Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:972

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
ak_zwo_16_2323
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van planschade op grond van artikel 6:1 van de Wet ruimtelijke ordening wegens waardedaling woning als gevolg van het bestemmingsplan "Herontwikkeling Olieveld Schoonebeek Waterinjectielocaties Twente - Locatie Weerselo 2".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1271
AR 2017/2619
JBO 2017/100 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2017-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2323

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam] en [naam] , te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 (bekend gemaakt op 12 januari 2016) heeft verweerder een verzoek van eisers om vergoeding van planschade als gevolg van het bestemmingsplan “Herontwikkeling Olieveld Schoonebeek Waterinjectielocaties Twente – Locatie Rossum-Weerselo 2” afgewezen.

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 juni 2016 (verzonden op 23 juni 2016) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Op 26 september 2016 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.Y. Rutjes, medewerkster van de gemeente Dinkelland.

Overwegingen

Ontvankelijkheid beroep

1.1

In deze zaak dient de rechtbank in de eerste plaats te beoordelen of het beroep tijdig is ingesteld.

1.2

Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 7:12, tweede lid, wordt de beslissing op bezwaar bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden was gericht, dan wordt de beslissing bekendgemaakt op dezelfde wijze als waarop dat besluit bekendgemaakt is.

1.3

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5700, en 3 april 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BW1458, overweegt de rechtbank dat uit artikel 2:1 van de Awb voortvloeit dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met de belanghebbende in beginsel via de gemachtigde verloopt. Heeft het bestuursorgaan weet van het optreden voor de belanghebbende van een gemachtigde in een bepaalde zaak, dan zal de toezending van een besluit in die zaak uitsluitend aan de belanghebbende normaliter tot gevolg hebben dat er niet kan worden gesproken van een bekendmaking 'op de voorgeschreven wijze' als bedoeld in artikel 6:8 van de Awb, zodat de beroepstermijn niet is gaan lopen.

1.4

Nu het verweerder bekend was dat drs. Geerling, voornoemd, optrad als gemachtigde van eisers, had het bestreden besluit van 23 juni 2016 (ook) aan hem moeten worden toegezonden. Verweerder heeft dit in het verweerschrift ook erkend. Verweerder heeft het besluit echter in eerste instantie uitsluitend aan eisers zelf toegezonden, zodat op dat moment nog geen sprake was van bekendmaking op de in artikel 7:12, tweede lid, eerste volzin, van de Awb voorgeschreven wijze. De correcte bekendmaking heeft pas plaatsgevonden toen het bestreden besluit op 13 september 2016 alsnog aan de gemachtigde van eisers is toegezonden. Dat het besluit op deze datum is verzonden, zoals verweerder stelt, wordt door eisers niet betwist en is overigens ook aannemelijk nu het besluit blijkens de datumstempel op 14 september 2016 door SRK Rechtsbijstand is ontvangen.

1.5

Gelet op artikel 6:8 van de Awb is de beroepstermijn dan ook niet op 24 juni 2016, maar pas op 14 september 2016 gaan lopen en is deze geëindigd op 25 oktober 2016.

1.6

Nu het beroepschrift op 26 september 2016 per faxbericht is ingediend bij de rechtbank, is het tijdig ingediend. Het beroep is daarom ontvankelijk.

Bevoegd genomen besluit

2.1

In beroep hebben eisers gesteld dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, nu het niet is ondertekend. Hierdoor heeft verweerder in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 59a van de Gemeentewet juncto artikel 7:12 van de Awb.

2.2

De rechtbank kan eisers hierin niet volgen. Blijkens het getekende collegebesluit dat zich bij de stukken bevindt, heeft verweerder in zijn vergadering van 21 juni 2016 conform het B&W-advies van 13 juni 2016 op het bezwaar van eisers beslist. Dit besluit is vervolgens bij brief van 23 juni 2016 aan eisers en aan NAM B.V. (hierna: NAM) bekendgemaakt. Het besluit op bezwaar is daarom bevoegd genomen. Dat de kopie van het besluit op bezwaar die op 13 september 2016 aan de gemachtigde van eisers is toegezonden niet is ondertekend, maakt dat niet anders. Het enkele ontbreken van een handtekening is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat verweerder eisers niet serieus heeft genomen in hun planschadeverzoek.

Inhoudelijk

3.1

Eisers zijn sedert 4 februari 2003 eigenaren en bewoners van de woning [adres] te [woonplaats] . Hun perceel valt binnen het bestemmingplan “Buitengebied Weerselo” uit 1989.

In dit bestemmingsplan gold voor het perceel waarop de hierna onder 3.3 en 3.4 te bespreken partiële wijziging betrekking heeft, de bestemming “Nutsbedrijven, Gaswinning (Gw)”. Blijkens artikel 18, lid A, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan “Buitengebied Weerselo” was dit perceel bestemd voor voorzieningen ten behoeve van het algemeen nut in de categorie gaswinning met daarbij behorende bebouwing. Nadere regels waren hiervoor niet gegeven.

Ingevolge artikel 18, lid B, waren binnen deze bestemming toegestaan:

a. a) bebouwing met bedrijfsgebouwen met een maximale hoogte van 10 meter en met een maximum bebouwingspercentage van 25, en

b) andere bouwwerken met een maximale hoogte van 35 meter.

De oppervlakte van het perceel is circa 125 x 90 m = 11.250 m², zodat maximaal circa 2.800 m² aan bebouwing was toegestaan, met een hoogte van maximaal 10 meter.

3.2

Op 26 januari 2015 hebben eisers aan verweerder verzocht om toekenning van een vergoeding in schade op grond van artikel 6:1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) wegens waardedaling van hun woning als gevolg van het op 18 februari 2010 door de raad van de gemeente Dinkelland vastgestelde bestemmingsplan “Herontwikkeling Olieveld Schoonebeek Waterinjectielocaties Twente – Locatie Rossum-Weerselo”. Dit bestemmings-plan is op 23 april 2010 onherroepelijk geworden.

3.3

Het partiële bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de bestemming op het tegenover de woning van eisers gelegen perceel [adres] (hierna: het NAM-perceel), van

“Nutsbedrijven, Gaswinning (Gw)” in de bestemming “Bedrijf”. Ingevolge artikel 3 van de planregels behorende bij dit partiële bestemmingsplan zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor terreinen en voorzieningen ten dienste van het injecteren van water dat vrijkomt bij mijnbouwactiviteiten. Met betrekking tot de toegelaten bebouwing is bepaald dat de maximaal toegestane oppervlakte aan gebouwen 75 m² is en de bouwhoogte maximaal 4,5 meter mag zijn. Bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 5 meter.

3.4

Samenvattend kan worden geconcludeerd dat door het partiële bestemmingsplan op het NAM-perceel de mogelijkheid is gecreëerd voor de ombouw van een gaswinningslocatie in een injectiewaterlocatie. De bebouwingsmogelijkheden met gebouwen op het NAM-perceel zijn als gevolg van het partiële bestemmingsplan aanzienlijk verkleind, namelijk van circa 2.800 m² met een maximale bouwhoogte van 10 meter naar 75 m² met een bouwhoogte van maximaal 4,5 meter.

3.5

Verweerder heeft aan planschadeadviseur dr. J.W. van Zundert (hierna: Van Zundert) opdracht gegeven om advies uit te brengen over de aanvraag van eisers.

3.6

Op 2 december 2015 heeft Van Zundert advies uitgebracht aan verweerder, nadat partijen de gelegenheid hadden gehad om hun zienswijze ten aanzien van het conceptadvies in te dienen.

In het advies wordt geconcludeerd dat niet is gebleken van een causaal verband tussen de scheurvorming in en aan de woning van eisers en de bepalingen van het nieuwe bestemmingsplan, dat zich geen onevenredige verslechtering voordoet van het waardebepalende uitzicht vanuit en vanaf de woning van eisers, dat geen sprake is van een (verdere) aantasting van de privacy en dat evenmin aannemelijk is geworden dat er een toename is van geluidsoverlast. De waarde van de woning van eisers is volgens Van Zundert dan ook niet onevenredig gedaald als gevolg van de bestemmingsplanwijziging. Hij adviseert daarom de aanvraag om tegemoetkoming in planschade af te wijzen. Van Zundert heeft zijn advies mede gebaseerd op een rapport dat op 30 oktober 2015 door Adviesbureau Arcadis op verzoek van de NAM is uitgebracht op basis van een onderzoek naar mogelijke schade als gevolg van de injectie van oliewater in de omgeving van de [adres] in [woonplaats] .

3.7

Bij het primaire besluit van 12 januari 2016 heeft verweerder onder verwijzing naar en met overneming van het advies van Van Zundert besloten de aanvraag van eisers af te wijzen. Deze afwijzing heeft verweerder na heroverweging in bezwaar bij het bestreden besluit gehandhaafd.

4. Eisers kunnen zich niet met verweerders besluit verenigen. In beroep hebben zij – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

a. aan het besluit van verweerder ligt geen onafhankelijk planschaderapport ten grondslag. Verweerder heeft daarom in strijd gehandeld met artikel 4 van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2009 (hierna: de Procedureverordening) en heeft dit bij de heroverweging in bezwaar niet hersteld door bijvoorbeeld alsnog een andere planschadeadviseur aan te wijzen. Evenmin is gebleken dat verweerder overeenkomstig artikel 5 van de Procedureverordening daaromtrent op correcte en concrete wijze overleg heeft gevoerd met eisers in hun hoedanigheid van aanvragers om een tegemoetkoming in geleden planschade;

b. verweerder heeft nagelaten de aantasting van het woon- en leefklimaat door de nadelige bodem- en milieugevolgen en de risico’s van de injectie van afvalwater voor de omgeving bij de planschade-aanvraag te betrekken;

c. verweerder heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te stellen dat de scheurvorming in de woning van eisers niet via de weg van planschade tot een tegemoetkoming kan leiden. Als gevolg van het injecteren van oliehoudend afvalwater hebben zich bodemkundige veranderingen voorgedaan die voorheen op grond van het oude bestemmingsplan niet mogelijk waren geweest. Er is daarom sprake van een causaal verband tussen de planologische wijziging en de scheurvorming in de woning van eisers;

d. uit persberichten blijkt dat verweerder inmiddels het standpunt inneemt dat het injecteren van afvalwater in de bodem beter niet kan worden hervat, en in verband daarmee een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend om (her)ingebruikname van de injectiewatertransportleiding tussen de locaties De Hulte en Rossum Weerselo-Centraal te voorkomen.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt.

5.2

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college degene die in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

5.3

Bij de beoordeling van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon respectievelijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

5.4

Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), gepubliceerd onder ECLI:NL:RVS: 2010:BL6224, mag een bestuursorgaan een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade baseren op een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige, indien uit dat advies blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies van dat advies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank is Van Zundert te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade, zodat verweerder in beginsel op een door Van Zundert uitgebracht advies mag afgaan, tenzij blijkt dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of daaraan anderszins gebreken kleven. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank hier niet gebleken.

5.6

Eisers zijn, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, van mening dat verweerder de bezwaargrond onderschrijft dat met de NAM als opdrachtgever voor het planschaderapport geen sprake is van een onafhankelijk rapport dat aan een bestuursrechte-lijk besluit ten grondslag kan worden gelegd. Verweerder had volgens eisers een ander extern planschadeadviesbureau moeten verzoeken om onderzoek te verrichten naar de planologische verslechteringen die gaan optreden als gevolg van de vaststelling van voornoemd bestemmingsplan.

5.7

De rechtbank volgt eisers hierin niet. Allereerst is de opdracht voor het planschade-rapport niet door de NAM verstrekt, maar door verweerder. Het feit dat Van Zundert het onderzoeksrapport dat door Arcadis op verzoek van de NAM is uitgebracht heeft betrokken bij zijn planschadeadvies, maakt dat niet anders. Daarnaast is er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verantwoording van de opzet en de werkwijze van Arcadis, geen reden om te twijfelen aan de uitkomsten van het door dit adviesbureau uitgevoerde onderzoek. Eisers hebben hun kritiek op het onderzoek van Arcadis overigens ook niet nader geconcretiseerd.

5.8

Eisers stellen voorts dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 4 van de Procedureverordening en dit niet in de heroverwegingsfase op een juiste wijze heeft gecorrigeerd door bijvoorbeeld alsnog een andere planschadeadviseur aan te wijzen. Ook is niet gebleken dat verweerder, zoals bepaald in artikel 5 van deze verordening, daaromtrent op correcte en concrete wijze overleg heeft gevoerd met eisers in hun toenmalige hoedanigheid van aanvragers van een tegemoetkoming voor geleden planschade.

5.9

De rechtbank volgt eisers hierin evenmin. Artikel 4 van de Procedureverordening heeft betrekking op de deskundigheid en onafhankelijkheid van de planschadeadviseur. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is er geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van Van Zundert. Verder moet Van Zundert ook als een onafhankelijk adviseur worden beschouwd, omdat hij niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de gemeenteraad of het college en hij ook niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Er bestond daarom geen aanleiding voor verweerder om met het oog op de heroverweging in bezwaar een andere planschadeadviseur aan te wijzen.

5.10

Artikel 5 van de Procedureverordening heeft betrekking op betrokkenheid van de aanvrager en andere belanghebbenden bij de aanwijzing van de adviseur of adviescommissie. Van een zodanige betrokkenheid is hier niet gebleken. Bovendien hebben eisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om Van Zundert als planschadeadviseur te wraken.

5.11

Samenvattend geeft hetgeen eisers in beroep naar voren hebben gebracht de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder het advies van Van Zundert niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen of dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de Procedureverordening.

5.12

Eisers voeren aan dat het met het nieuwe bestemmingsplan planologisch mogelijk is geworden om oliehoudend afvalwater in de bodem te injecteren bij deze voormalige winningslocatie voor gas. Het gaat hier volgende eisers om het zich ontdoen van afvalstoffen. Daarmee is sprake van het planologisch bestemmen van een bepaald perceel, namelijk het perceel exact tegenover de woning van eisers, tot een locatie voor het (ondergronds) storten van afvalstoffen of een stortplaats. Onder het voorafgaande planologisch regime was een dergelijke gebruiksmogelijkheid ter plaatse niet aanwezig. Deze verandering moet naar de mening van eisers als een planologische verslechtering worden gekwalificeerd ten opzichte van de gebruiksmogelijkheden die het daaraan voorafgaande bestemmingsplan bood.

5.13

Nu verweerder de bezwarencommissie volgt in het in haar advies weergegeven standpunt dat bepalingen uit een (nieuw) bestemmingsplan die rechtstreekse en duurzame gevolgen voor de aard en de samenstelling van de bodem hebben van ruimtelijk relevant belang zijn, had het naar de mening van eisers op de weg van verweerder gelegen om de gevolgen als zodanig in de planschadeaanvraag te betrekken. Ter hoorzitting op 17 mei 2016 hebben eisers dat ook benadrukt, doch verweerder heeft daar geen overwegingen aan gewijd in de beslissing op bezwaar.

5.14

Eisers zijn ermee bekend dat de scheurvorming in hun woning als zodanig geen schade is die valt onder werking van planschade en derhalve niet via die weg tot een tegemoet-koming kan leiden. Verweerder heeft naar hun mening echter blijk gegeven van een rechtens onjuiste opvatting door dit specifieke voorval niet als zodanig in de planschadebeoordeling te betrekken in die zin dat als gevolg van het injecteren van oliehoudend afvalwater zich bodemkundige veranderingen hebben voorgedaan die voorheen op grond van het toenmalige bestemmingsplan niet mogelijk waren. Verweerder heeft volgens eisers in dat kader niet kunnen ontkrachten dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de bestemmingsplan-wijziging, het gebruik onder het veranderde bestemmingsplan en de gevolgen die uit dat gebruik voortkomen en zich hebben geuit in de vorm van fysieke schade aan de opstallen van eisers. Naar de mening van eisers is deze schade daarmee planologisch vergelijkbaar met een toename van af- en aanrijdend verkeer naar een nieuwe woonwijk wanneer deze in een bestemmingsplan als woonbestemming is opgenomen op een locatie die voorheen bijvoorbeeld een groenbestemming had, en die omstandigheid zich toen niet voordeed.

5.15

Voor zover verweerder de planschadeadviseur volgt in zijn advies of oordeel dat die schade het gevolg is van de slechte waterdoorlatendheid van de bodem en te geringe ontwateringsmogelijkheden in de omgeving, kan volgens eisers daaruit al op voorhand de conclusie worden getrokken dat de bodem niet geschikt is voor de planologische mogelijkheden waarin het bestemmingsplan uit 2010 voorziet.

5.16

De rechtbank is van oordeel dat uit het planschadeadvies van Van Zundert blijkt dat bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie, de bepalingen van het bestemmingsplan die rechtstreekse en duurzame gevolgen hebben voor de aard en samen-stelling van de bodem, als ruimtelijk gevolg zijn aangemerkt. Hiermee is ook rekening gehouden in het advies van de bezwarencommissie. Verweerder heeft dan ook – anders dan door eisers is betoogd – niet nagelaten de mogelijke aantasting van het woon- en leefklimaat door eventuele nadelige bodem- en milieugevolgen en mogelijke risico’s van de injectie van afvalwater voor de omgeving bij de planschade-aanvraag te betrekken.

5.17

Het onderzoek van Arcadis heeft zich gericht op de woningen die het dichtst bij de NAM-locatie Rossum Weerselo 2 staan, waaronder de woning van eisers. Bij die woningen is milieukundig, bodemkundig, hydrologisch en bouwkundig onderzoek uitgevoerd. De eindconclusie van het rapport is dat uitgesloten kan worden dat de schades aan de onderzochte gebouwen in het onderzoeksgebied nabij de NAM-locatie een gevolg zijn van de gaswinning en waterinjectie in dit gebied. Ook de kans dat andere gebouwen in het onderzoeksgebied schade hebben ondervonden ten gevolge van de activiteiten van de NAM is volgens Arcadis verwaarloosbaar. De scheurvorming in de woningen wordt voornamelijk veroorzaakt door zettingen en ongelijkmatige zetting in de ondiepe ondergrond. De zeer wisselende en voor zetting gevoelige bodemopbouw is hier debet aan. In een aantal gevallen wordt dit probleem versterkt door constructieve factoren, die vaak zijn ontstaan door verbouwingen.

5.18

Uit het onderzoek van Arcadis blijkt verder dat de hoge grondwaterstanden rond de woningen niet worden veroorzaakt door de waterinjectie maar het gevolg zijn van de slechte waterdoorlatendheid van de bodem en de te geringe ontwatering van het gebied. De bodem rond de woningen is blijkens het onderzoek van Arcadis niet verontreinigd en de bodem-kwaliteit is evenmin beïnvloed door de waterinjectie of door de winning van aardgas.

5.19

Van Zundert heeft op basis van de bevindingen van Arcadis in zijn planschade-advies geconcludeerd dat niet is gebleken van een causaal verband tussen de door eisers genoemde schadefactoren en de bepalingen van het nieuwe bestemmingsplan. De waarde van de woning van eisers is volgens Van Zundert dan ook niet onevenredig gedaald door de bestemmingswijziging als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan.

5.20

De rechtbank is van oordeel dat het advies van Van Zundert voldoende inzicht geeft in de door hem gevolgde redenering en dat zijn conclusies aansluiten bij de bevindingen van Arcadis. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder het advies van Van Zundert niet aan zijn beslissing ten grondslag mocht leggen.

5.21

Hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, nu hetgeen zij naar voren hebben gebracht niet is onderbouwd. Zo hebben eisers geen deskundig tegenrapport overgelegd waarin steun kan worden gevonden voor hun standpunten.

5.22

Voor zover de waarde van de woning van eisers is gedaald door de maatschappelijke onrust en discussie die is ontstaan omtrent het injecteren van afvalwater in de bodem, merkt de rechtbank op dat daarmee niet gesteld kan worden dat er sprake is van schade, die het gevolg is van een planologische verslechtering. Een dergelijke waardedaling kan dan ook niet worden meegenomen in de planschadeprocedure.

5.23

In een aanvullend beroepschrift van 17 oktober 2016 hebben eisers nog naar voren gebracht dat verweerder blijkens een publicatie op de gemeentelijke website inmiddels het standpunt heeft ingenomen dat het injecteren van afvalwater in de bodem beter niet kan worden hervat. Verweerder heeft dienaangaande een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.

5.24

Dit betoog leidt niet tot het kennelijk beoogde doel. Het bedoelde schorsingsverzoek zag op instemmingsbesluiten voor de ingebruikname van een pijpleiding tussen Schoonebeek en Twente en niet op het injecteren van afvalwater in de bodem. Voor de beoordeling van het planschadeverzoek van eisers is dit niet relevant.

5.25

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het verzoek van eisers om tegemoetkoming in planschade terecht afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. D. Hardonk-Prins en mr. A.J.G.M. van Montfort, leden, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.