Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1112

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
C/08/213070 / KG ZA 18-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot medewerking aan onderzoek naar echtheid van een handtekening. Afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/213070 / KG ZA 18-16

Vonnis in kort geding van 20 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. M.W. Fakiri te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Bijl te Deventer.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 7

  • -

    de producties 1 en 2 van [gedaagde]

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis tevens aanvullende producties met productie 8 van [eiser]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is van Afghaanse nationaliteit en verblijft sinds 2012 in Nederland. [gedaagde] is getrouwd met de zus van [eiser] .

2.2.

Op 21 mei 2013 is [gedaagde] met zijn kind te voet naar buiten gegaan om enkele boodschappen te doen. Onderweg naar de supermarkt is [gedaagde] aangereden door een motorrijtuig. [gedaagde] heeft de bestuurder van het motorrijtuig aansprakelijk gesteld.

2.3.

Een door [eiser] overgelegd, in het Nederlands vertaald en oorspronkelijk in Pashto opgesteld, handgeschreven document (hierna: de overeenkomst) houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(…)

De kwestie van verzekeringsgeld

Tussen mij, (…) [gedaagde] , en (…) [eiser] is de volgende overeenstemming bereikt met betrekking tot de kwestie verzekeringsgeld:

Hiermee verklaar ik, (…) [gedaagde] , als wilsbekwaam persoon het volgende:

De kwestie van verzekeringsgeld is een gezamenlijke kwestie tussen mij en (…) [eiser] . Het geld dat wij van de verzekeringsmaatschappij krijgen, wordt tussen mij, (…) [gedaagde] en (…) [eiser] op gelijke manier verdeeld.

[X] is de getuigen. Ik, (…) [gedaagde] , moet in eerste instantie het bewijs met betrekking tot dit geld aan (…) [eiser] laten zien. Vervolgens moet ik het dat ik van de verzekeringsmaatschappij heb gekregen, in aanwezigheid van de [X] , met (…) [eiser] delen.

Dat betekent dat 50% van dat geld van mij wordt en de overige 50% is van (…) [eiser] .

(…)”

2.4.

De overeenkomst is gedateerd op 16 april 2014 en voorzien van drie handtekeningen. Boven de handtekeningen staan de namen van [gedaagde] , [eiser] en “ [X] ”.

2.5.

Bij brief van 19 juni 2015 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] ter nakoming van de overeenkomst verzocht om inzage te geven in de door de verzekering uitgekeerde bedragen.

2.6.

[gedaagde] heeft bedoelde inzage tot op heden niet aan [eiser] verleend. Evenmin is hij uit hoofde van de onder 2.3 genoemde overeenkomst overgegaan tot enige betaling aan [eiser] .

2.7.

[eiser] heeft [gedaagde] in een bodemprocedure bij de rechtbank Overijssel (zaaknummer / rolnummer C/08/213070 / KG ZA 18-16) gedagvaard en heeft gevorderd dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot het verstrekken van het overzicht van de verzekering, waaruit opgemaakt kan worden welke bedragen hij heeft ontvangen als schadepenningen, en tot betaling van de helft van de schadepenningen. [gedaagde] heeft betwist dat hij een overeenkomst met [eiser] is aangegaan en heeft gesteld dat het schrift en de handtekening onder de overeenkomst niet van hem is.

2.8.

In voornoemde bodemprocedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 19 juli 2017 - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

“(…)

4.3

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] vooralsnog niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen de door hem gestelde overeenkomst zijn aangegaan.

Ten eerste geldt voor wat betreft de overeenkomst van 16 april 2014 dat deze overeenkomst, gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] dat hij de overeenkomst heeft ondertekend, op de voet van artikel 159 lid 2 Rv geen dwingende bewijskracht oplevert, zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is. De bewijslast voor wat betreft de echtheid van de handtekening op de onderhandse akte – in dit geval de overeenkomst – rust op degene die de onderhandse akte als bewijsstuk gebruikt of zich daarop beroept, in dit geval [eiser] . De discussie over de authenticiteit van de handtekening daargelaten, valt uit de tekst van de overeenkomst bovendien niet duidelijk op te maken dat [gedaagde] , zoals [eiser] stelt en [gedaagde] betwist, zich daarmee heeft verbonden de helft van het totale bedrag (en niet de helft van het voorschot) dat door de betrokken verzekeraar in verband met het ongeval aan [gedaagde] zou worden uitgekeerd aan [eiser] te betalen.

Dat [gedaagde] zich jegens [eiser] heeft verbonden de helft van de totale schade-uitkering aan [eiser] te betalen volgt evenmin uit het door [eiser] overgelegde schaderapport. De enkele omstandigheid dat [eiser] hulp heeft geboden, betekent immers nog niet dat kan worden aangenomen dat partijen de door [eiser] gestelde verbintenis zijn overeengekomen. Gezien de betwisting van [gedaagde] dat hij deze bijlage(n) heeft opgesteld en heeft verstuurd aan wie dan ook, volgt dit ook niet uit de als productie 5 bij dagvaarding en productie 7 bij conclusie van repliek in conventie overgelegde documenten.

Gelet hierop zal [eiser] , zowel met het oog op de totstandkoming als de bedoeling van de overeenkomst, worden toegelaten tot het leveren van nader bewijs, in het bijzonder maar niet uitsluitend door het horen van getuigen. Deze mogelijkheid tot nadere bewijslevering stelt [eiser] tevens in de gelegenheid om bewijs te leveren van de echtheid van de handtekening van [gedaagde] onder de overeenkomst, door middel van overlegging van een deskundigenrapport. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval, waarin zowel over de totstandkoming als over de bedoeling van de overeenkomst zoveel onduidelijkheid bestaat, op dit moment geen aanleiding om zelf tot benoeming van een handschriftdeskundige over te gaan.

(…)”

2.9.

Op 28 november 2017 heeft [eiser] vier getuigen, waaronder zichzelf en [gedaagde] , doen horen.

2.10.

[eiser] heeft op 29 november 2017 het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (verder: NFO) verzocht om een schriftvergelijkend en document-technisch onderzoek te verrichten naar de vraag of de handtekening op de overeenkomst al dan niet door [gedaagde] is geproduceerd.

2.11.

Het NFO heeft op 27 december 2017 het volgende aan [eiser] bericht:

“(…)

IV. Beknopte weergave onderzoeksbevindingen

Vanwege het gegeven dat representatief en bruikbaar vergelijkingsmateriaal van [gedaagde] niet is aangeleverd, kan geen vergelijkend onderzoek worden verricht naar de onder punt [1] vermelde onderzoeksvraag. De betwiste handtekening kan enkel opzichzelfstaand worden beoordeeld een geanalyseerd. Hierbij is het volgende vastgesteld:

  • -

    De betwiste handtekening bevat in kwalitatief en kwantitatief opzicht voldoende enkele specifieke kenmerken om een schriftvergelijkend onderzoek ter beantwoording van de onderzoeksvraag mogelijk te maken.

  • -

    Bij analyse van de betwiste handtekening is vastgesteld dat de aard, kwaliteit en kwantiteit van de voor identificatie in aanmerking komende elementen in de betwiste handtekening zodanig zijn, dat gesproken kan worden van een beperkt complexe bewegingscoördinatie.

V. Vervolg van het onderzoek

Zodra wij van u het gevraagde vergelijkingsmateriaal hebben ontvangen zullen wij, conform de forensische richtlijnen, de representativiteit van het door uw wederpartij aangeleverde materiaal beoordelen. Op grond hiervan zal worden besloten of het al dan niet noodzakelijk is om een schrijfproef bij [gedaagde] af te nemen.

(…)”

2.12.

[eiser] heeft naar aanleiding van het bericht van het NFO [gedaagde] gevraagd om tien andere documenten met daarop zijn handtekening, waaronder een kopie van zijn paspoort.

2.13.

[gedaagde] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. Volgens [gedaagde] beschikt hij niet over meer documenten dan hij reeds aan [eiser] heeft verstrekt en wenst hij geen kopie van zijn paspoort te verstrekken, omdat hij [eiser] niet vertrouwt.

2.14.

In de bodemprocedure zal op 8 maart 2018 een contra-enquête plaatsvinden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na vermeerdering van eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] zal veroordelen binnen 24 uur na het te wijzen vonnis aan [eiser] , dan wel rechtstreeks aan de deskundige van NFO, ten minste 10 afschriften doet toekomen van bescheiden met daarop duidelijk zichtbaar zijn handtekening daterende uit de periode voor 16 april 2014,
althans afschriften van zijn Nederlandse paspoort, Nederlandse identiteitskaart, Nederlandse rijbewijs, Afghaanse diploma’s en overige formulieren en brieven met daarop duidelijk zichtbaar zijn handtekening binnen 24 uur na het te wijzen vonnis aan gedaagde ter beschikking stelt, dan wel rechtstreeks aan de deskundige van het NFO zal toezenden,

II. [gedaagde] zal veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de schrijfproef van het NFO, bij gebreke waarvan hij een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00,

III. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten.

3.2.

Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij gelet op het verweer van [gedaagde] inhoudende dat hij niet over deze documenten beschikt, de vordering onder I niet langer handhaaft. Deze door [eiser] op artikel 843a Rv gebaseerde vordering behoeft derhalve geen bespreking.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Voor het daadwerkelijk verlenen van een spoedvoorziening is het enkele stellen van spoedeisendheid niet voldoende. Vereist is dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht, waarbij de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen.

4.2.

[eiser] voert met betrekking tot zijn spoedeisend belang aan dat hij op korte termijn wenst te beschikken over het rapport van deskundigen, zodat hij dat rapport kan inbrengen bij conclusie na enquête in de bodemprocedure. Ook wenst hij vooruitlopend op een eventueel hoger beroep te kunnen beschikken over een deskundigenbericht, teneinde te kunnen beoordelen of een hoger beroep kansrijk is en om vertraging in de eventuele hoger beroepsprocedure te voorkomen.
[gedaagde] bestrijdt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Volgens [gedaagde] kan [eiser] de uitkomst van de reeds aanhangige bodemprocedure afwachten. Daarnaast betoogt [gedaagde] dat hij onder de gegeven omstandigheden niet verplicht is mee te werken aan een eenzijdig geëntameerd deskundigenonderzoek.

4.3.

Bij de beoordeling of sprake is van een voldoende spoedeisend belang stelt de voorzieningenrechter voorop dat tussen partijen reeds een bodemprocedure aanhangig is. Bij tussenvonnis van 19 juli 2017 heeft de bodemrechter een route uitgezet met betrekking tot de bewijsvoering. Gelet op rechtsoverweging 4.4. heeft de bodemrechter ervoor gekozen [eiser] toe te laten tot het leveren van bewijs van de door hem gestelde strekking van de overeenkomst, meer in het bijzonder van de totstandkoming en bedoeling daarvan. Daarbij heeft de bodemrechter overwogen op dit moment geen aanleiding te zien om zelf tot benoeming van een handschriftdeskundige over te gaan. Anders dan [eiser] kennelijk meent, bestaat daarmee de mogelijkheid dat de bodemrechter op een later moment alsnog een deskundigenonderzoek zal gelasten. Als de bodemrechter daartoe overgaat, is [gedaagde] ingevolge artikel 198 lid 3 Rv gehouden om aan dit onderzoek mee te werken.

4.4.

Door [eiser] zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. Het enkele feit dat deze procedure enige maanden vertraging zal oplopen als de bodemrechter alsnog een handschriftdeskundige benoemt, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad is gerechtvaardigd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het geschil tussen partijen al sinds 2015 bestaat.
In de mogelijkheid dat de bodemrechter ook kan besluiten om geen handschriftdeskundige te benoemen kan evenmin een spoedeisend belang worden gevonden. In dat geval is de bodemrechter kennelijk van oordeel dat een handschriftonderzoek, waaraan partijen verplicht dienen mee te werken, voor de beoordeling van de hoofdzaak niet is aangewezen. [eiser] kan bovendien tegen een hem onwelgevallig vonnis in hoger beroep.
De omstandigheid dat de bodemrechter in het tussenvonnis heeft opgemerkt dat [eiser] desgewenst zelf een deskundigenrapport met betrekking tot de echtheid van de handtekening in het geding kan brengen, maakt het voorgaande niet anders. Mede gelet op het belang van [gedaagde] om de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten, volgt uit het voorgaande dat van een spoedeisend belang van [eiser] bij het gevorderde onvoldoende is gebleken. Dit betekent dat de vordering voor afwijzing gereed ligt.

4.5.

Daarnaast staat de zogeheten afstemmingsregel aan een toewijzing van het gevorderde in de weg. Indien in een kort geding moet worden beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient de voorzieningenrechter in beginsel zijn beslissing op dat oordeel van de bodemrechter af te stemmen, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Slechts onder omstandigheden kan plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, bijvoorbeeld indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015).

4.6.

Van een situatie waarin van [eiser] niet kan worden gevergd de bodemprocedure, of een beslissing op een daartegen aan te wenden rechtsmiddel, af te wachten, is gelet op hetgeen hiervoor (r.o. 4.4.) is overwogen geen sprake. [eiser] stelt voorts niet dat het tussenvonnis op een kennelijk misslag berust en hij voert evenmin aan dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen wanneer zij daarvan op de hoogte zou zijn geweest. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat een uitzondering op voormeld uitgangspunt te aanvaarden zodat de beslissing in dit kort geding zal moeten worden afgestemd op de beslissingen die in de bodemprocedure zijn genomen door de rechtbank Overijssel.

4.7.

In de onderhavige zaak heeft de bodemrechter in het tussenvonnis een route uitgezet met betrekking tot de bewijsvoering. Aangezien de verplichting tot meewerken aan een deskundigenonderzoek enkel geldt voor een door de rechter bepaald deskundigenonderzoek en de bodemrechter vooralsnog geen aanleiding heeft gezien een dergelijk onderzoek te gelasten, zou toewijzing van de onderhavige vordering de door de bodemrechter uitgezette route doorkruisen. Dit leidt ertoe dat de gevorderde voorziening zal worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 79,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 895,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 895,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.(EvdB)