Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1169

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
210748/ KG ZA 17-389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen onmiddellijke toewijzing huurwoning.

Lijkt op de situatie in art.3:298 BW. Er is sprake van botsende rechten op nakoming van een huurovereenkomst m.b.t. hetzelfde huurobject.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/391
WR 2018/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 210748/ KG ZA 17-389

datum vonnis: 14 maart 2018

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[A ]

en [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna ook wel [eisers] te noemen,

advocaat: mr. R.N. Sahebdien te Enschede,

tegen

de stichting

WONINGSTICHTING DOMIJN,

gevestigd te Enschede,

gedaagde partij,

hierna ook wel Domijn te noemen,

advocaat: mr. N.C. Beun te Deventer.

Het procesverloop

[eisers] hebben gevorderd als vermeld in de dagvaarding. Domijn is vrijwillig op de dagvaarding verschenen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 21 december 2017.

[eisers] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Sahebdien. Namens Domijn heeft [C] het woord gevoerd, bijgestaan door mr. Beun.

De standpunten zijn toegelicht.

Na aanhouding van de zaak in verband met onderhandelingen is het vonnis bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. Partijen hebben in de processtukken en ter zitting een jarenlange voorgeschiedenis gepresenteerd, die kort gezegd en voor zover relevant, neerkomt op het volgende:

- [eisers] zijn huurders van Domijn en huurden vanaf 21 november 1997 een woning van Domijn aan [het adres 1] . In verband met de veroudering van de wijk waartoe [het adres 1] behoort heeft Domijn in 2009 een nieuwbouwproject in gang gezet. Domijn heeft besloten om de woningen in de wijk te slopen en te vervangen door nieuwbouwwoningen.

- [eisers] hebben zich in eerste instantie tegen de sloop verzet, maar wonen thans elders in [woonplaats] , aan [het adres 2] .

- De afgelopen jaren zijn er contacten tussen partijen geweest waarin het onder meer ging over het nieuwbouwproject en over de wensen en mogelijkheden voor [eisers] om een nieuw gebouwde huurwoning van Domijn te betrekken.

- Op een gegeven moment bericht Domijn [eisers] , bij brief van 18 oktober 2016, dat zij [eisers] de woning met [nummer] aanbieden. [eisers] waren degenen met de hoogste woonduur voor deze woning. Bij de brief zaten twee verklaringen voor woningacceptatie. [eisers] hebben deze woning (graag) geaccepteerd en de verklaring ingevuld en ondertekend d.d. 20 oktober 2016.

- Ongeveer twee maanden later blijkt dat Domijn een fout heeft gemaakt met betrekking tot de toewijzing van deze woning. De woning was in november 2015 al toegewezen aan andere huurders, die de woning op 28 november 2015 hebben geaccepteerd. Intern is er iets mis gegaan bij Domijn en Domijn betreurt de situatie dan ook. Hoe het heeft kunnen gebeuren kan Domijn niet verklaren. Het is voor Domijn niet mogelijk om de woning met [nummer] , te verhuren aan [eisers] .

2. [eisers] vorderen in dit kort geding de onmiddellijke toewijzing van de huurwoning zoals door Domijn aan hen d.d. 18 oktober 2016 is aangeboden en zoals door hen d.d. 20 oktober 2016 is geaccepteerd (hoekwoning [nummer] ) en voorts nakoming van de reeds toegezegde en gemaakte afspraken inzake de bouw en indeling van de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, met veroordeling van Domijn in de proceskosten. Kort gezegd voeren zij hiertoe aan dat er een huurovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat Domijn gehouden is de overeenkomst, met nevenafspraken over indeling en dergelijke, na te komen. [eisers] ergeren zich vooral aan de houding en het onbegrip van Domijn in de hele kwestie.

3. Domijn heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] . Volgens Domijn ontbreekt het spoedeisend belang en is er geen huurovereenkomst tot stand gekomen. Domijn heeft het nieuwbouwproject zorgvuldig uitgevoerd, al heeft zij wel een fout gemaakt bij de woningtoewijzing in het geval van [eisers] . De huurwoning is al eerder geaccepteerd door andere huurders en die hadden ook een langere woonduur (zij huren vanaf 1995, [eisers] vanaf 1997). De woonduur is één van de criteria bij het toewijzen van woningen uit het nieuwbouwproject. Domijn heeft verder alternatieven aangeboden maar die hebben niet tot een oplossing geleid.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Domijn heeft in de eerste plaats aangevoerd dat er geen sprake (meer) is van een spoedeisend belang bij de vorderingen van [eisers] en zij heeft in dat verband aangevoerd dat [eisers] al vanaf eind 2016 weten dat de woning helaas twee keer is toegewezen en dat pas nu, eind 2017 ineens een kort geding te dier zake wordt gevoerd. In de tussentijd zijn met de andere huurders stappen gezet, is er door hen een nieuwe keuken gezocht, is de woning reeds gestoffeerd en wonen zij zelfs al in de woning.

Domijn heeft hier zeker een punt.

5. Ook inhoudelijk, als de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel zou moeten geven over de toewijsbaarheid van de vordering, heeft Domijn een punt.

Gelet op het aanbod van Domijn en de acceptatie van dat aanbod door [eisers] is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een huurovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen met betrekking tot de hoekwoning met [nummer] .

Domijn heeft echter met bewijsstukken onderbouwd dat hetzelfde geldt voor de andere niet met name genoemde huurders van Domijn. Er is sprake van de situatie dat dezelfde woning twee keer door Domijn is toegewezen aan verschillende huurders. Dat de andere huurders een langere woonduur hadden dan [eisers] is in het kader van deze procedure ook voldoende aannemelijk gemaakt.

6. De onderhavige situatie lijkt op de situatie van artikel 3:298 BW dat ziet op botsende rechten van levering op een goed. Dat artikel luidt: “Vervolgen twee of meer schuldeisers ten aanzien van één goed met elkaar botsende rechten op levering, dan gaat in hun onderlinge verhouding het oudste recht op levering voor, tenzij uit de wet, uit de aard van hun rechten, of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit”. Het artikel leent zich voor analogische toepassing in deze zaak: in het onderhavige geval is er sprake van botsende rechten op nakoming van een huurovereenkomst met betrekking tot hetzelfde huurobject, welk object uiteraard maar aan één partij ter beschikking kan worden gesteld. Vast staat dat de andere huurders de woning eerder hebben geaccepteerd (en derhalve het oudste recht als bedoeld in het artikel hadden) en dat zij bovendien ook een langere woonduur hadden dan [eisers] , zodat de conclusie luidt dat het oudste recht op nakoming van de andere huurders vóór zou gaan.

7. De voorzieningenrechter begrijpt de teleurstelling aan de zijde van [eisers] , dat zij thans met lege handen staan en begrijpt dat partijen ook na aanhouding van de zaak niet tot overeenstemming zijn gekomen over alternatieven. De vordering moet gelet op het voorgaande niettemin worden afgewezen.

8. De voorzieningenrechter ziet mede gelet op de oorzaak van het geschil, de foutieve dubbele toewijzing van de woning door Domijn, aanleiding de proceskosten te compenseren.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen van [eisers] af.

II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G. van Eerden, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.