Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1105

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
C/08/214481 / KG ZA 18-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Man vordert medewerking van de vrouw aan verkoop van de gezamenlijke woning aan een derde voor een – naar de mening van de vrouw – te lage prijs. Vordering afgewezen. Belangenafweging valt uit in het voordeel van de vrouw, die voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning voor een hogere prijs verkocht moet kunnen worden. Man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij financieel risico loopt als huidige situatie nog enige tijd voortduurt. Geen hypotheekachterstand. Vrouw en kinderen kunnen eerst per 1 september 2018 over andere woonruimte beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/214481 / KG ZA 18-58 (pm)

Vonnis in kort geding van 28 maart 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.L. Geeraths te Haaksbergen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.C. van der Weide te Enschede.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 maart 2018 met producties,

  • -

    de e-mail van mr. Van der Weide van 15 maart 2018 met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 16 maart 2018,

  • -

    de pleitnota van mr. Van der Weide,

  • -

    de aanhouding ten behoeve van het beproeven van een schikking,

  • -

    de e-mail van mr. Van der Weide van 23 maart 2018 met producties,

  • -

    de e-mail, tevens akte verandering van eis, van mr. Geeraths van 23 maart 2018

met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 18 juli 2008 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is bij beschikking van 17 maart 2017 van deze rechtbank ontbonden. De echtscheidingsbeschikking is op 12 april 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk van partijen zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren.

2.2.

Op 23/24 oktober 2017 hebben partijen een convenant gesloten.

Hierin is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“ Tot de huwelijkse gemeenschap behoren de hierna genoemde activa en passiva.

ACTIVA

ONROERENDE ZAAK

3.2.

De woning gelegen te [adres] , met een waarde volgens de WOZ-beschikking d.d. 31-01-2016 van € 120.000.

(…)

PASSIVA

3.4.

De volgende schulden:

A. Een hypotheekschuld bij de ING-bank onder nummer [1] van € 168.300 bestaande uit:

o SpaarBeter Hypotheek van……….€ 159.000

o Aflossingsvrije hypotheek van …..€ 9.300

(…)

4. VERDELING GEMEENSCHAP VAN GOEEREN

ACTIVA

ONROERENDE ZAAK

4.1

Met betrekking tot de echtelijke woning hebben partijen besloten de woning te verkopen. De woning staat inmiddels te koop bij [makelaar] voor

€ 150.000,-.

4.2.

Omdat het aannemelijk is dat bij verkoop en aflossing van de hypotheekschuld een restschuld ontstaat, zullen partijen een beroep doen op de door hen afgesloten Nationale Hypotheek Garantie.

4.3.

Zolang de woning niet is verkocht besluiten partijen dat de vrouw in de echtelijke woning blijft wonen. De vrouw heeft zich ingeschreven voor een huurwoning bij diverse woningbouwverenigingen, namelijk in Enschede , Amsterdam, Utrecht en Hoek van Holland.

4.4.

De verschuldigde hypotheekrente en de premie voor de aan de hypotheek verbonden levensverzekering zullen door partijen elk voor de helft worden voldaan.

4.5.

De WOZ-belasting, gemeentelijk belastingen (o.m. waterschapslasten, rioolheffing en reinigingsrechten), de premie voor de brandverzekering en inboedelverzekering en andere woonkosten zullen eveneens worden voldaan door partijen.”

2.3.

De vrouw bewoont samen met de kinderen de woning aan [adres] (hierna: de woning) en betaalt de maandelijkse hypotheeklasten. Zij wordt daarin ondersteund door de gemeente [woonplaats] . De man heeft een andere woning betrokken en betaalt daarvan de lasten.

2.4.

Er heeft zich een aspirant-koper gemeld die bereid is de woning te kopen voor een bedrag van € 135.000,- onder voorbehoud van financiering. De man heeft de koopovereenkomst, waarin als leveringsdatum 25 april 2018 is opgenomen, ondertekend. De vrouw heeft de koopovereenkomst niet ondertekend.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert samengevat - de vrouw bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om binnen een week na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de onroerende zaak aan [adres] aan de door de man voorgestelde koper, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en te bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot koop en het notarieel transport van de onverdeelde helft van de eigendom in de voornoemde onroerende zaak aan de door de man voorgestelde koper als bedoeld in artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover de vrouw weigerachtig is te voldoen aan dit vonnis, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.2.

De man legt - samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat hij nog steeds hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheek. De woning staat al geruime tijd te koop en er blijven zich geen potentiele kopers melden. Bovendien is de hulp die de gemeente [woonplaats] biedt aan de vrouw eindig en moet hiervoor binnenkort een nieuwe aanvraag worden ingediend. Indien de gemeente besluit om geen steun meer te verlenen, dient de man de afspraak in het convenant na te komen en bij te dragen in de hypotheeklasten van de woning, naast de lasten van zijn huidige woning, aldus de man.

3.3.

De vrouw voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter zitting is met partijen overeengekomen dat zij gedurende één week zullen proberen om tot overeenstemming te komen. De advocaten van partijen hebben de voorzieningenrechter per e-mails van 23 maart 2018 bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en om vonnis gevraagd. De man heeft daarbij zijn eis veranderd en nadere stukken in het geding gebracht. Ook de vrouw heeft nadere stukken in het geding gebracht.

4.2.

Op grond van artikel 11.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie dient een eisverandering bij voorkeur vóór de terechtzitting schriftelijk aan de wederpartij en voorzieningenrechter te worden aangekondigd en ter terechtzitting te worden ingediend. Omdat de man niet aan deze vereisten heeft voldaan, wordt de eisverandering buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat wordt uitgegaan van het in de dagvaarding gevorderde.

De door partijen bij e-mails van 23 maart 2018 in het geding gebrachte stukken zullen op grond van het bepaalde in artikel 6.2 van het voornoemde procesreglement eveneens buiten beschouwing worden gelaten.

4.3.

Ingevolge artikel 254, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende gevallen waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven.

Anders dan de vrouw heeft betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang van de man in voldoende mate voortvloeit uit zijn stellingen en de aard van het gevorderde. De voorzieningenrechter komt daarmee toe aan de materiële beoordeling van het geschil.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak een bevel tot medewerking aan de verkoop van een woning als gevorderd door de man, kan worden opgelegd bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding, ondanks de onomkeerbare gevolgen daarvan. Een zodanige voorziening kan worden getroffen indien sprake is van spoedeisende omstandigheden waarin de gevraagde voorziening wordt gerechtvaardigd door een billijke afweging van de belangen van partijen (HR 8 februari 1946, NJ 1946/166). Daarnaast blijkt uit vaste rechtspraak dat de voorzieningenrechter een vordering als de onderhavige kan toewijzen als een met artikel 3:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vergelijkbare voorziening (HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380), dan wel op grond van artikel 3:185 lid 1 en 2 onder c BW. In beide gevallen dienen de belangen van partijen tegen elkaar te worden afgewogen.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning moet worden verkocht. In geschil is of de woning moet worden verkocht voor een bedrag van € 135.000,-. De vrouw heeft aangevoerd dat dit bedrag lager is dan de marktwaarde van de woning, die volgens haar

€ 148.000,- bedraagt, met als ondergrens € 137.000,-. Hierdoor komt kwijtschelding van de restschuld door de NHG (Nationale Hypotheek Garantie) in gevaar. De NHG stelt als voorwaarde dat de restschuld zoveel mogelijk moet worden beperkt door de woning voor een zo hoog mogelijk bedrag te verkopen. Volgens de vrouw moet de woning voor een hoger bedrag verkocht kunnen worden.

4.6.

De man heeft in reactie op het verweer van de vrouw aangevoerd dat de hypotheekadviseur hem op 7 februari 2018 heeft bericht, dat op basis van het huidige inkomen van de man woningbehoud door de man niet mogelijk is. Woningbehoud door de vrouw is ook niet mogelijk, omdat zij een bijstandsuitkering ontvangt en geen uitzicht heeft op een baan. Daarom is de verwachting van de hypotheekadviseur dat de restschuld door de NHG zal worden kwijtgescholden. Mocht dit anders zijn, dan kan de koop door de man en de vrouw worden ontbonden, aldus de man.

4.7.

Het is een gegeven dat als de woning wordt verkocht voor € 135.000,-, er sprake zal zijn van een restschuld. De vrouw, die een bijstandsuitkering ontvangt, heeft onbetwist gesteld dat zij haar aandeel in de restschuld niet kan betalen, zodat het van belang is dat er kwijtschelding door de NHG plaatsvindt. Vanzelfsprekend is dat ook in het belang van de man. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte en door de man niet betwiste producties volgt dat de NHG onder andere als voorwaarde stelt dat de woning voor een zo hoog mogelijke prijs wordt verkocht, zodat de restschuld zoveel mogelijk wordt beperkt.

4.8.

Door de vrouw is aangevoerd dat de verkoopmakelaar van partijen de verkoop van de woning “er door wil drukken” voor € 135.000,- en zich niet, althans onvoldoende inspant om andere aspirant-kopers te bereiken, die mogelijk een hoger bod op de woning zullen uitbrengen. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft de vrouw een afschrift van de klacht die zij tegen de makelaar heeft ingediend in het geding gebracht.

4.9.

In dit kort geding tussen de man en de vrouw kan in het midden blijven of de makelaar enig verwijt treft. Het had echter, gelet op de stellingen van de vrouw, op de weg van de man gelegen om aannemelijk te maken dat een bod van € 135.000,- in dit geval het maximaal haalbare is, wat de man heeft nagelaten. Door hem is enkel aangevoerd dat er zich een kans in de vorm van een aspirant-koper voordoet die gegrepen moet worden. Over eventuele andere gegadigden en de pogingen die zijn ondernomen om de woning aan hen te verkopen heeft de man zich niet uitgelaten.

4.10.

Met de vrouw is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat voorshands niet kan worden uitgesloten dat de woning voor een hogere prijs dan € 135.000,- zal kunnen worden verkocht. De vrouw heeft met de door haar in het geding gebrachte waardebepaling van [A] B.V. voldoende aannemelijk gemaakt dat de marktwaarde van de woning

€ 148.000,- bedraagt, met een ondergrens van € 137.000,-. De vraagprijs van de woning van € 150.000,- sluit daarbij aan. Daarbij heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de staat van de woning als ‘gemiddeld’ moet worden beschouwd, waardoor er vanuit mag worden gegaan dat de woning boven de door [A] bepaalde ondergrens verkocht moet kunnen worden, temeer gelet op de huidige, voor verkopers gunstige, ontwikkelingen op de woningmarkt.

4.11.

Naast de prijs heeft ook de beoogde leveringsdatum van 25 april 2018 ingrijpende gevolgen voor de vrouw en kinderen van partijen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat er op korte termijn geen sociale huurwoning voor haar beschikbaar is en dat de gemeente [woonplaats] geen urgentie-regeling kent. Volgens de vrouw kan zij vanaf

1 september 2018 met de kinderen bij een vriendin wonen en heeft zij daarom meer tijd nodig om te verhuizen. De man heeft aangevoerd dat de aspirant-koper bereid is in te stemmen met verkoop per 1 september 2018, maar dat zou betekenen dat de koopsom met nog eens € 5.000,- zou worden verlaagd (die voorwaarde stelt de aspirant-koper), wat gelet op het hiervoor overwogene niet reëel wordt geacht.

4.12.

Daar komt bij dat door de man niet aannemelijk is gemaakt dat hij, indien de huidige situatie nog een periode in stand blijft, financieel risico loopt. De man heeft niet betwist dat de vrouw maandelijks met behulp van de gemeente [woonplaats] de hypotheeklasten betaalt en dat van een hypotheekachterstand geen sprake is, en ook niet is geweest. Voor de hypotheekverstrekker is er dan ook geen aanleiding om de man aan te spreken op betaling. De man heeft weliswaar onweersproken gesteld dat de vrouw op korte termijn een nieuwe aanvraag bij de gemeente moet indienen om voor verdere ondersteuning in aanmerking te komen, maar niet aannemelijk gemaakt dat er een reële kans bestaat dat de gemeente daarvan af zal zien.

4.13.

Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat een afweging van de wederzijdse belangen in het voordeel van de vrouw dient uit te vallen en de vordering van de man moet worden afgewezen.

4.14.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan en het feit dat dit geschil de aan hen samen in eigendom toebehorende woning betreft, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.15.

Ten overvloede doet de voorzieningenrechter een beroep op partijen om zich in gezamenlijk overleg, samen met de makelaar, in te spannen om de woning voor een zo hoog mogelijke prijs te verkopen, wat in hun aller belang is. Zonder een oordeel te willen of kunnen vellen over de gegrondheid daarvan, geeft de voorzieningenrechter aan de vrouw mee dat het indienen van een klacht tegen de makelaar daarvoor in het algemeen niet bevorderlijk is en gaat hij er, gelet op het feit dat de vrouw ter zitting verklaard heeft dat zij

bereid is om medewerking te verlenen aan verkoop van de woning voor een hogere koopsom dan € 135.000,-, vanuit dat verdere procedures tussen partijen achterwege kunnen blijven.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering van de man af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.1

1 type: coll: