Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1156

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
C/08/185247 / HA ZA 16-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering voor recht te verklaren dat geldleningsovereenkomst ad. € 320.000,= nog steeds geldig is toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/185247 / HA ZA 16-172

Vonnis van 4 april 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. F. Klemann te Zwolle,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. S.L. Raphaël te Leiden.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eiser 1] c.s. (meervoud) genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde 1] en gedaagde sub 2 zal [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 april 2017;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 12 september 2017;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor, gehouden op 2 oktober 2017;

  • -

    de akte na enquête tevens akte overlegging productie van [eiser 1] c.s.;

  • -

    de akte na enquête tevens uitlaten productie van [gedaagde 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft [eiser 1] c.s. bij voormeld tussenvonnis toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het op grond van de overeenkomst van 11 oktober 2013 dwingende bewijs dat de vordering van [eiser 1] c.s. op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van € 320.000,00 door verrekening is teniet gegaan.

2.2.

Om het tegenbewijs te leveren hebben [eiser 1] c.s. zichzelf als getuigen doen horen, hun dochter [A] , hun zoon [B] en hun zoon [gedaagde 1] . Daarnaast hebben [eiser 1] c.s. bij akte na enquête een brief van hun huisarts overgelegd.

2.3.

[gedaagde 2] heeft afgezien van een contra-enquête.

2.4.

De huisarts van [eiser 1] c.s. heeft bij brief van 28 september 2017 - samengevat - verklaard dat [eiser 1] c.s. analfabeet zijn en zeer slecht Nederlands spreken.

2.5.

[A] heeft – samengevat – verklaard dat zij niet weet of er schulden tussen haar ouders en haar broer [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verrekend.

2.6.

[B] heeft onder meer het volgende verklaard:
Ik beheer de financiële situatie van mijn ouders. Bij het dicteren voeg ik nog toe, dat de leningen met [gedaagde 1] zijn aangegaan en [gedaagde 1] altijd van plan is geweest om de leningen terug te betalen, maar [gedaagde 2] wil daar niet aan meewerken. (…) Op uw vraag of er schulden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verrekend met mijn ouders, antwoord ik ontkennend. Het heeft mij verbaasd dat deze stelling is ingenomen op basis van slechts een stuk papier, terwijl er nooit bedragen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan mijn ouders zijn overgemaakt. (…) Het kan zijn dat ik het niet weet, maar meestal weet ik het wel. Ik heb nooit stukken of bewijsstukken gezien dat het bedrag van € 320.000,- door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is betaald.
(…)
Op uw vraag of ik aanwezig ben geweest bij een gesprek met de bank in november 2013, antwoord ik dat als er bij de bank gesprekken waren ik daar meestal bij aanwezig was. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren nooit in staat om zelf panden aan te kopen. Wij moesten altijd garant staan voor die panden. Op uw vraag of bij één van die gesprekken de ‘vaststellingsovereenkomst’ aan de orde is gekomen, antwoord ik: “Niet dat ik weet.”
U houdt mij voor dat u de indruk heeft dat de brief die in de procedure is overgelegd en die is ondertekend door mijn vader, mijn brief is. Het klopt dat de brief niet door mijn vader is geschreven. Mijn vader is daartoe niet in staat. Ik heb de brief geschreven en aan mijn ouders voorgelezen, waarna mijn vader het heeft getekend.

2.7.

[eiser 2] heeft onder meer het volgende verklaard:
V: In het document staat dat de schuld is verrekend. Wat kunt u daarover verklaren?
A: Nee. Hoe is dat dan gelopen? Wat voor bewijs is er? Via welke bank is dat gegaan?
(…)
A: Nee ze hebben ons niets gegeven.
V: Heeft u geld geleend van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ?
A: Nee, daar weet ik niets van.
(…)
A: Als het zo geweest is gaat het misschien om kleine leningen, maar we hebben eigenlijk nooit geld van hen gehad.

2.8.

[eiser 1] heeft onder meer het volgende verklaard:
V: Heeft u geld geleend van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ?
A: Nee, hij heeft nooit geld gegeven. Hij heeft alleen ons dat papier laten tekenen. Ik weet niet wat er in dat papier staat. Hij heeft mij nooit geld gegeven. (…) Nu zegt hij dat hij het betaald heeft. Ik zou niet weten waar hij dat bedrag vandaan heeft.
V: Zijn er in de periode van 1997 tot en met 2008 diverse bedragen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan u ter beschikking gesteld.
A: Ze hebben mij nooit geld gegeven. Als ze dat zouden hebben gedaan, waar zouden ze dat vandaan moeten halen.

2.9.

[gedaagde 1] heeft onder meer het volgende verklaard:
U houdt mij voor dat ik een schuld had van € 320.000,00 aan mijn ouders en vraagt mij of mijn ouders ook een schuld hadden bij ons. Het antwoord is nee.
Klopt het dat er niets viel te verrekenen. Er viel niets te verrekenen.

2.10.

Bij de beoordeling van de vraag of [eiser 1] c.s. zijn geslaagd in het leveren van tegenbewijs, stelt de rechtbank het volgende voorop. Gelet op artikel 157 lid 2 Rv heeft de overeenkomst van 11 oktober 2013 te gelden als een onderhandse akte en levert hetgeen partijen in die overeenkomst hebben verklaard tussen hen dwingend bewijs op. Daartegen staat op grond van artikel 151 lid 2 Rv tegenbewijs open. Dat tegenbewijs kan blijkens artikel 152 lid 1 Rv worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter vrij het tegenbewijs geleverd te achten als hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring(en) onjuist is/zijn. De rechter kan immers vrijelijk aan ieder feitelijk gegeven in het geding de bewijskracht hechten die hem goeddunkt. Daarbij geldt dat het tegenbewijs geslaagd mag worden geacht als op grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd.

2.11.

De rechtbank constateert dat zowel [B] , [gedaagde 1] als [eiser 1] c.s. hebben verklaard dat de schuld van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet is verrekend. [gedaagde 1] heeft bovendien verklaard dat er ook niets te verrekenen viel. [eiser 2] heeft verklaard dat zij geen (grote bedragen) geld heeft geleend van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (“misschien kleine leningen, maar we hebben eigenlijk nooit geld van hen gehad”). [eiser 1] heeft ook ontkend geld van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te hebben geleend (“Ze hebben mij nooit geld gegeven.”).

2.12.

[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat de verklaringen van [B] , [gedaagde 1] en [eiser 1] c.s. niet betrouwbaar en op onderdelen innerlijk tegenstrijdig zijn. Met [eiser 1] c.s. is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [eiser 1] c.s. niet zijn onderworpen aan de in artikel 164 lid 2 Rv opgenomen beperking van de bewijskracht, omdat [eiser 1] c.s. niet zijn gehoord met betrekking tot door hen te bewijzen feiten, maar in het kader van het bijbrengen van tegenbewijs. Toch zullen hun verklaringen, evenals de verklaring van [gedaagde 1] , met de nodige behoedzaamheid worden gewaardeerd gelet op de daarbij betrokken belangen en gelet op het volgende. Aan [gedaagde 2] moet worden toegegeven dat voormelde verklaringen niet steeds stroken met eerder in de procedure ingebrachte schriftelijke verklaringen en andere stukken. Ook is tijdens de getuigenverhoren naar voren gekomen dat door [gedaagde 1] en [eiser 1] c.s. ondertekende brieven/verklaringen niet door hen zijn opgesteld maar door [B] of familie. De rechtbank stelt verder vast dat reeds voorafgaand aan deze procedure en (deels) voorafgaand aan de echtscheidingsprocedure tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] meerdere stukken zijn opgesteld voor verschillende doeleinden, waarvan moet worden betwijfeld of deze steeds stroken met de werkelijkheid.

Als vaststaand is aangenomen dat de tussen [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] opgestelde overeenkomsten van lening van 10 oktober 2007, 15 april 2008 en 20 december 2012 zijn geantedateerd (vgl. r.o. 4.5 tussenvonnis 26 april 2017). Het een en ander roept vragen op met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] .

2.13.

Het voorgaande roept echter ook vragen op met betrekking tot het waarheidsgehalte van de in de overeenkomst van 11 oktober 2013 opgenomen verklaringen en of al dan niet sprake is van een “schijnovereenkomst”. Daarbij is van belang dat ook [gedaagde 2] zich - tot aan de akte na enquête - steeds op het standpunt heeft gesteld dat de overeenkomst van 11 oktober 2013 is opgemaakt “teneinde schenkingbelasting te voorkomen” (vgl o.a. sub 13 pleitnotities en sub 18 conclusie van dupliek).

2.14.

Tegen die achtergrond acht de rechtbank het voorts opvallend dat de akte van 11 oktober 2013 geen concrete aanknopingspunten biedt voor het vaststellen van door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiser 1] c.s. verstrekte leningen. In die akte – waarin [eiser 1] c.s. als “partij A” is aangeduid en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als “partij B” - is immers bepaald dat:

- partij B in de periode van 1997 tot en met 2008 diverse geldbedragen heeft geleend van partij A, welke in totaal een bedrag belopen ten bedrage van € 320.000,= (…)
- partij B in 2007 voornemens was een pand te kopen aan de [adres 1] te [plaats] en dat partij A (…) een financiering heeft afgesloten ten bedrage van € 320.000,= (…)
- partij B door deze financiering het pand aan de [adres 2] te [plaats] heeft kunnen aankopen;
- partij A en partij B op basis hiervan de navolgende afspraken hebben gemaakt.

Verklaren te zijn overeengekomen dat:
A. partij A aan partij B en partij B aan partij A niets meer met elkaar te verrekenen hebben en dat de geleende gelden over-en-weer zijn verrekend.

2.15.

Uit de hiervoor eerst aangehaalde zinsnede volgt dus niet dat [eiser 1] c.s. in de periode van 1997 tot en met 2008 diverse geldbedragen hebben geleend van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (maar andersom). Gelet op de standpunten van partijen hebben zij voormelde zinsnede echter wel in die zin gelezen. Voor zover sprake is geweest van een vergissing c.q. verschrijving in de overeenkomst van 11 oktober 2013, in die zin dat partijen ten onrechte de partij-aanduidingen hebben verwisseld en door partijen was beoogd te verklaren dat [eiser 1] c.s. in de periode van 1997 tot en met 2008 diverse geldbedragen hebben geleend van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , constateert de rechtbank dat in de overeenkomst van 11 oktober 2013 ook daaromtrent geen concrete aanknopingspunten kunnen worden gevonden van momenten, hoogte en aanleiding voor “diverse geldbedragen” die door [eiser 1] c.s. van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zouden zijn geleend.

2.16.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien met de verklaringen van [eiser 1] c.s., [B] en [gedaagde 1] , komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser 1] c.s. is geslaagd in het leveren van tegenbewijs door het met de overeenkomst van 11 oktober 2013 geleverde bewijs te ontzenuwen.


Al met al heeft de rechtbank namelijk gerede twijfel over het waarheidsgehalte van de overeenkomst en de door [gedaagde 2] gestelde verrekening van de vordering van [eiser 1] c.s. met “diverse geldbedragen” die [eiser 1] c.s. in de periode van 1997 tot en met 2008 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zouden hebben geleend. [gedaagde 2] heeft ook anderszins niet met feiten en omstandigheden onderbouwd dat voormelde leningen daadwerkelijk door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn verstrekt. De omstandigheid dat de financieringen van de [adres 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van 11 oktober 2013 wel en daarna niet meer in de aangifte Inkomstenbelasting 2012 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is opgenomen, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Ook de enkele omstandigheid dat er door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] blijkens een brief van de belastingdienst in 2008 een totaalbedrag van € 29.097,24 aan [eiser 1] c.s. is betaald, acht de rechtbank, zonder nadere toelichting omtrent die betaling, onvoldoende. [gedaagde 2] heeft geen (daarop toegesneden) bewijsaanbod gedaan; de rechtbank ziet hoe dan ook geen aanleiding om haar ambtshalve toe te laten tot (getuigen)bewijs van haar stellingen dat weldegelijk sprake is geweest van verrekening met door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiser 1] c.s. verstrekte leningen.

2.17.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [gedaagde 2] gestelde verrekening niet is komen vast te staan. Dat betekent dat de vordering voor recht te verklaren dat “de geldleningsovereenkomst voor € 320.000,00 nog steeds geldig is” kan worden toegewezen. [gedaagde 2] heeft niet betwist dat de lening van € 320.000,00 moet worden aangemerkt als een gemeenschapsschuld. [gedaagde 1] is voor het geheel van deze schuld aansprakelijk. [gedaagde 2] is hoofdelijk verbonden voor deze door [gedaagde 1] vóór het huwelijk aangegane schuld. Ten aanzien van [gedaagde 2] kan de schuld slechts worden verhaald op hetgeen zij uit hoofde van de verdeling van de ontbonden gemeenschap zal verkrijgen. De vordering tot betaling van voormelde geldsom zal in zoverre worden toegewezen.


Hypotheekrecht [adres 3] ; verzoek ex artikel 31 Rv

2.18.

De rechtbank heeft in r.o. 4.33 van het tussenvonnis van 26 april 2017 overwogen dat ter zake van de [adres 3] is komen vast te staan dat sprake is van een lening van [eiser 1] c.s. aan [gedaagde 1] met thans een hoofdsom van € 398.995,31 en dat de vordering tot betaling van die geldsom voor toewijzing gereed ligt.

2.19.

[gedaagde 2] heeft bij akte na enquête gewezen op de (als productie 5 bij conclusie van antwoord overgelegde) hypotheekakte. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat bij verkoop van de [adres 3] de opbrengst moet worden aangewend ter aflossing van de hypothecaire geldlening verbonden aan het pand, terwijl er ook een vonnis ligt op grond waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bedrag van € 398.995,31 aan [eiser 1] c.s. dienen te voldoen. Dat zou, aldus [gedaagde 2] , betekenen dat er dubbel betaald zou moeten worden. [gedaagde 2] meent dat er sprake is van een kennelijke fout en verzoekt de rechtbank deze te herstellen door expliciet op te nemen dat in geval van verkoop van de [adres 3] en aanwending van het aandeel van de man in de verkoopopbrengst om de hypothecaire geldlening bij Rabobank af te lossen, de vordering van [eiser 1] c.s. op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met eenzelfde bedrag wordt verminderd.

2.20.

De rechtbank zal niet aan dit verzoek voldoen. Van het “dubbel” moeten betalen is geen sprake. Bij voormelde hypotheekakte hebben [gedaagde 1] , [eiser 1] , [B] en [eiser 1] c.s. een recht van hypotheek verstrekt aan (kort gezegd) de Rabobank op de in die akte genoemde verschillende onderpanden, waaronder het pand aan de [adres 3] . Dit recht van hypotheek is verstrekt tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Rabobank blijkens haar administratie van [eiser 1] en [B] - zijnde geen partijen in deze procedure - te vorderen heeft. Er is geen sprake van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv in het tussenvonnis van 26 april 2016. Voor zover [gedaagde 2] heeft bedoeld de rechtbank te verzoeken terug te komen op een bindende eindbeslissing overweegt de rechtbank dat [gedaagde 2] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is geweest van een evidente feitelijke of juridische misslag of een onjuiste feitelijke grondslag waarop die beslissing berust.

Proceskosten

2.21.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat de lening van [gedaagde 1] op [eiser 1] c.s. van
€ 320.000,00 nog steeds geldig is;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser 1] c.s. te betalen een bedrag van in totaal € 718.995,31 (zevenhonderdachttienduizendnegenhonderdvijfennegentig euro en éénendertig eurocent) en met bepaling dat deze schuld ten aanzien van [gedaagde 2] slechts kan worden verhaald op hetgeen zij uit hoofde van de verdeling van de ontbonden gemeenschap zal verkrijgen.

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma, mr. F.E.J. Goffin en mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018.1

1 type: coll: