Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:964

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
C/08/193676 / FA RK 16-2720
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag ouders over hun vier kinderen en benoeming Leger des Heils tot voogd.

Herstelbeschikking vanwege onjuiste uitspraakdatum: ECLI:NL:RBOVE:2017:965.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/193676 / FA RK 16-2720

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 18 januari 2016

inzake

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Noord Nederland,

Locatie Groningen,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger],

gevestigd te Groningen,

verzoeker,

hierna ook de Raad te noemen,

en

[moeder] ,

verder te noemen: de moeder,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

belanghebbende,

en

[vader] ,

verder te noemen: de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

advocaat mr. D.P.J. Cain te Venlo,

belanghebbende.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, verder de GI te noemen, gevestigd te Groningen.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoekschrift van de Raad van 9 november 2016 met als bijlage onder meer zijn op 2 november 2016 gedateerde rapport, binnengekomen op 10 november 2016;

- een op 10 november 2016 binnengekomen brief van de Raad van 9 november 2016;

- een schriftelijke bereidverklaring van de GI van 1 november 2016 betreffende de

voogdij over de hierna vermelde minderjarigen;

- een op 16 november 2016 binnengekomen faxbericht van de Raad van diezelfde datum met bijlage;

- een op 28 november 2016 binnengekomen faxbericht van de Raad van diezelfde datum met bijlagen;

- een aanvullend (subsidiair) verzoekschrift van de Raad van 15 december 2016 met bijlage, binnengekomen op diezelfde datum;

- een op 16 december 2016 binnengekomen faxbericht van de Raad van diezelfde datum met bijlagen.

De hierna onder 1 vermelde minderjarige is de gelegenheid gesteld om zijn mening aan de kinderrechter kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op

21 december 2016. Ter zitting zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door mr. E. Gorsselink en door de heer Mahmutović, tolk Servisch,
- R.C.N. Wouters, namens de Raad,
- mevrouw De Gries en mevrouw Overbeek, namens de GI.

De moeder – hoewel behoorlijk opgeroepen via de Staatscourant – is niet in persoon

ter zitting verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen.

De feiten

De vader en de moeder zijn op 2 november 2011 te [plaats] , Servië, met elkaar gehuwd.

De vader en de moeder hebben de Servische nationaliteit.

Tijdens de niet huwelijkse relatie van de vader en de moeder zijn de volgende minderjarige kinderen van de vader en de moeder geboren:

  1. [kind 1] , verder te noemen [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] , Servië, op [geboortedatum] 2004,

  2. [kind 2] , verder te noemen [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] , Servië, op [geboortedatum] 2007,

  3. [kind 3] , verder te noemen [kind 3] , geboren te [geboorteplaats] , Servië, op [geboortedatum] 2009.

Tijdens het huwelijk van de vader en de moeder is het volgende minderjarige kind van de vader en de moeder geboren, te weten [kind 4], verder als [kind 4] aangeduid, geboren te [geboorteplaats] , Duitsland, op [geboortedatum] 2014.

Omdat de vader en de moeder als ouders van alle voornoemde minderjarigen staan vermeld in de geboorteakten van die minderjarigen, gaat de rechtbank ervan uit dat zij gezamenlijk het gezag over alle voornoemde minderjarigen uitoefenen op grond van artikel 75, eerste lid, van de Servische Familiewet.

[kind 4] is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 13 september 2016 met ingang van 13 september 2016 tot 13 december 2016 voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Noord, welke instelling bij beschikking van de kinderrechter in die rechtbank van 20 september 2016 is vervangen door de GI.

Bij beschikking van 13 september 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord Nederland, locatie Groningen, tevens een machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige [kind 4] in een voorziening voor pleegzorg, ingaande 13 september 2016 voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden.

Bij beschikking van 13 december 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord Nederland, locatie Groningen, de minderjarige [kind 4] met ingang van 13 december 2016 onder toezicht gesteld van de GI tot 13 december 2017.

Bij beschikking van 13 december 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord Nederland, locatie Groningen, tevens een machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige [kind 4] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden.

[kind 1] verbleef sinds 13 september 2016 samen met [kind 2] in hetzelfde pleeggezin, maar verblijft sinds kort op een crisisplek.

[kind 2] verblijft sinds 13 september 2016 in een pleeggezin.

[kind 4] en [kind 3] verblijven beiden sinds 13 september 2016 samen in een ander pleeggezin.

Het verzoek

De Raad verzoekt primair de rechtbank het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarigen te beëindigen en stelt voor om de GI tot voogd te benoemen. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad stelt dat de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en de ouders niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn.

De Raad verzoekt subsidiair de minderjarigen [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden en een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van twaalf maanden af te geven om [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

De standpunten van de belanghebbenden

In het raadsrapport is te lezen dat het de vader pijn doet dat hij al geruime tijd geen contact meer heeft met de minderjarigen. Hij wil graag contact hebben met de minderjarigen. Hij is dubbelzinnig over het door de Raad bij de rechtbank in te dienen verzoek. Hij wil het liefste zo spoedig mogelijk terug naar Servië om een plek te vinden om te overwinteren. Blijkens het rapport begrijpt de vader dat de Raad een verzoek bij de rechtbank indient tot beëindiging van het gezag van de ouders over de minderjarigen. Hij geeft aan dat hij altijd de vader van de minderjarigen zal blijven, maar hen niets te kunnen bieden.

Ter zitting van de rechtbank heeft de vader wel verweer gevoerd tegen het door de Raad primair verzochte. Hij acht de beëindiging van zijn gezag over de minderjarigen niet in hun belang. Hij wil dat de minderjarigen uiteindelijk weer bij hem komen wonen. Hij is bang dat, indien hij het land zou worden uitgezet, hij de minderjarigen niet meer zal kunnen zien. Hij heeft er geen bezwaar tegen, indien de minderjarigen voorlopig in een pleeggezin verblijven. Hij refereert zich dan ook aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door de Raad subsidiair verzochte ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. De beëindiging van het gezag is volgens de vader niet aan de orde en aan de wettelijke criteria voor beëindiging wordt zijns inziens niet voldaan.

In het raadsrapport is te lezen dat de moeder graag contact met de minderjarigen wil hebben. De moeder blijft bij haar beslissing dat de minderjarigen in Nederland dienen te blijven. De moeder verwacht naar Duitsland te worden uitgezet om vervolgens richting Servië te vertrekken. De moeder begrijpt dat de Raad een verzoek bij de rechtbank indient tot beëindiging van het gezag van de ouders over de minderjarigen. De moeder stelt het hiermee eens te zijn. In het Raadsrapport is tevens te lezen dat het COA de moeder heeft aangeboden om door middel van een advocaat een procedure te starten om de minderjarigen terug te krijgen, maar dat de moeder om haar moverende redenen daarvan geen gebruik wenst maken.

De moeder heeft, hoewel door de rechtbank daartoe in de gelegenheid gesteld, bij de rechtbank niet van bezwaren tegen het door de Raad verzochte doen blijken.

In het Raadsrapport is te lezen dat [kind 1] heeft aangegeven in het pleeggezin te willen blijven wonen. Hij heeft aangegeven niet meer bij zijn ouders te willen wonen, maar wel het contact met de beide ouders te willen blijven behouden.

[kind 1] is de gelegenheid gesteld om zijn mening aan de kinderrechter kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

De GI staat achter het verzoek van de Raad en heeft zich bereid verklaard de voogdij over de voornoemde minderjarigen uit te oefenen.

De beoordeling

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in deze zaak, omdat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland. Deze rechtbank heeft aanleiding gezien om kennis te nemen van dit verzoek.

Op het verzoek wordt Nederlands recht toegepast.

Het wettelijk criterium

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

Gelet op het bepaalde in artikel 3,7, 9 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) overweegt de rechtbank dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

Het oordeel

Uit de stukken blijkt dat de voornoemde minderjarigen hun hele leven lang zijn geconfronteerd met onder meer ernstige tekortkomingen in hun basisbehoeften (onderdak, medische zorg, toezicht vanuit opvoeders, affectie etc.), en zijn blootgesteld aan (fysieke en emotionele) onveiligheid, instabiliteit en (fysieke, emotionele en pedagogische) verwaarlozing.

Zij zijn veelvuldig getuige geweest van het huiselijk geweld tussen de beide ouders. Daarnaast zijn ze zelf veelvuldig slachtoffers geweest van verbaal (schreeuwen, dreigen) en fysiek (slaan, schoppen, aan haren trekken) geweld, gepleegd door ouders. De minderjarigen zagen daarnaast hoe de anderen geslagen werden en hebben elkaar getracht te beschermen. De minderjarigen lijken ernstig getraumatiseerd te zijn.

De pleeggezinnen en de crisisplek komen op dit moment tegemoet aan de behoeften van de

minderjarigen en bieden hen de zorg, veiligheid, stabiliteit, affectie en voorspelbaarheid

die ze nooit hebben gekend.

Het zal nog moeten blijken welke effecten de belaste voorgeschiedenis zal hebben op

de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen en hun gedrag in de toekomst.

[kind 1] is boos en gekwetst. Hij wilde eerder, ook in Duitsland, uit huis geplaatst worden. [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] missen hun moeder en wensen bij haar te zijn.

In het raadsonderzoek is aangetoond dat de beide ouders (pedagogisch) onmachtig zijn om

de minderjarigen datgene te bieden wat ze nodig hebben voor een gezonde ontwikkeling. De beide ouders, die zelf als kinderen een zwervend leven hebben geleid, lukte het niet om met de minderjarigen een stabiele woonsituatie te vormen en hen tegemoet te komen in hun basisbehoeften (zorg, veiligheid, stabiliteit, voorspelbaarheid, affectie). Dit heeft geleid tot zwerven, vele woonplekken voor de minderjarigen en meerdere asielaanvragen in Duitsland in de periode tussen 2012 en 2016. Ook thans, nadat ieder der ouders in een ander asielzoekerscentrum in Nederland heeft verbleven, hebben de ouders op dit moment geen bekende verblijfplaats en dreigen zij Nederland te worden uitgezet. De beide ouders beschikken niet over voldoende affectieve en pedagogische vaardigheden om de minderjarigen op een juiste wijze te sturen, begeleiden en ondersteunen en veiligheid te bieden. Ze zijn onvoorspelbaar in hun gedrag richting de minderjarigen en straffen de minderjarigen buiten proporties wanneer ze de kinderen als ‘lastig en onhandelbaar’ ervaren. De ouders zien niet in dat het gedrag van de minderjarigen veroorzaakt en in stand gehouden wordt door hun aanpak en onvermogen om de minderjarigen continuïteit en rust in hun woonsituatie te bieden.

Op basis van de actuele situatie, mogelijkheden van ouders en voorgeschiedenis

van schadelijk ouderlijk handelen, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de beide ouders niet in staat zijn om binnen een aanvaardbare termijn zelf adequaat de verantwoordelijkheid te nemen voor de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen. De ouders zijn onmachtig en ongeschikt gebleken om de minderjarigen datgene te bieden wat ze nodig hebben. De minderjarigen groeiden jarenlang op in een verwaarlozende opvoedingssituatie.

Daarnaast is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarigen is om weer te moeten verhuizen en reizen met het risico dat ze weer op straat terecht komen en wederom blootgesteld worden aan (ernstige) mishandelingen en verwaarlozing.

De moeder heeft aangegeven de zorg en de opvoeding van de minderjarigen niet

op zich te kunnen nemen en hen geen goede toekomst te kunnen bieden. Zij wenst dat de kinderen in Nederland blijven, ook al weet de moeder dat zij mogelijk uitgezet zal worden.

Tijdens het Raadsonderzoek heeft de vader dit ook aangevoerd, maar ter zitting heeft de vader aangevoerd dat hij het liefste op termijn zelf weer voor de minderjarigen wil gaan zorgen. De oudste drie minderjarigen hebben tijdens het raadsonderzoek echter verklaard niet bij hun vader te willen wonen.

Het perspectief van de kinderen ligt elders, althans buiten het gezin van de moeder en de vader, waardoor de rechtbank van oordeel is dat een maatregel ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing, die in het onderzoek overwogen zijn, niet de geëigende maatregelen zijn om de minderjarigen te beschermen. Op basis van de informatie, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk om [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] allereerst te beschermen tegen hun pedagogisch onmachtige ouders en hun een veilige plek in Nederland te verzekeren, waar ze inmiddels langzamerhand ingroeien.

De rechtbank is dan ook overeenkomstig het verzoek van de Raad van oordeel dat het gezag van de beide ouders over de voornoemde minderjarigen dient te worden beëindigd.

Beëindiging van het gezag van de ouders over de minderjarigen betekent overigens niet dat er geen contact tussen de ouders en de minderjarigen zal zijn, noch dat zij niet meer over belangrijke zaken met betrekking tot de minderjarigen zullen worden geïnformeerd.

Het is wel van groot belang dat de minderjarigen, voor zover het nog mogelijk is, hun ouders

kunnen zien en dat er in de toekomst gekeken wordt naar mogelijkheden voor

contact tussen de minderjarigen en hun ouders, mochten de ouders uitgezet worden. Daarbij is de draagkracht van de minderjarigen leidend.

De rechtbank begrijpt dat het gezag voor de ouders een emotionele betekenis heeft, maar de rechtbank is van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of het gezag van de ouders gehandhaafd dient te worden of niet, het belang van de minderjarigen zwaarder dient te wegen dan de belangen van de ouders. De rechtbank wijst er in dit kader op dat de

ouders – ondanks de beëindiging van het gezag – de ouders van de minderjarigen blijven.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over de minderjarigen komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De Raad heeft verzocht de GI als voogd te benoemen. Nu de GI de bereidheid heeft om met de voogdij over de minderjarigen te worden belast, zal de rechtbank als volgt beslissen.

Nu het primaire verzoek van de Raad wordt toegewezen door de rechtbank, kan het door de Raad subsidiair verzochte verder onbesproken blijven.

De beslissing

De rechtbank:

I. beëindigt het gezag van de ouders:
- [vader], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , Joegoslavië, (Servië), en
- [moeder], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Joegoslavië, (Servië),

over de minderjarige kinderen:

  1. [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] , Servië, op [geboortedatum] 2004,

  2. [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] , Servië, op [geboortedatum] 2007,

  3. [kind 3] , geboren te [geboorteplaats] , Servië, op [geboortedatum] 2009;

  4. [kind 4] , geboren te [geboorteplaats] , Duitsland, op [geboortedatum] 2014.

II. benoemt over deze minderjarigen tot voogd:
- de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Groningen;

III. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

IV. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. H.T. Pos, mr. H.F.J.M. Schröder en mr. E.F. Smeele en is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2016 in tegenwoordigheid van C. van Leeuwen, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die Raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.