van de heer [verdachte] dat ik dan moest zorgen dat ik een kopie van mijn paspoort, originele bankafschriften, originele loonstroken, en de originele akte van mijn huwelijkse voorwaarden had klaar liggen. In de tweede afspraak met de heer [verdachte] , bij mij thuis, heb ik de hierbovengenoemde documenten aan de heer [verdachte] gegeven. Ik hoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat hij een financiering voor mij kon regelen. De heer [verdachte] had een andere manspersoon bij zich. Ik weet niet wie dit was. Ik heb het krediet aanvraagformulier ondertekend en de heer [verdachte] heeft alle hierbovengenoemde documenten meegenomen om het in orde te maken. Ik heb gehoorde dat de heer [verdachte] tegen mij zei dat er weer een nieuwe afspraak gemaakt zou worden om de kozijnen op te meten. Hij zou dan weer met iemand anders komen, genaamd [naam 2] . Ik heb met de heer [verdachte] afgesproken dat hij voor de derde afspraak, het meten, ongeveer een week later weer bij mij zou zijn. In de derde afspraak kwam de heer [verdachte] samen met [naam 2] bij mij de kozijnen opmeten. Het opmeten ging in mijn ogen wat amateuristisch. [naam 2] deed het een beetje met ongeveer maten. Ik werk in de bouw en in mijn ogen moet je zaken precies opmeten om te weten wat er besteld/gemaakt moet worden. Na deze derde afspraak is de heer [verdachte] nog een keer of twee geweest. Dit was om nadere details te bespreken zoals kleur kozijnen, type glas en dergelijke. Ik hoorde dat de heer [verdachte] dan verbaasd reageerde met woorden zoals: "oh moet dat ook geregeld worden". Ik nam hier wel zelf het initiatief in, want als ik nergens om vroeg dan kwam de heer [verdachte] zelf niet met deze details. Het enige waar de heer [verdachte] steeds over begon was of ik al mijn zaken al geregeld had, en dan met name of het geld al binnen was. Het contract voor de lening bij de Nederlandse Voorschot Bank, gevestigd aan de Spoorstraat 2A, 7572 CZ Oldenzaal, is ingegaan op 17 februari 2010, overeenkomstnummer [nummer 1] . Het totaalbedrag van de lening is negentienduizend tweehonderd euro. Op 30 maart 2010 is een bedrag van achttienduizend negenenzestig euro en zevenenzeventig cent op mijn ING-rekening, nummer [rekeningnummer 3] gestort. Op 30 maart 2010 is tevens een bedrag van duizend honderddertig euro en drieëntwintig cent overgeschreven op rekeningnummer [rekeningnummer 4] . Dit is een premie overlijdensrisico. Ik weet niet van wie dit rekeningnummer is. Dit contract is tot stand gekomen door een tussenpersoon van de heer [verdachte] , te weten de heer [naam 3] , van de [bedrijf 2] , gevestigd aan de [adres 2] te Enschede.

De heer [naam 3] heeft mij verschillende malen telefonisch benaderd om de financiering tot stand te brengen. Ik heb de heer [verdachte] gezegd dat ik akkoord ga dat hij de financiering voor mij gaat regelen. Ik moest alle gegevens, zoals bankafschriften, loonstrook, akte huwelijkse voorwaarden, meegeven aan de heer [verdachte] . Ik heb originele documenten aan de heer [verdachte] meegegeven. Op 9 april 2010 heb ik de aanbetaling van vierenvijftighonderd euro overgemaakt op ABN AMR0 bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van [bedrijf 1] te Enschede. Na deze aanbetaling heb ik nooit meer contact kunnen krijgen met de heer [verdachte] of [bedrijf 1] . Ik heb een keer contact kunnen krijgen via de telefoon maar toen kreeg ik te horen dat het bedrijf aan het verhuizen is naar Duitsland. Zij konden mij op dit moment niet te woord staan vanwege de verhuizing. Ik heb gevraagd wat dan het adres is in Duitsland, maar dit wilde ze mij niet geven. Alle telefooncontact wat ik probeer te hebben lukt niet, er wordt gewoonweg niet opgenomen. Het adres in Duitsland heb ik kunnen vinden via de website, welke op de folder vermeld staat: WWW. [bedrijf 1] .NL. Het adres is:

[bedrijf 1]

[adres 1]

Duitsland

Ik weet niet meer hoe ik dit bedrijf met bereiken, zelfs de website is niet meer te vinden op internet. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 2 mei 2014, pagina’s 497 tot en met 499, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op 24-10-2013 was mijn vrouw thuis en werd er aan de deur gebeld. Er stonden twee mannen aan de deur, een Nederlandse man genaamd [verdachte] en een Indonesische man genaamd [naam 4] (fonetisch). De mannen gaven mijn vrouw een folder over deur renovatie.

Het bedrijf was genaamd: [bedrijf 3] [adres 3] . Een van de mannen gaf aan dat er overal in het huis goede ramen zaten maar dat de voordeur er niet goed uit zag. Mijn vrouw gaf aan dat wij van plan waren de voordeur te vernieuwen. Mijn vrouw gaf aan dat ik niet thuis was en dat de mannen de volgende dag terug moesten komen.

De volgende dag 25-10-2013 kwamen de mannen weer met zijn tweeën, zij hadden folders en materialen bij zich. Ik vond dat de mannen zich geloofwaardig gedroegen en het leek dat ik met een gerenommeerd bedrijf te maken had. Ik gaf aan dat ik interesse in een kunststof deur had. De twee mannen zaten bij ons aan tafel en er werd een offerte opgemaakt. [naam 4] heeft de offerte ingevuld. [naam 4] ging de deur opmeten en ik vroeg hem wat de deur ging kosten. [verdachte] gaf aan dat de deur op 2500 euro kwam. Ik gaf aan dat ik dat de duur vond en niet met de mannen in zee wilde gaan. [verdachte] gaf aan dat als ik een handbetaling zou doen er zonder BTW betaald kon worden. De deur zou dan komen op aanbetaling 1050 euro en bij aflevering 500 euro totaal 1550 euro. Ik ben daar mee akkoord gegaan en ik heb 1050 euro contant aanbetaald. [verdachte] vertelde dat als zij in de buurt zouden zijn, zij de deur zouden leveren, dat zou ongeveer drie weken later zijn, zij hadden het zo druk in heel Nederland. Na twee weken heb ik gebeld met het bedrijf, ik vroeg hen wanneer er geleverd werd zodat ik dan een dag vrij kon nemen. Ik had het telefoonnummer van [naam 4] [telefoonnummer 2] gebeld.

Het nummer van [verdachte] was: [telefoonnummer 3] . Het telefoonnummer op de offerte is niet bereikbaar. Er werd mij gezegd dat de levering van de deur voor de Kerst zou zijn. Vanaf de Kerst ben ik steeds gaan bellen, ik ben langs het Juridisch loket gegaan, ik heb een aangetekende brief naar het bedrijf gestuurd en hen gesommeerd de deur te leveren of mijn geld terug te storten. De aangetekende brief heb ik retour ontvangen zonder dat deze was geopend. Ik heb ook een email gestuurd maar daar is ook geen reactie op gekomen. Ik ben zelf naar Barendrecht gegaan. Het bedrijf is gevestigd op de [adres 3] . Ik ben naar binnen gegaan en werd door twee vrouwen te woord gestaan. Ik zei hen dat ik op zoek was naar [bedrijf 3] . De vrouwen vertelde dat dit bedrijf daar niet was gevestigd maar dat zij het adres gebruiken voor de post. De vrouwen gaven aan dat er een maal per maand iemand komt om de post op te halen. Ik zag dat er een wand vol postvakken van heel veel bedrijven in het pand aanwezig was. Ik heb mijn verhaal verteld en de vrouwen waren verrast. Zij gaven aan niet met zo'n bedrijf te willen werken en zouden contact opnemen met het bedrijf of aangifte doen bij politie. Ik heb op internet gegoogeld en zag dat er meerdere klachten waren over het bedrijf aan de [adres 3] . Inmiddels zijn alle telefoonnummers niet meer bereikbaar. Ik ben opgelicht en ik wil mij geld terug.

[verdachte]

lengte ongeveer 1.75 meter bol gezicht

blond haar

korte krulletjes

dik postuur

dikke buik

sloom type, liep langzaam

grote prater

accent mogelijk Limburgs

verzorgd gekleed, spijkerbroek

[naam 4]

Indonesisch uiterlijk

lengte 1.80 meter

smal postuur

stijl donker haar met een lok

netjes gekleed

leren tas

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

4.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] van 5 april 2014, pagina’s 510 tot en met 512, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op 01 februari 2014 heb ik een E-mail gestuurd naar "Dakkapelmaken.n1" met het verzoek om een offerte uit te brengen voor het maken van een dakkapel op mijn woning. De verkoper van het bedrijf " [bedrijf 3] ", genaamd [naam 5] en telefoonnummer 06- [telefoonnummer 2] , heeft met mij contact opgenomen om een afspraak te maken om bij mijn woning te komen kijken. Op 10 februari 2014 is de verkoper samen met de eigenaar van het bedrijf, genaamd [verdachte] en geboren op [geboortedatum] -1982 te [geboorteplaats] , bij mij thuis geweest. Ik was samen met mijn vrouw en 2 kinderen aanwezig in mijn woning. Ik heb samen met de verkoper en de eigenaar van het bedrijf een overeenkomst opgemaakt voor het plaatsen van een dakkapel. Deze overeenkomst voeg ik toe als bijlage aan de aangifte. De afspraak werd gemaakt dat ik de helft van het bedrag van het plaatsen van de dakkapel van te voren zou over maken naar " [bedrijf 3] " met bankrekeningnummer IBAN NL [rekeningnummer 5] . We hebben afgesproken dat we elkaar na 4 weken spreken om een afspraak te maken voor het daadwerkelijk plaatsen van de dakkapel. Op 12 februari 2014 is namens dit bedrijf [bedrijf 7] mijn woning komen meten voor het plaatsen van de dakkapel. Het telefoonnummer van [naam 6] is 06- [telefoonnummer 4] . Ik heb op 26 februari 2014 het geldbedrag ter waarde van 2.500,= Euro over gemaakt naar dit genoemde bankrekeningnummer vanaf mijn bankrekening van de ING bank met bankrekeningnummer

[rekeningnummer 6] . Toen de 4 weken voorbij waren, heb ik op vrijdag 21 maart 2014 gebeld met [naam 5] , maar ik kreeg geen contact en heb zijn voicemail ingesproken met het verzoek om met mij contact op te nemen. Hierna heb ik op die vrijdag ook gebeld met [bedrijf 7] en verteld dat ik geprobeerd heb te bellen met [naam 5] , maar dat ik geen contact heb gekregen met hem. [naam 6] vertelde dat maandag 24 maart 2014 [naam 5] weer bereikbaar is, omdat hij met vakantie was. Ik heb hierna op maandag 24 maart 2014 weer gebeld met [naam 5] , maar hoorde toen dat de telefoon was afgesloten. Ik heb hierna op die maandag gebeld met [naam 6] , maar hoorde dat ook deze telefoon van [naam 6] was afgesloten. Ik had het bedrijf [bedrijf 3] ook gebeld, maar kreeg een bandje te horen en werd doorverbonden en kreeg toen te horen dat deze service niet beschikbaar was. Ik kreeg dus niemand te spreken. Ik heb hierna contact opgenomen met de Kamer van Koophandel om de gegevens van het bedrijf [bedrijf 3] aan te vragen. Het uittreksel van de Kamer van Koophandel voeg ik bij als bijlage aan de aangifte. Op dinsdag 25 maart 2014 was mijn collega, [naam 7] , in de buurt van het huisadres van [verdachte] . Dit huisadres is volgens de Kamer van Koophandel: [adres 4] Enschede. Mijn collega is naar dit adres op die dag gegaan en trof niemand thuis op dat adres. Hij heeft hierna aangebeld bij de buren van dit adres. De buren vertelden dat de Dhr [verdachte] daar had gewoond en al eerder bij een oplichtingszaak betrokken is geweest en dat deze zaak op de televisie is behandeld. Hierna heb ik op 25 maart 2014 een E-mail gestuurd naar info@ [bedrijf 3] .nl. Hierin heb ik vermeld dat ik geen contact met hun krijg en heb hen verzocht om met mij contact op te nemen. Later op die dag heb ik nogmaals een E-mail verstuurd naar 2 adressen, namelijk

naar info@ [bedrijf 3] .nl en ook naar zijn eigen E-mail adres van de eigenaar, namelijk [verdachte] @gmail.com. Hierin heb ik verwezen naar de inhoud van de brief, welke ik als bijlage aan mijn Email naar hem heb toegevoegd. Deze voeg ik in de bijlage van de aangifte toe. Hierin heb ik verteld dat ik geprobeerd heb contact met zijn bedrijf te krijgen en

dat ik de aanbetaling heb gedaan, maar doordat er geen contact mogelijk is heb ik hem in gebreke gesteld. Ik heb hem gevorderd om binnen 4 dagen met mij contact op te nemen voor verdere afhandeling van de opdracht of voor het terugbetalen van de aanbetaling. Ik heb vermeld dat als híj dit niet nakomt, dat ik dan contact op ga nemen met de politie en dat ik conservator beslag zal leggen. Op 26 maart 2014 heb ik 2 E-mails ontvangen van dhr [verdachte] . Hierin schrijft hij dat dit de eerste mail is die hij van mij had gekregen. Tevens schrijft hij dat hij geprobeerd heeft om mij te bellen, maar dat hij helaas mij niet te pakken krijgt. Ik stuurde hem weer een E-mail hierna en schreef dat ik wel bereikbaar was. Kort hierna belde hij mij op die dag. Dhr. [verdachte] zei dat de dakkapel er wel zou komen, maar dat de levertijd langer zou gaan duren en dat hij dit ook had verteld tijdens ons eerste gesprek. Ik wist echter niets van wat hij mij verteld zou hebben. Ik zei tegen dhr [verdachte] dat ik er geen vertrouwen in had dat het goed kwam. Dhr [verdachte] stelde mij hierna voor dat hij het geld zou terug betalen. 10 Minuten later belde hij echter weer terug en zei dat hij het geld niet over zou gaan maken, omdat hij al spullen had gekocht voor het maken van de dakkapel. Om dit te verifiëren heb ik aan hem gevraagd waar hij deze kozijnen had besteld, maar daarop wilde hij niet antwoorden. Ik heb hem ook om zijn privé adres gevraagd, maar

dat wilde hij ook niet geven. Ik heb hem ook geconfronteerd met het verhaal van zijn voormalige buren. Dhr [verdachte] zei dat het klopt dat hij i.v.m. oplichting op de televisie is geweest. Hierna maakte ik met hem de afspraak dat hij gisteren, 04 april 2014, bij mij thuis zou komen om verdere afspraken te maken. Ik stelde hem in de gelegenheid om het project op te pakken. Ik heb hem gisteren, 04 april 2014, een herinnering gestuurd om 16:00 uur per E-mail met de vraag hoe laat hij bij ons langs zal komen. Hierop heb ik geen reactie meer ontvangen. Ik doe daarom aangifte van oplichting. Als ik eerder geweten had dat hij zijn afspraken niet na zou komen, dan had ik dit geldbedrag niet over gemaakt. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

5.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] van 18 april 2014, pagina’s 546 en 547, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik doe aangifte van oplichting. Deze oplichting heeft plaatsgehad op 20 februari 2014 in mijn woning aan de [adres 5] . Ik was al een tijdje via internet op zoek naar een dakkapel. Ik kwam toen op de site van de Dakkapellen specialist. Ik kon hier van verschillende bedrijven een offerte aanvragen. Ik kon niet zien welke bedrijven dit waren. Ik kreeg al gauw meerdere offertes binnen. Ik had eigenlijk al een keus gemaakt toen ik van [bedrijf 3] uit Enschede een telefoontje kreeg. De man die ik aan de lijn had stelde

zich voor als [verdachte] uit Enschede. Hij vertelde dat hij belde naar aanleiding van de offerte aanvraag voor de dakkapel. Ik vertelde de man dat ik eigenlijk al bijna akkoord was met- een ander bedrijf. Ik hoorde dat de man zei dat hij net pas de aanvraag voor de offerte binnen had gekregen en of hij alsnog een offerte mocht uit brengen. De offerte was beduidend lager dan de rest van de offertes die ik had ontvangen. Het gesprek dat ik met hem had was prettig en ik heb afgesproken dat hij de opdracht zou krijgen. De volgende dag zouden [verdachte] en een medewerker langskomen om de offerte te ondertekenen en de aanbetaling van 3600 euro te voldoen. Ik had de website van [bedrijf 3] op internet gezien en zag dat de site er goed uit zag en dat ze samen zouden werken met de tv zenders SBS6 en RTL 4. De volgende dag kwamen [verdachte] en [naam 5] [medeverdachte 1] een medewerker bij mijn thuis. Ik was er zelf niet maar mijn vrouw wel. Mijn vrouw heeft de offerte ondertekend en een aanbetaling van 3600 euro gedaan. Dit geld is contant meegegeven en als bewijs heb ik hier de ondertekende offerte. Alles zag er zeer professioneel uit. [verdachte] zou verder alles regelen, ook de aanvraag bij de gemeente. Vanaf het thuisbezoek heb ik nadien alleen nog maar contact gehad met [naam 5] gehad via de telefoon [telefoonnummer 5] na een tijdje bleek dit nummer niet meer in gebruik te zijn. Ik heb toen het vaste nummer 078- [telefoonnummer 6] gebeld, hier kreeg alleen maar een computerstem te horen. Ik kreeg wel de optie een bericht in te spreken. Dit heb ik meerdere malen gedaan. Naar aanleiding van het ingesproken bericht werd ik teruggebeld door [naam 5] . Van [naam 5] kreeg ik de vraag nogmaals 500 euro te betalen in verband met architect kosten. Deze heb ik ook contact aan hem betaald, hiervoor heb ik ook een bon ontvangen. Daarna werd het even stil. Ik heb toen zelf weer contact moeten zoeken. Ik kreeg uiteindelijk wederom [naam 5] aan de telefoon. Ik hoorde dat hij mij vertelde dat het even kon duren omdat het krediet wat zij bij de leverancier zouden hebben op was. Ik kon het proces versnellen om het hele restant

bedrag te betalen. Toen kreeg ik argwaan. Ik ben toen het een en ander uit gaan zoeken. Ik heb toen een uittreksel bij de kamer van koophandel opgevraagd. Ik zag dat op dit uittreksel stond dat [verdachte] 3 bedrijven op zijn naam had staan namelijk, " [bedrijf 3] " " [bedrijf 8] " en de " [bedrijf 9] ". 3 bedrijven 3 verschillende plaatsen bereikbaar onder louche nummers 2 telefoonnummer in Barendrecht 078- [telefoonnummer 7] en 078- [telefoonnummer 6] en 020- [telefoonnummer 8] . Via internet heb ik zelf het telefoonnummer 053- [telefoonnummer 9] gevonden dit zou ook het telefoonnummer van [bedrijf 3] zijn. Op internet vond ik zelf het volgende adres van [verdachte] [bedrijf 3] Enschede, [adres 6] . Volgens de gegevens van de kamer van koophandel zou [verdachte] aan de

[adres 4] Enschede wonen en bereikbaar zijn op telefoonnummer [telefoonnummer 3] en geboren zijn op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] . Toen ik dit telefoonnummer belde kreeg ik een [naam 8] aan de telefoon, ik vroeg toen of dit het telefoonnummer van [bedrijf 3] was en ik hoorde dat de man hier bevestigend op antwoorde. Ik heb toen gevraagd hoe het met de aanvraag van mij dakkapel stond de man wist te vertellen dat de aanvraag op 28 februari was opgestuurd naar [naam 9] van de gemeente Zwolle. Ik heb tot heden niets meer van [verdachte] of [naam 5] vernomen, zij zijn onbereikbaar. Ik heb navraag bij de gemeente Zwolle gedaan of zij een aanvraag voor een dakkapel ontvangen hadden. Tot heden is er bij de gemeente geen aanvraag binnen gekomen. In de tijd dat ik nog wel contact met [naam 5] en [verdachte] had, heeft [naam 5] mij per ongeluk een keer gebeld Ik hoorde dat hij toen zei met [naam 10/alias verdachte] mag ik [naam 11] even. Dit gebeurde vlak nadat ik [naam 5] aan de lijn had gehad. Ik heb [verdachte] inmiddels een aangetekende brief gestuurd waarin ik hem in de gelegenheid stel het terug te betalen eventueel via een betalingsregeling. Deze brief is wel in ontvangst genomen, ik heb hem in ieder geval niet terug gekregen. Ik heb tot op heden geen antwoord op mijn brief gekregen. Ik heb in totaal 4100 euro aan [verdachte] betaald en zou mijn geld graag terug hebben. Ik ben gewoon opgelicht ik denk dat er meer mensen de dupe zijn geworden van de praktijken van [verdachte] . Ik zou graag zien dat er een onderzoek wordt ingesteld. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

6.

Het proces-verbaal aanvraag vordering verstrekking historische gegevens van verbalisant [verbalisant] van 17 november 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

Verdachte [verdachte] heeft meerdere ondernemingen gehad. In de onderzochte zaken is sprake van handelsnamen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Deze 2 ondernemingen werden door hem gebruikt bij mogelijke oplichting en flessentrekkerij, zoals omschreven in het proces-verbaal van verdenking. Niet duidelijk is welke onderneming bij welke mogelijke oplichting is gebruikt.

[bedrijf 1] is een handelsnaam onder statutaire naam [bedrijf 10] B.V. en onder statutaire naam [bedrijf 11] C.V., twee verschillende ondernemingen. Door aangevers werd geld overgemaakt naar ABN AMRO [rekeningnummer 1] t.n.v. [bedrijf 1] , maar welke [bedrijf 1] is onbekend.

[bedrijf 3] is een eenmansbedrijf van verdachte [verdachte] . Aangevers maakten geld over naar [rekeningnummer 7] t.n.v. [bedrijf 3] .

Op facturen en overeenkomsten van [bedrijf 1] werd geen BTW-nummer vermeld. De BTW werd echter wel doorberekend aan de aangevers. Op overeenkomsten van [bedrijf 3] werd een ongeldig BTW-nummer vermeld. Op een factuur een verkeerd BTW-nummer. [bedrijf 3] is een eenmansbedrijf. Een eenmansbedrijf krijgt bij aanmelding in het register van de Kamer van Koophandel meteen een BTW-nummer in de format NL-sofinummer-B01 t/m B99. In het geval van [bedrijf 3] : [nummer 2] t/m NL [nummer 3] .

Bij controle (op 27 oktober 2015) van het BTW-nummer in het VIES van de Europese Commissie, bleek dat dit niet geldig was.

Op een factuur d.d. 16 februari 2014 staat een foutief BTW- nummer: [nummer 4] . Er

ontbreekt dus een 3. [verdachte] mailde eerst dat hij in afwachting was van een BTW-nummer en later stuurde hij een factuur zonder BTW, omdat “hij geen BTW-nummer had”. Het niet- of slechts (zeer) tijdelijk voeren van BTW-nummers ontneemt het zicht op de activiteiten van deze ondernemingen. Door het gebruik van ongeldige of verkeerde BTW-nummers bestaat de mogelijkheid dat de bedrijven buiten het zicht van de Belastingdienst blijven, wat er op zou kunnen duiden dat er bij de vermeende oplichtingen en flessentrekkerij sprake is van opzet. Voor het onderzoek is het van belang te weten of en zo ja, welke BTW-nummers bekend zijn bij de Belastingdienst m.b.t, bedrijven waaraan verdachte [verdachte] gelieerd is en hoe lang deze BTW-nummers gebruikt zijn.

Uit de stukken bij aangifte PL3246-2010038002 blijkt dat verdachte [verdachte] de

aansprakelijkheid voor het handelen van [bedrijf 1] bij anderen legt, namelijk bij de bestuurders van een Britse Limited. [bedrijf 1] valt echter ook onder [bedrijf 11] C.V,, dat weer door een stichting werd beheerd, waarvan [verdachte] slechts 1 dag bestuurder was en de voorzitter/bestuurder/secretaris een mij ambtshalve bekende Enschedese draaideurcrimineel.

7.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris van 27 september 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

U vraagt mij of ik gewerkt heb voor de heer [verdachte] . Dat klopt. U vraagt mij voor bedrijven met welke handelsnamen ik gewerkt heb. Het laatste bedrijf waar ik voor gewerkt heb had renovatie in de naam. Ik durf zo de naam niet te zeggen, het is zo’n 4 à 5 jaar geleden. Daarvoor had hij een ander bedrijf, waar ik ook voor gewerkt heb. Ik maakte afspraken, ging van deur tot deur en hield verkoopgesprekken. Ik herinner mij nu dat het bedrijf [bedrijf 3] heette. U vraagt mij of ik wel eens folders van [bedrijf 3] aan mensen heb gegeven. Ja. In die folders stonden bepaalde keurmerken voor de kozijnen. Ja. U vraagt mij hoe vaak ik in de buurt van het plaatsen van een dakkapel of kozijnen deur aan deur ben gegaan. Als u mij vraagt of het eerder twee keer is geweest of tientallen keren, dan zeg ik eerder tientallen keren.

8.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 2 maart 2016, pagina’s 230 en 231, in onderling verband en samenhang bezien met het proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 maart 2016, pagina 208, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

U toont mij de overeenkomst in de zaak [slachtoffer 7] en [bedrijf 3] . Ik herken de overeenkomst. Dit was mijn bedrijf dat ik toen had. [naam 5] heeft voor mij gewerkt bij [bedrijf 3] . Hij was mijn rechterhand. Ik ben destijds bij het adviesgesprek geweest dat [naam 5] en ik hadden met die man. Er werd mij voorgelezen dat € 3.600,-- en 500,-- is aanbetaald en contant meegegeven aan [naam 5] . Ik weet niet waar dat geld is gebleven. [bedrijf 3] was mijn bedrijf, een eenmanszaak. Ik deed de boekhouding. Ik was op papier ook de verantwoordelijke voor de gang van zaken.

De folder die u mij laat zien die ken ik. Dit is mijn folder.

9.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 19 november 2015, pagina 161, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

Navraag bij het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, leerde dat [bedrijf 1] en [bedrijf 3] geen erkende bedrijven zijn die het PolitieKeurmerkVeiligWonen mogen voeren. Navraag bij KIWA leerde dat [bedrijf 1] en [bedrijf 3] nooit een KOMO certificaat hebben gehad. Navraag bij SKG-IKOB leerde dat [bedrijf 3] niet gecertificeerd was voor het SKG of SKG-IKOB keurmerk. De genoemde keurmerken hadden dan ook niet gevoerd mogen worden.

Ten aanzien van feit 3

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [bedrijf 4] van 7 april 2014 in onderling verband en samenhang bezien met het verhoor van aangever van 3 februari 2016, pagina’s 598, 599 en 612, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik ben eigenaar van het bedrijf [bedrijf 4] uit Erichem. Wij leveren europallets aan klanten. Een van mijn klanten is genaamd [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982. [bedrijf 3] is het bedrijf waartegen de aangifte zich richt. [verdachte] was de directeur van dat bedrijf. Dhr [verdachte] had ons benaderd met het verhaal dat hij van ons gehoord had en dat wij grote hoeveelheden pallets konden leveren. Door de telefoon zijn er afspraken gemaakt over leveringen en dergelijke. Ik heb [verdachte] nagetrokken bij de kamer van koophandel. Daar stond hij gewoon ingeschreven. Ook had hij een eigen website die er zeer professioneel uitzag. Op de site waren diverse referenties te lezen van televisie programma’s. [verdachte] heeft een eenmansbedrijf en voor zover ik het kon beoordelen leek het allemaal goed. Telefonisch is de afspraak gemaakt om op 5 februari 2014 de eerste levering te doen. Het ging hier om ongeveer 500 pallets, wat gelijk staat aan een bedrag van ongeveer 3000 euro. [verdachte] wilde dat wij twee leveringen per week zouden doen maar dat heb ik afgehouden omdat ik ook moet kunnen leveren aan mijn vaste afnemers. Uiteindelijk lukte het mij om over een periode van 6 weken een aantal keren twee keer per week te leveren. Dertig dagen na de eerste factuurdatum ben ik gaan bellen waar de betaling bleef. Ik kreeg de ene smoes na de andere smoes. Een aantal smoezen waren dat de klant nog niet betaald had of dat het internetbankieren niet werkte. Op een gegeven moment ben ik verder gaan zoeken op de gegevens die ik had van [verdachte] . Ik had een adres waar hij zou verblijven. Dat was een adres in Barendrecht op de [adres 3] . Ik ben daar naar toe gegaan en kwam tot de ontdekking dat dit adres niet bestond. Het was een oude boerderij en zeker geen kantoor. Ik vond dit vreemd omdat mijn post nooit terug kwam. Ik ben naar huis gegaan en heb contact gelegd met een incassobedrijf. Deze werken landelijk. Ik heb daar het verhaal uitgelegd en ik kreeg te horen dat, zolang er geen adres bekend is of dat men weet waar [verdachte] verblijft zij niets konden doen. Toen ik de naam [verdachte] doorgaf vertelde ze mij direct dat deze man bekend was met oplichtingpraktijken. [verdachte] zou ook landelijke bekendheid hebben gehad in het programma Opgelicht of Kassa. Hierop heb ik mail contact gehad met [verdachte] . Hij vertelde mij weer dat het adres wel bestond en dat alles goed zou komen. Bij het incassobureau vertelde men mij dat ik direct aangifte moest gaan doen tegen [verdachte] . De laatste levering is gedaan op 20 maart 2014. Daarna heb ik [verdachte] op de hoogte gebracht dat er niet meer geleverd zou worden aan hem. Ik heb in die periode ook meerdere keren gebeld en gemaild en telkens kreeg ik diverse smoezen. In het totaal heb ik 5389 pallets aan [verdachte] geleverd die niet zijn betaald. Dit alles staat voor een bedrag van 29.000 euro exclusief de btw van 21 procent. In het totaal dus rond de 36.000 euro. Ook heb ik een kopie van het paspoort van [verdachte] . Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [bedrijf 5] van 23 september 2016, pagina 619, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Aangever Troost stelde door [verdachte] van het bedrijf [bedrijf 3] te zijn opgelicht. Hij had [verdachte] 1105 houten pallets verkocht, maar deze nooit betaald gekregen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] door de rechter-commissaris van 27 september 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Ik ken [verdachte] . Ik heb in een ver verleden iets te maken gehad met hem, omdat

hij een bedrijf genaamd [bedrijf 12] had overgenomen. Maar daar gaat het hier vandaag niet

over. Vandaag gaat het over dat ik aan hem pallets heb verkocht onder de naam [naam 10/alias verdachte]

. Het bedrijf is [bedrijf 3] . Voor dit gebeuren in het verleden is [verdachte] langs geweest bij ons op de zaak. U vraagt mij hoe ik weet dat [verdachte] dezelfde persoon is als [naam 10/alias verdachte] . Ik heb hem telefonisch gesproken. En ik heb van [bedrijf 14] een kopie van de legitimatie van [verdachte] ontvangen. Hij had zich daar gelegitimeerd. Toen ik hem aan de telefoon had, herkende ik hem aan de stem. Laat mij er tien bellen en ik weet wel welke persoon [verdachte] is. U vraagt mij hoe ik dan de link heb gelegd tussen [naam 10/alias verdachte] en [verdachte] . [bedrijf 3] heeft bij mij twee vrachten pallets, twee volle vrachtauto’s, besteld. Als contactpersoon is [naam 10/alias verdachte] opgegeven. Toen ik de factuur opmaakte, gingen er bij mij bellen rinkelen, omdat er gegevens niet klopten. Ik heb toen contact opgenomen met het transportbedrijf die toen de pallets hebben afgeleverd en hen gevraagd aan wie de pallets geleverd waren. Zo kwam ik uit bij [verdachte] . Dat zie je ook in de mails terug. Op het moment dat hij ontdekt is, zegt hij niet meer groetjes [naam 10/alias verdachte] , maar groetjes [verdachte] . Bij het opmaken van de factuur bleek het BTW nummer niet te kloppen. Ik heb bij de bestelling alleen de kamer van koophandel gecontroleerd, het nummer daar. Dat klopte wel. Het BTW nummer had ik niet gecontroleerd. Ik heb de pallets zelf op transport gezet. [bedrijf 13] verzorgde het transport. Ik heb hen gebeld en hen gevraagd waar ze hadden geleverd en dat we mogelijk te maken hadden met een oplichter. [bedrijf 13] heeft mij verteld dat ze hadden geleverd bij [bedrijf 14] in Drachten. De palletwereld is klein, we kennen elkaar allemaal. Ik heb [bedrijf 14] in Drachten gebeld en gezegd dat hij twee leveringen had ontvangen die bij mij vandaan kwamen en dat we mogelijk te maken hadden met een oplichter. [naam 12] van [bedrijf 14] heeft gezegd dat hij zou kijken naar de factuur. Die zou maandag binnen komen. Hij heeft contact opgenomen met mij en mij gezegd dat er niet veel van klopte qua nummers. Hun contactpersoon was [verdachte] . Wat ook niet klopte was dat er bij mij afgenomen was voor € 5,70 en aan [bedrijf 14] was geleverd voor € 4,70. Hij zou dus ruim duizend euro verlies hebben getoucheerd als hij had betaald.

4.

Het proces-verbaal van aangifte van [bedrijf 6] van 11 april 2014 in onderling verband en samenhang bezien met het verhoor van aangever van 3 februari 2016, pagina 647, 648 en 660, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Hierbij doe ik aangifte van oplichting. Doordat de man gebruik maakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, werd ik bewogen tot leveren van de pallets.

Ik ben werkzaam als salesmanager bij [bedrijf 6] BV, [adres 7] . Op woensdag 19 of donderdag 20 februari 2014 ergens in de middag werd ik gebeld door de heer [verdachte] . Ik zal hem in mijn verdere verklaring [verdachte] noemen. [verdachte] vertelde directeur te zijn van [bedrijf 3] , gevestigd aan de [adres 3] te Barendrecht. Dit heeft hij later ook per email bevestigd. [verdachte] vertelde pallets te willen bestellen voor een klant. [verdachte] bestelde een volle vracht euro pallets voor een bedrag van 4072,86 euro inclusief btw. Na controle van inschrijving bij de kamer van koophandel wilde ik tot levering overgaan. [verdachte] vertelde dat op vrijdag 21 februari 2014 de pallets werden opgehaald door een transportbedrijf. De naam van het transportbedrijf weet ik niet. De pallets zijn inderdaad op vrijdag 21 februari 2014 opgehaald. Op vrijdag 21 februari 2014 ben ik weer gebeld door [verdachte] . [verdachte] vertelde dat hij nog een volle vracht euro pallets wilde bestellen. [verdachte] vertelde dat deze vracht op maandag 24 februari 2014 werd opgehaald door een transportbedrijf. Ik weet niet of dit hetzelfde transportbedrijf is geweest. De rekening bedroeg ook weer 4072,86 euro inclusief btw en deze rekening moest ook weer gestuurd worden naar [adres 3] te Barendrecht. Ik heb alleen telefonisch contact gehad met iemand die zich voorstelde als zijnde [verdachte] . De man die ik sprak deed zich voor als directeur van [bedrijf 3] uit Barendrecht. Het adres dat hij daarbij opgaf was [adres 3] in Barendrecht. Ik heb uitsluitend met [verdachte] contact gehad. Hij ondertekende zijn mails met [naam 10/alias verdachte] [verdachte] . Na voor iedere vracht een rekening en drie herinneringen te hebben gestuurd naar [bedrijf 3] had ik besloten het incassobureau BVCM in te schakelen. Op maandag 7 of dinsdag 8 april 2014 kreeg ik bericht van BVCM dat het niet gelukt was om [verdachte] en [bedrijf 3] te traceren en het geld te innen. De medewerker van BVCM vertelde dat het adres [adres 3] te Barendrecht wel bestaat maar dat [bedrijf 3] daar niet gevestigd is. De medewerker van BVCM vertelde dat [verdachte] onvindbaar is. Op dinsdag 1 april 2014 ben ik gebeld door [naam 11] . [naam 11] is medewerker bij een collega palletbedrijf genaamd [bedrijf 4] te Erichem. [naam 11] vertelde dat er bij [bedrijf 4] , 8 vrachten pallets waren besteld en afgeleverd, maar dat die nooit waren betaald. [bedrijf 4] heeft daar aangifte van gedaan. Deze vrachten waren ook besteld door [verdachte] , van [bedrijf 3] . [naam 11] is zelf onderzoek gaan doen bij het transportbedrijf welke de pallets had opgehaald en had afgeleverd. Het transportbedrijf vertelde dat ze ook pallets van [bedrijf 6] hadden afgeleverd. Ze hadden de pallets afgeleverd bij [bedrijf 15] , [adres 8] . Dit bedrijf koopt pallets in voor normaal geld zoals wij dat ook doen. Ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat [bedrijf 15] niet te goeder trouw heeft gehandeld. [naam 11] vroeg aan mij of de partijen die wij hadden verkocht wel waren betaald. Ik vertelde tegen hem dat dit niet het geval was. Van [naam 11] heb ik een kopie van het paspoort van [verdachte] , een kopie van zijn bankpas en een kopie van de kamer van koophandel toe gemaild gekregen. Deze kopieën zal ik met de getekende aangifte meesturen naar de recherche. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

5.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 2 maart 2016, pagina’s 230 en 231, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

[bedrijf 3] was mijn bedrijf, een eenmanszaak. Ik deed de boekhouding. Ik was op papier ook de verantwoordelijke voor de gang van zaken.