Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2018:1043

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
C/08/214129 / KG ZA 18-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter machtigt de man bij uitsluiting van de vrouw om namens de vrouw de brief te ondertekenen i.v.m. beëindiging van de overlijdensrisicoverzekering op het leven van de vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/214129 / KG ZA 18-47

Vonnis in kort geding van 20 maart 2018 (ES)

in de zaak van

[eiser] ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, hierna te noemen de vrouw,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 februari 2018 met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2018,

1.2.

Ter zitting heeft de vrouw verklaard de door de man bedoelde volmacht vrijwillig te zullen ondertekenen en mee te zullen werken aan wijziging van de overlijdensrisicoverze-kering. Bij brief van 12 maart 2018 heeft mr. Assink bericht dat de vrouw gedeeltelijk haar medewerking heeft verleend en verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] gehuwd. Bij beschikking van 17 maart 2016 is door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het op 15 februari 2016 door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking.

2.2.

De echtscheiding is op 11 april 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

In artikel 3 van het echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat de onroerende zaak aan de [A] , kadastraal bekend gemeente [A] wordt toegedeeld aan de man.

Deze toedeling is onder de voorwaarde dat de in artikel 3.3 van het convenant genoemde hypotheeknemer, de Rabobank Rijssen-Enter, de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de in artikel 3.3 genoemde hypothecaire geldlening.

2.4.

Partijen hebben een overlijdensrisicoverzekering bij Legal & General met polis-nummer [1] . In artikel 4.6 van het echtscheidingsconvenant is ten aanzien van deze verzekering het volgende bepaald:

"Polis(sen) van levensverzekering

4.6.

Tot het te verrekenen c.q. te verdelen vermogen behoort een overlijdensrisicoverzekering bij Legal & General met polisnummer [1] .

(…)

In verband met de overname van de woning zal de man bezien of hij deze overlijdensrisico verzekering voort wil zetten. Indien dat het geval is en de verzekeringsmaatschappij bereid is daaraan mee te werken zal de vrouw meewerken aan het splitsen van de polis en voorts meewerken aan de wijziging van de begunstiging van de polis van de man na splitsing, voor zover de man deze wil wijzigen.

De man zal, indien de verzekeringsmaatschappij bereid is om de polis te splitsen, eveneens meewerken aan de wijziging van de begunstigingen voor het deel van de polis van de vrouw na splitsing.

Indien de verzekeraar de polis niet wil splitsen heeft de man als eerst de keus de polis voort te zetten en de begunstiging te wijzigen. De vrouw verplicht zich door ondertekening van dit convenant daaraan mee te werken.

(…)

Levering van de rechten voortvloeiende uit de polis (na splitsing) aan degene aan wie de polis is toegedeeld vindt plaats door de ondertekening van dit convenant en de mededeling daarvan aan de verzekeringsmaatschappij(en). De mededeling wordt gedaan door degene aan wie de rechten zijn toegedeeld. Partijen machtigen elkaar hierbij onherroepelijk om de begunstiging van de aan de desbetreffende partij toekomende polis na splitsing te wijzigen. Partijen verplichten zich alle in verband met deze levering door de verzekeringsmaatschappij verlangde stukken te ondertekenen. Degene die de rechten van een polis aldus geleverd krijgt is gehouden alle aan deze polis verbonden kosten en verplichtingen voor zijn/haar rekening te nemen en te voldoen. (…)"

3 Het geschil

3.1.

De man vordert - samengevat:

I. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, mee te werken aan de akte van verdeling door middel van het ondertekenen van de volmacht tot verdeling ten overstaan van een aan [A notaris] te Enschede verbonden notaris, dan wel notarieel medewerker, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw daarmee in gebreke blijft nadat zeven dagen zijn verstreken na betekening van het te wijzen vonnis, tot een maximum van € 21.000,-;

II. de man bij uitsluiting van de vrouw te machtigen tot het ondertekenen van de akte van verdeling zoals deze als productie 4 aan de dagvaarding is gehecht en voor het overige al het nodige te doen dat nodig is om tot verdeling en levering over te kunnen gaan, vanaf het moment dat 4 weken zijn verstreken na betekening van het vonnis;

III. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan de wijziging van de overlijdensrisicoverzekering bij Legal & General met nummer [1] conform het in de dagvaarding gevorderde, door middel van het ondertekenen van de als productie 8 aan de dagvaarding gehechte brief gericht aan Scildon, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de vrouw daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,-;

IV. de man te machtigen om bij uitsluiting van de vrouw namens de vrouw de brief die als productie 8 aan de dagvaarding is gehecht te ondertekenen en daarmee de over-lijdensrisicoverzekering op het leven van de vrouw bij Legal & General, bekend onder polisnummer [1] , te beëindigen en de vrouw als verzekeringnemer van de polis te laten verwijderen, nadat vier weken zijn verstreken na betekening van het vonnis,

V. de vrouw te veroordelen in de proceskosten,

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 254, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende gevallen waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven.

4.2.

De man heeft de voorzieningenrechter laten weten dat de vrouw zoals toegezegd tijdens de mondelinge behandeling de volmacht voor de levering van het onroerend goed heeft ondertekend. Daarmee is aan onderdeel I van de vordering voldaan, zodat de man geen belang meer heeft bij een beslissing op dit onderdeel van zijn vordering en op onderdeel II.

4.3.

Wat resteert is een beslissing over de onderdelen III, IV en V van de vordering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad als door de man gevorderd wordt vereist. Uitgangspunt is dat eenieder van de deelgenoten ingevolge artikel 3:178 BW in beginsel ten allen tijde verdeling van de gemeenschappelijke goederen kan vorderen, omdat niemand kan worden verplicht in een onverdeelde boedel te blijven. De man heeft gesteld dat hij nog steeds de premie van de verzekering voldoet. Hij wil de over-lijdensrisicoverzekering graag overnemen en voortzetten, omdat hij bij het afsluiten van een nieuwe verzekering meer premie moet betalen. Artikel 4.6 van het echtscheidingsconvenant houdt in dat, indien de man de polis wil voortzetten, de vrouw verplicht is mee te werken aan de wijziging van de overlijdensrisicoverzekering. De vrouw heeft ter zitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de man de overlijdensrisicoverzekering wil overnemen en voortzetten. Zij heeft zich echter wel op het standpunt gesteld dat als er geld vrij komt, dit verdeeld dient te worden. De man heeft ter zitting verklaard dat de verzekeraar mee wil werken aan een overname en een voortzetting van de verzekering door de man.

Volgens de man komt er geen geld vrij uit die verzekering. De vrouw heeft vervolgens ter zitting verklaard mee te willen werken aan de wijziging. De voorzieningenrechter heeft daarom het vonnis aangehouden. Nu de man echter bij brief van 12 maart 2018 kenbaar heeft gemaakt dat de vrouw heeft geweigerd mee te werken aan de wijziging, zulks onder verwijzing naar een e-mail van het notariskantoor overgelegd waarin staat dat de vrouw de stukken inzake de overlijdensrisicoverzekering niet wilde ondertekenen, en de vrouw dus kennelijk, ondanks toezegging en zonder opgaaf van redenen, niet vrijwillig wil meewerken aan de wijziging, zal de voorzieningenrechter de man machtigen om namens de vrouw de brief die als productie 8 aan de dagvaarding is gehecht te ondertekenen en daarmee de overlijdensrisicoverzekering op het leven van de vrouw bij Legal & General, bekend onder polisnummer [1] te beëindigen en de vrouw als verzekeringnemer van de polis te laten verwijderen. Nu de man zelf wordt gemachtigd, heeft hij geen belang meer bij onderdeel III van de vordering, zodat dit gedeelte van de vordering wordt afgewezen.

4.4.

Gelet op hetgeen partijen ter zitting hebben afgesproken over de proceskosten en het feit dat de vrouw ondanks haar toezeggingen niet vrijwillig heeft meegewerkt, zal de voorzieningenrechter afwijken van het uitgangspunt om in familierelaties de proceskosten te compenseren. De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op € 1.000,-.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

machtigt de man, bij uitsluiting van de vrouw, namens de vrouw de brief, die als productie 8 aan de dagvaarding is gehecht, te ondertekenen en aldus de overlijdensrisico-verzekering op het leven van de vrouw bij Legal & General, bekend onder polisnummer [1] , te beëindigen en de vrouw als verzekeringnemer van de polis te laten verwijderen;

5.2.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man begroot op € 1.000,-;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op

20 maart 2018.