Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1144

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
AK_18_99_tu
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Afwijzing dyslexiezorg; artikel 2.3 van de Jeugdwet beperkt de voorzieningenplicht niet tot problemen vanwege EED (ernstige enkelvoudige dyslexie) en sluit andere vormen van dyslexie niet uit; besluit in strijd met artikel 2.3 van de Jeugdwet genomen; rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid gebrek binnen acht weken te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/120
JWWB 2018/221 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/99

tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats 1], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder

gemachtigde: mr. M.H. van Haeften en G.G. IJzerman-Holsappel.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om dyslexiezorg voor zijn zoon [naam zoon] afgewezen.

Bij besluit van 27 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. [naam zoon] is 10 jaar. Hij heeft dyslexie. Via e-mail heeft eiser op 10 maart 2017 een aanvraag ingediend voor vergoeding van de dyslexiebehandeling.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat bij [naam zoon] geen sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie (hierna: EED) volgens het protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0. Verweerder verwijst naar een onderzoek, gedaan door de zorgaanbieder Braams (hierna: Braams) waaruit deze conclusie blijkt.

Verweerder is alleen gehouden ingeval van dyslexie een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen als sprake is van EED. Verweerder beroept zich op de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet. De ondersteuning van leerlingen met lees- en spellingsproblemen en niet-ernstige enkelvoudige dyslexie maakt onderdeel uit van de basisondersteuning die elke school biedt of zou moeten bieden.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht wat er precies aan de hand is. De conclusie van Braams dat van EED geen sprake is, was direct aanleiding voor verweerder om, zonder verder onderzoek, de aanvraag af te wijzen. Verweerder verwijst naar het onderwijs maar het lukte de school niet om [naam zoon] beter te leren lezen; hij behoorde tot de 1% laagst scorende leerlingen op een samengestelde score. Verweerder heeft onvoldoende ingezien dat er in het geval van [naam zoon] sprake is van een bijzondere situatie. Bij 4% van alle kinderen zijn de klachten zo ernstig en hardnekkig dat er gespecialiseerde ondersteuning en behandeling nodig is. [naam zoon] behoort daartoe. Eiser heeft het Regionaal Instituut Dyslexie om een second opinion gevraagd. De conclusie van deze deskundige is dat weliswaar van EED geen sprake is en dat de leesproblemen matig zijn maar dat de spellingsproblematiek ernstig en hardnekkig is. Ondanks intensieve begeleiding voor deze problemen op school is [naam zoon] niet in staat geweest voldoende vooruitgang te boeken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de problemen van [naam zoon], gelet op de rapportage van Braams en van het Regionaal Instituut Dyslexie ernstig zijn maar, vanwege het feit dat van EED geen sprake is, een voorziening op grond van de Jeugdwet niet aan de orde is. Wel wil verweerder met een consulent van het ministerie, school en eiser in gesprek over mogelijkheden buiten de Jeugdwet om.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 2.3 van de Jeugdwet bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een voorziening op grond van de Jeugdwet niet aan de orde is omdat van EED geen sprake is onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis. Meer in het bijzonder verwijst verweerder naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012-2013, 33 684 nr. 3, p. 50). Daarin is het volgende te lezen:

“De geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen (jeugd-ggz) richt zich op jeugdigen met psychische klachten of psychische stoornissen. Binnen dit palet van zorg vallen onder andere de preventieve zorg, zoals die voor kinderen van ouders met psychiatrische of verslavingsproblematiek (KOPP/KVO), die nu nog onder de Wmo valt, en geïndiceerde preventie, participatie in zorgadviesteams, diagnose, behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie tussen 7 en 12 jaar…”

Uit deze passage leidt de rechtbank niet af dat uitsluitend EED behoort tot de psychische problemen waarvoor op grond van de Jeugdwet verweerder voorzieningen dient te treffen. Elders in de parlementaire geschiedenis is voor die stelling evenmin een duidelijk aanknopingspunt te vinden. Zo wordt op pagina 55 van de memorie van toelichting overwogen: “Met het overhevelen van de jeugd-ggz, dyslexiezorg, jeugd-vb, begeleiding, kortdurend verblijf en persoonlijke verzorging uit de AWBZ en de Zvw naar Jeugdwet vervalt weliswaar het recht op zorg zoals dat in die wetten is vorm gegeven, maar in onderhavig wetsvoorstel komen deze vormen van zorg, hulp en ondersteuning onder de voorzieningenplicht te vallen. De gemeente krijgt de verplichting om waar nodig voor de jeugdige of zijn ouders een individuele voorziening te treffen.” En op bladzijde 101: “Ook dyslexie valt in dit licht onder het begrip psychische stoornis en derhalve onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Ondersteuning op het gebied van dyslexie kan echter mede plaatsvinden door hulp en aanpassingen in het onderwijs. Samenwerking met scholen op dit onderwerp is dan ook van groot belang.” Tenslotte in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2012-2013, 33 684, nr. 10 p. 33): “Op dit moment is er een aanspraak op grond van de Zvw op dyslexiezorg voor basisschoolgaande kinderen (ernstige enkelvoudige dyslexie van kinderen van 7 jaar en ouder die basisonderwijs volgen). Deze vorm van zorg wordt gedecentraliseerd naar de gemeente. Reden dat dyslexie niet gepositioneerd is in de wetgeving inzake het passend onderwijs is dat deze specifieke vorm van dyslexiezorg een neurobiologische grondslag kent en veelal door behandelaars uit de jeugd-ggz wordt behandeld…..Nu ook de jeugd-ggz wordt gedecentraliseerd naar gemeenten is het logisch om deze vorm van zorg ook over te hevelen, gezien de duidelijke link tussen beide zorgvormen. Zuiver vanwege deze overheveling van de bekostiging wordt dyslexie in het nieuwe stelsel daarom onder de noemer van de jeugdhulp en meer specifiek onder de noemer jeugd-ggz geschaard. Gemeenten zullen dus ook voor kinderen met ernstige enkelvoudige dyslexie een passend zorgaanbod moeten realiseren.”

Wat verder ook zij van de parlementaire geschiedenis, de Jeugdwet is duidelijk: op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet is het college, onder omstandigheden, verplicht een voorziening te treffen als sprake is van een jeugdige die jeugdhulp nodig heeft, onder meer, vanwege psychische problemen. Dyslexie is een psychisch probleem.

Artikel 2.3 van de Jeugdwet beperkt de voorzieningenplicht niet tot problemen vanwege EED en sluit andere vormen van dyslexie ook niet uit. In artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt een definitiebepaling van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen gegeven. Daarin is evenmin een aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat van de dyslexieproblemen alleen de EED wordt aangewezen als psychisch probleem. Voor een beperking tot EED ingeval van dyslexieproblematiek zoals door verweerder gehanteerd ziet de rechtbank, gelet op de tekst van de wet, geen aanleiding. Het besluit is dan ook in strijd met artikel 2.3 van de Jeugdwet genomen.

5. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

Om het gebrek te herstellen, moet verweerder, er van uitgaande dat dyslexie zoals vastgesteld in het geval van [naam zoon] een psychisch probleem als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet is, bezien of er aanleiding bestaat een voorziening als bedoeld in dit artikel te treffen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

6. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.


Beslissing

De rechtbank:

 draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

 stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

 houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, voorzitter, en mr. W.R.H. Lutjes en mr. M. van Loenen, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Knol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.