Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1213

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
ak_zwo_18_213
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van units (ten behoeve van een jeugdsoos) voor de duur van tien jaar in Zwartsluis; verweerder heeft in redelijkheid gebruik gemaakt van bevoegdheid af te wijken van het bestemmingsplan door middel van de zogenaamde kruimelafwijking; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/213

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Zwartewaterland.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Zwartewaterland een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van units (ten behoeve van een jeugdsoos) voor de duur van tien jaar op het perceel nabij Cingellanden 1 te Zwartsluis (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. Boers en R. van Eerten. De gemeente Zwartewaterland heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Veld.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Het jeugd- en jongerenwerk in de gemeente Zwartewaterland heeft haar activiteiten voor wat betreft de jeugdsoos de afgelopen jaren georganiseerd vanuit het voormalig Agnietencollege. Deze activiteiten bestaan onder meer uit huiswerkbegeleiding en sport en spel voor kinderen vanaf groep 8. Vanwege geplande woningbouw ter plaatse is een vervangende locatie gezocht.

Momenteel wordt gebruik gemaakt van een deel van het havenkantoor aan de Handelskade in Zwartsluis, een locatie midden in Zwartsluis. Deze locatie is te klein voor het kunnen ontplooien van alle activiteiten en voor de opslag van zaken die in de jeugdsoos worden gebruikt. Ook is er te weinig stallingsruimte en ontbreekt een ruimte voor buitenactiviteiten. Ter voorkoming dat jongeren af gaan haken of buiten rond het gebouw gaan hangen, is wederom op zoek gegaan naar een andere locatie.

Na onderzoek van meerdere locaties op geschiktheid, beschikbaarheid en financiële haalbaarheid, is uiteindelijk gekozen voor het plaatsen van units op het sportpark Cingellanden te Zwartsluis. De units zullen worden geplaatst in de groenstrook tussen het skatepark en de rand van de parkeerplaats van het sportpark. De meerwaarde van deze locatie betreft volgens verweerder de afstand tot bestaande (woon)bebouwing, het samen kunnen optrekken met voetbalvereniging DESZ (bij het organiseren van activiteiten) en het geven van een impuls voor het gebruiken van de skatebaan.

Om de daadwerkelijke plaatsing van de units mogelijk te maken, moeten enkele struiken en bomen worden verwijderd of gesnoeid.

Juridisch kader

2. Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts wordt geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en (indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan) in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).

Artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

3. De bestemming van het perceel is “Groen” volgens het bestemmingsplan “Woonwijken Zwartewaterland” (hierna: het bestemmingsplan). Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (artikel 9.1, onder a, van de planregels). Artikel 9.2 van de planregels bepaalt dat op deze gronden uitsluitend ten behoeve van de bestemming mag worden gebouwd.

Besluitvorming

4. Bij aanvraag, binnengekomen 29 mei 2017, heeft de gemeente Zwartewaterland verweerder verzocht hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van units op het perceel ten behoeve van een jeugdsoos. Deze aanvraag ziet, voor zover hier van belang, op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.

In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het plaatsen van de units op het perceel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Gelet op het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, heeft verweerder de aanvraag daarom mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning (voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’) verleend en daarbij toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onder 11 van bijlage II van het Bor. De omgevingsvergunning is verleend voor een periode van tien jaar.

In het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd.

Afbakening van het geding

5. Het bestreden besluit betreft het in bezwaar handhaven van een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’. De beroepsgronden zijn enkel gericht tegen de omgevingsvergunning voor de laatst genoemde activiteit. Dit is ter zitting door de gemachtigde van eiser desgevraagd bevestigd. Ter zitting heeft eiser evenwel aangevoerd dat de units niet passen in de omgeving en heeft hij opmerkingen gemaakt over de fundering. Verder heeft eiser aangevoerd dat er is afgeweken van de verleende omgevingsvergunning.

De rechtbank overweegt hierover dat het al dan niet passend zijn van de units in de omgeving en de eigenschappen van de fundering aspecten zijn die worden beoordeeld bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Eiser heeft zijn beroep beperkt tot de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning voor zover deze ziet op de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’. Het is niet mogelijk om eerst ter zitting de omvang van het beroep uit te breiden. De rechtbank passeert dan ook deze beroepsgronden.

Of er al dan niet in overeenstemming is gehandeld met de verleende omgevingsvergunning, betreft een handhavingsaspect. Dat kan in deze procedure, waarin enkel de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning in rechte voorligt, niet aan de orde komen. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom eveneens passeren.

6. Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat er sprake is van een vergunningplichtige inrichting als bedoeld in onderdeel C, categorie 19, van bijlage I van het Bor. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser desgevraagd meegedeeld dat hij met deze beroepsgrond betoogt dat de activiteit, wat betreft het aspect geluid, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal deze beroepsgrond als zodanig bespreken.

Beroepsgronden en beoordeling hiervan door de rechtbank

7. Tussen partijen is niet in geschil dat het plaatsen van units ten behoeve van een jeugdsoos op het perceel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De rechtbank onderschrijft dit gedeelde standpunt.

Gelet op deze strijd met het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo vereist. Partijen zijn verdeeld over de vraag of deze omgevingsvergunning kan worden verleend.

Verweerder heeft zich in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat deze omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor.

Eiser bestrijdt deze bevoegdheid. In dat kader stelt eiser dat afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo alleen kan worden toegepast indien er sprake is van een kruimelgeval, oftewel indien de activiteit kan worden geschaard onder één van de elf onderdelen van artikel 4 van bijlage II van het Bor. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser desgevraagd verduidelijkt dat onderdeel 11 van artikel 4 eerst van toepassing kan zijn indien de activiteit tevens kan worden aangemerkt als een categorie in de zin van één of meerdere onderdelen zoals neergelegd in onderdelen 1 tot en met 10. Dit blijkt uit de redactie van onderdeel 11, aldus gemachtigde van eiser ter zitting.

8. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

8.1.

Deze beroepsgrond is gebaseerd op een onjuiste lezing van onderdeel 11 van artikel 4 van bijlage II van het Bor. Onderdeel 11 is een restcategorie die eerst aan de orde kan zijn indien de activiteit niet kan worden geschaard onder de onderdelen 1 tot en met 10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteit niet kan worden geschaard onder onderdelen 1 tot en met 10 van artikel 4 van bijlage II van het Bor. De rechtbank onderschrijft dit gedeelde standpunt. Dit heeft tot gevolg dat onderdeel 11 kan worden toegepast.

De rechtbank oordeelt dat het plaatsen van units op het perceel ten behoeve van een jeugdsoos onder categorie 11 kan worden geschaard.

8.2.

Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de (gebruiks)regels in het bestemmingsplan.

Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

9. Van de hiervoor vermelde bevoegdheid kan ingevolge het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo slechts gebruik worden gemaakt indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het bestuursorgaan bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde, beleidsvrijheid heeft.

Dat betekent in dit geval dat verweerder de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot diens besluit heeft kunnen komen.

10. Eiser stelt dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen concluderen dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, gelet op de aspecten geluid, veiligheid en natuur.

Wat betreft het aspect geluid heeft eiser ter onderbouwing aangevoerd dat verweerder niet had kunnen volstaan met het laten opstellen van een geluidsadvies, maar een akoestisch onderzoek had moeten laten uitvoeren, waarbij de rapportage in overeenstemming met de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) had moeten zijn. Aan deze eisen wordt in deze zaak niet voldaan. Verder blijkt uit het geluidsadvies dat de units niet geschikt zijn voor het houden van een disco voor jongeren, terwijl dit wel gaat gebeuren.

Wat betreft het aspect veiligheid heeft eiser ter onderbouwing aangevoerd dat hiermee te weinig rekening is gehouden, omdat er sprake kan zijn van grote groepen jongeren op wie toezicht wordt gehouden door vrijwilligers.

Wat betreft het aspect natuur heeft eiser ter onderbouwing aangevoerd dat verweerder heeft verzuimd een quick-scan op grond van de Flora en faunawet (de rechtbank leest: Wet natuurbescherming) te laten uitvoeren. Een dergelijke quick-scan is altijd vereist bij het snoeien en kappen van bomen en struiken, ongeacht de natuurwaarde.

11. Ten aanzien van het aspect geluid overweegt de rechtbank het volgende.

11.1.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat er sprake is van een type A inrichting. Het oprichten en/of wijzigen van een dergelijke inrichting is niet meldingplichtig. Ook hoeft er geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit laat onverlet dat, bij de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo, in het kader van het aspect geluid moet worden onderzocht of de activiteit kan resulteren in een verslechtering van het woon- en leefklimaat. In dat kader is een geluidsonderzoek de geëigende weg. Het advies dat vervolgens wordt opgesteld, behoeft niet te voldoen aan de rapportagevereisten zoals neergelegd in de Handleiding. De beroepsgronden hieromtrent slagen dan ook niet.

11.2.

Verweerder heeft het aspect geluid laten onderzoeken door de Regionale Uitvoeringsdienst IJsselland (hierna: RUD). De RUD heeft zijn bevindingen neergelegd in een geluidsadvies gedateerd 16 oktober 2017. In dit advies wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect ruimtelijke ordening de vestiging van een jeugdsoos op het perceel niet leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Indien het geluidsniveau in de units niet hoger is dan 85 dB(A), wordt er voldaan aan de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Een dergelijk geluidniveau komt overeen met dat van een café/bar met jukebox. Voor het houden van discofeesten (geluidniveau tussen de 95 en 115 dB(A)) zijn de units niet geschikt.

Eiser heeft deze conclusies niet bestreden. Eiser volstaat met stellen dat er discofeesten gegeven zullen gaan worden, waardoor er alsdan niet aan de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit zal worden voldaan. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd meegedeeld dat het houden van discofeesten incidenteel (maximaal 1 keer per maand) zal geschieden. De in het geluidadvies genoemde bijbehorende geluidniveaus behoren bij een reguliere discotheek en deze geluidniveaus zullen in de units bij lange na niet worden gehaald. Verweerder zal er op toezien dat het geluidniveau in de units niet hoger zal zijn dan 85 dB(A). Indien dit niveau wordt overschreden, zal hierop door verweerder worden gehandhaafd.

11.3.

Gelet op het door de RUD opgestelde geluidadvies alsmede de toezegging van verweerder dat er zal worden gecontroleerd of wordt voldaan aan het in het advies opgenomen geluidniveau en dat bij overschrijding van dat niveau handhavend zal worden opgetreden, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, wat betreft geluid, de vergunde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

12. Ten aanzien van het aspect veiligheid overweegt de rechtbank het volgende.

In de stukken is genoegzaam onderbouwd dat voor overlast niet behoeft te worden gevreesd. Zo is verwoord dat er gemiddeld sprake is van kleine groepen jongeren (ongeveer 20 stuks) en dat toezicht wordt gehouden door vrijwilligers. Een jongerenwerker is op de achtergrond aanwezig. Bij activiteiten die een groter aantal jongeren zullen trekken, zoals een spooktocht, zullen meer vrijwilligers worden ingezet en zal de jongerenwerker fysiek aanwezig zijn.

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, wat betreft veiligheid, de vergunde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

13. Ten aanzien van het aspect natuur overweegt de rechtbank het volgende.

13.1.

Het relativiteitsvereiste kan niet aan eiser worden tegengeworpen, nu de afstand tussen eisers woning en de locatie waar de gestelde verstoring van beschermde soorten zal plaatsvinden (door bomen en struiken te kappen en te snoeien), ongeveer 100 meter bedraagt. Een mogelijke verstoring van deze diersoorten op een afstand van ongeveer 100 meter heeft een ruimtelijke uitstraling op de woon- en leefomgeving van eiser.

De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook inhoudelijk beoordelen.

13.2.

Uit de stukken, nader toegelicht ter zitting, blijkt het volgende.

Bij de ontvangst van de aanvraag is een inspectie ter plaatse uitgevoerd. Geconstateerd is dat in de te kappen/snoeien bomen en struiken geen nesten zijn. Verweerder heeft daarop geoordeeld dat een nader ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten niet nodig is. In het bezwaarschrift heeft eiser gesteld dat de Ransuil en de Takkeling zijn waargenomen in de omgeving. Er is vervolgens door verweerder op internet informatie gezocht over de Ransuil en de Takkeling. Uit de gevonden informatie blijkt dat de Ransuil en de Takkeling gebruik maken van vaste nesten. Nu er geen nesten zijn aangetroffen, zullen het kappen en snoeien niet resulteren in het verstoren van de broedplaatsen van de Ransuil en de Takkeling, aldus verweerder. Een vrijstelling of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is daarom volgens verweerder niet aan de orde.

13.3.

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, wat betreft natuur, de vergunde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

14. Ten aanzien van de bij de vergunningverlening vereiste belangenafweging overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft in de stukken uitvoerig gemotiveerd waarom een nieuwe locatie voor de jeugdsoos nodig is en waarom is gekozen voor het plaatsen van units op het perceel. Verweerder heeft hierbij laten meewegen dat de units op relatief grote afstand van woonbebouwing zullen worden opgericht, zodat de overlast voor omwonenden minimaal zal zijn. De gemaakte belangenafweging acht de rechtbank toereikend.

15. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat het plaatsen van units op het perceel ten behoeve van een jeugdsoos in strijd is met het bestemmingsplan, dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van het bestemmingsplan door middel van de zogenaamde kruimelafwijking (als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor) en dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.G.M. van Montfort, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.