Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:955

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
08/952109-16 en 21-008495-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft vanwege zijn frustratie over de beëindiging van zijn discotheek in de jaren tachtig een molotovcocktail in de richting van de woning van de burgemeester van Rijssen-Holten gegooid.

Deskundigen achten de kans op herhaling zodanig hoog dat het opleggen van een tbs-maatregel geïndiceerd is.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden en legt daarnaast de maatregel van TBS met dwangverpleging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers (P): 08/952109-16 en 21-008495-13 (tul)

Datum vonnis: 3 maart 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. Overijssel, Huis van Bewaring Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 mei 2016, 1 juli 2016, 16 september 2016 en 17 februari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. van Roermund en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: brand heeft gesticht bij de woning van de burgemeester van Rijssen-Holten, waardoor gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstond;

feit 2: in Hengelo (O) auto’s in brand heeft gestoken, waardoor gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstond, subsidiair dat verdachte auto’s vernield heeft.

Voluit luidt de – gewijzigde – tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2016 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

opzettelijk brand heeft gesticht bij/tegen een woning ( [adres] )

door een voorwerp (met een aansteker) in brand te steken en/of dat brandende

voorwerp tegen en/of nabij die woning te gooien of te plaatsen

althans open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof,

ten gevolge waarvan een vogelhuisje en/of een raamkozijn en/of een ruit en/of

een of meer andere goederen

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inboedel van die woning

en/of aangrenzende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor [slachtoffer 1] en/of de echtgenote van die [slachtoffer 1] en/of een

of meer buurtbewoners in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] en/of die

echtgenote van die [slachtoffer 1] en/of die buurtbewoner(s),

in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 januari 2016 tot en met 26 januari 2016 (in de Staringstraat) te Hengelo, althans in de gemeente Hengelo (0) (telkens) opzettelijk brand hebben gesticht door (telkens) (een) voorwerp(en) (met een aansteker) in brand te steken en/of die/dat brandende voorwerp(en) op (de motorkap van) (een) auto’(s) te gooien of te plaatsen, althans door (telkens) open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen) ten gevolgen waarvan die auto (‘s) (te weten onder meer Nissan ( [kenteken 1] ), Toyota ( [kenteken 2] ), Peugeot ( [kenteken 3] )), telkens geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, en daarvan

gemeen gevaar voor (een) andere auto (‘s) in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [slachtoffer 2] en/of voor [slachtoffer 3] en/of voor [verdachte] en/of voor een ander of anderen en/of levensgevaar voor [slachtoffer 2] en/of voor [slachtoffer 3] en/of voor [verdachte] en/of voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] en/of voor [slachtoffer 3] en/of voor [verdachte] en/of voor een ander of anderen te duchten was;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgens, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

5 januari 2016 tot en met 26 januari 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O)

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een of meer auto(s), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) [slachtoffer 2]

en/of aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, met aftrek van het voorarrest, en tot de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] voor wat betreft het materiële gedeelte, met referte voor zover de vordering ziet op het immateriële deel, en [slachtoffer 3] als geheel, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs 1

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken.

5.1

Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Volgens de officier van justitie volgt uit de camerabeelden van de woning van de burgemeester dat de auto waaruit de brandstichter stapt, een zodanig specifiek model Peugeot 108 is, dat het – gecombineerd met het onderzoek naar het kenteken, dat deels op de camerabeelden te zien is – niet anders kan zijn dan dat het de auto is waarover verdachte op dat moment de beschikking had. Verder herkent een verbalisant voor 100% verdachte als de persoon die een brandend voorwerp in de richting van die woning gooit. In genoemde auto wordt een hoge concentratie vluchtige organische stof aangetroffen. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) concludeert dat het gaat om motorbenzine. De genomen monsters van de brandresten op de tegels voor genoemde woning bevatten volgens het NFI eveneens (ingedampte) motorbenzine. Het is waarschijnlijker dat de motorbenzine in de monsters van dezelfde partij is dan dat de motorbenzine van verschillende partijen is. Ten slotte heeft verdachte wisselend verklaard, waarbij hij onder meer in een naar de officier van justitie en de rechtbank gestuurde brief de brandstichting heeft bekend. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting, waardoor er sprake was van levensgevaar voor de bewoners dan wel van het gevaar dat zij zwaar gewond zouden raken.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de vermeende herkenning van verdachte op de camerabeelden niet nader is geconcretiseerd, wat ook niet verbazingwekkend is aangezien de figuur die zichtbaar is, slechts enkele seconden in beeld is. Op de veiliggestelde kleding van verdachte zijn geen brand versnellende resten of middelen aangetroffen. Daarbij wijkt de jas van de dader, die een verbalisant beschrijft aan de hand van de (bewerkte) beelden, af van de jas die onder verdachte in beslag genomen is. Het onderzoek naar de auto van de dader en het kenteken is te beperkt geweest. Niet is vastgesteld dat verdachte benzine in de auto die hij ter beschikking had heeft vervoerd of gemorst. Dat hij kilometers verder dan de burgemeesterswoning in een tankstation is waargenomen, levert evenmin het wettige en overtuigende bewijs op dat verdachte de brandstichter is. Ten slotte heeft slechts een vogelhuisje vlam gevat en gingen een regenpijp en een krans aan de buitenmuur niet in vlammen op, zodat er geen sprake is geweest van reëel gevaar voor de woning, de bewoners, aangrenzende woningen en buurtbewoners. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van dit feit.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op 13 februari 2016 in de ochtend ontdekt burgemeester [slachtoffer 1] van de gemeente Rijssen-Holten dat aan de voorkant van zijn woning, welke deels met riet gedekt is, een thermopane ruit van de keuken is gebarsten, dat een vogelhuisje in de voortuin – op 50 cm afstand van een raamkozijn – verbrand is en dat het houten raamkozijn is zwart geblakerd. Het burgemeestersechtpaar heeft niets van de kennelijk in de voorgaande nacht ontstane brand gemerkt. De heer [slachtoffer 1] doet vervolgens aangifte van brandstichting.2 Bij forensisch sporenonderzoek wordt geconstateerd dat de brandhaard zich bevond op de tegels voor het keukenraam en dat de buitenzijde van de dubbelglasruit hitte barsten vertoonde. De verf van het draairaam was aangetast door de hitte. Een houten vogelhuisje dat dicht bij de gevel stond had gebrand. De dakgoot boven het keukenraam was eveneens aangetast door het vuur. Gerelateerd wordt dat het vuur zich had kunnen uitbreiden via de ruit van het keukenraam en de dakgoot en het achtergelegen dakbeschot.3 Bij het onderzoek naar de dader wordt in overleg met de burgemeester een lijst met “potentials” opgesteld, dat wil zeggen een lijst van mogelijke daders van de brandstichting. Eén van de namen die de burgemeester noemt is die van verdachte, die reeds twee keer is veroordeeld voor stalking van de burgemeester. Verdachte is het oneens met het in de jaren 80 genomen besluit van de gemeente Rijssen om zijn discotheek in die gemeente te sluiten en wil daarover al jaren in gesprek met de (diverse) burgemeesters van Rijssen.4

De burgemeesterswoning is voorzien van camera’s. Op de camerabeelden is te zien dat op

13 februari 2016 rond 02.16 uur een auto aan komt rijden. De auto stopt ter hoogte van genoemde woning. Er stapt een manspersoon uit de auto. Deze persoon loopt om de achterkant van de auto, steekt iets aan dat hij in zijn linkerhand draagt en gooit dit voorwerp richting de woning. Het voorwerp komt terecht bij een vogelhuisje, dat tegen de woning staat, waarna de vlammen direct tot boven de dakgoot reiken.5 Vervolgens stapt hij in de auto en rijdt weg. Verbalisant constateert dat deze auto donkerkleurig is en dat de buitenspiegels afwijken qua kleur.6 Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een verbalisant aan de hand van de beelden concludeert dat de brandstichter zich verplaatste in een donkerkleurige Peugeot 108: de verbalisant herkende de auto aan de vorm van de koplampen, de achterlichten, de velgen en de grille.7 Een andere verbalisant verklaart dat hij de persoon op de camerabeelden aan de houding, de manier van lopen, het postuur, de bewegingen, de lengte en de bril voor 100% herkent als [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats]. Enkele dagen daarvoor heeft verbalisant verdachte in een ander onderzoek, waarbij sprake was van de verdenking dat verdachte zijn eigen auto in brand had gestoken, waargenomen. Tijdens die actie had hij gezien dat verdachte in een gehuurde zwarte Peugeot 108 reed met opvallende rode spiegelkappen.8 Een verbalisant die de videobeelden zonder voorinformatie analyseert en bewerkt concludeert dat het gaat om een Peugeot 108, donker van kleur, voorzien van zogenaamde asymmetrische velgen en dat de tint van de rechter buitenspiegel mogelijk van een andere kleur (lichter) is dan de kleur van de carrosserie.9 Mede gelet op de afwijkend gekleurde spiegels en het unieke profiel van de velgen oordeelt de politie dat het gaat om een speciale uitvoering van de Peugeot 108, een zogenaamde Envy. De auto die verdachte in de periode van de brandstichting heeft geleased, betrof een zwarte Peugeot 108 Envy met rode spiegelkappen en asymmetrische velgen en voorzien van het kenteken [kenteken 4].10 Uit een uitgebreid onderzoek naar gebruikers van dit type auto, waarbij uit de beelden van de brandstichting bleek dat de kentekenplaten 423 R of 423 K in het midden hadden staan, bleek dat slechts 3 kentekens overeenkomsten vertoonden met genoemde combinatie. Deze kentekens vielen buiten de in het onderzoek getrokken “50 kilometer grens rondom de plaats delict”. Ook overigens kwamen er uit onderzoek geen aanwijzingen naar voren dat de tenaamgestelden van deze auto’s dan wel de gebruikers van deze auto’s op de pleegdatum op of in de directe omgeving van de plaats delict waren geweest.11 Uit onderzoek blijkt voorts dat verdachte kort voor de brandstichting in een shop van een tankstation aan de A-1 in Holten (Shell) is geweest, niet ver van de plaats delict. Hij reed daar op 13 februari 2016 om 00.03 uur weg richting snelweg in een zwarte personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 4].12 Om 00.28 uur liep verdachte de shop van het tegenovergelegen BP-tankstation binnen, welke shop hij om 00.41.50 verlaat.13 Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 februari 2017 verklaard, dat hij op weg naar Holten door Rijssen was gereden. Van zijn verblijf in de tankstations werden foto’s gemaakt. Hij draagt op die foto’s een jas met drukknopen en onder meer een borstzak.14 De verbalisant die de filmopnames van de brandstichting analyseert, constateert dat de dader is gekleed in een jas met drukknopen; op de jas is aan de linkerkant een borstzak zichtbaar.15

De door verdachte gebruikte Peugeot wordt inbeslaggenomen en er is forensisch onderzoek aan gedaan. Op de mat aan de bijrijderszijde wordt een hoge concentratie vluchtige organische stoffen aangetroffen. Voorts worden er brandresten op de tegels voor de woning van de burgemeester aangetroffen, waarvan monsters worden genomen.16 Het NFI concludeert dat het bij beide monsters gaat om vluchtige stoffen die afkomstig zijn van motorbenzine.17 In een nader NFI-onderzoek concludeert de deskundige dat – na vergelijking van de monsters – het waarschijnlijker is dat de motorbenzine in de brandresten en de auto mat een gezamenlijke herkomst hebben dan dat de motorbenzine geen gezamenlijke herkomst hebben.18

De rechtbank heeft tijdens de zitting van 17 februari 2017 de camerabeelden van de brandstichting, afkomstig van twee camera’s met verschillende perspectieven, een aantal keren achtereen getoond, waarbij de voorzitter van de rechtbank in het bijzonder gewezen heeft op het figuur en de bijzondere – enigszins stijve – motoriek van de brandstichter. Vervolgens heeft de rechtbank verdachte geobserveerd terwijl hij op verzoek van de voorzitter opstond en duidelijk zichtbaar voor de leden van de rechtbank door de zittingszaal liep. Uit deze eigen waarneming leidt de rechtbank af dat verdachtes postuur, zijn typerende, wat houterige motoriek en de wijze waarop hij zijn voeten neerzet – waarbij de voeten en de knieën enigszins naar buiten wijken – sterk overeenkomen met de persoon die op de camerabeelden te zien is en de wijze waarop deze persoon zich beweegt.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat verdachte de brandstichting heeft gepleegd. De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake was van levensgevaar voor de in de betreffende woning slapende burgemeester en zijn vrouw en gemeen gevaar voor die woning en de inboedel. Dat blijkt uit voornoemd sporenonderzoek, waarin wordt gesteld dat het vuur zich had kunnen uitbreiden via de ruit van het keukenraam en de dakgoot en het achtergelegen dakbeschot19, terwijl de bovenste verdieping helemaal met hout bedekt is en het dak van de woning gedeeltelijk met riet bedekt is.20

5.2

Feit 2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie meent dat wettig en overtuigen bewezen is dat verdachte de auto’s in brand heeft gestoken, aangezien de werkwijze bij deze brandstichtingen hetzelfde is – er wordt telkens een voorwerp met brandende vloeistof op het dak en de voorruit aangetroffen – terwijl de auto van verdachte vlakbij staat maar twee keer vlak voor een brand wordt verplaatst: daarna wordt deze auto weer teruggezet. De laatste auto die in brand wordt gestoken is van verdachte zelf. Uit camerabeelden blijkt dat een man de deuren van de auto opent, iets uit de auto pakt en dat op het dak van die auto plaatst. Bij aankomst van de politie blijken de deuren van de auto weer gesloten, waaruit valt af te leiden dat de persoon die zichtbaar is op de beelden verdachte moet zijn geweest. Daarbij hebben getuigen een (oudere) man bij de auto van verdachte gezien.

De raadsvrouw bepleit dat verdachte vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Als al kan worden bewezen dat verdachte zijn eigen auto in brand heeft gestoken dan was er geen gemeen gevaar voor andere auto’s of goederen dan wel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten. Dat geldt ook voor wat betreft de andere twee auto’s. Alle drie de auto’s stonden geparkeerd op een vrijwel lege parkeerplaats. Verdachte kan bovendien niet worden gelinkt aan de eerste twee autobranden en kan niet herkend worden van de camerabeelden die betrekking hebben op het in brand steken van verdachtes auto. Tenslotte is er geen sprake van eenzelfde werkwijze.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van het in brand steken dan wel vernieling door verdachte van de auto’s van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Voorts blijkt uit het dossier niet dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen (anders dan de in brand gestoken auto’s) of levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.

Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 februari 2016 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk brand heeft gesticht bij een woning ( [adres] ) door een voorwerp in brand te steken en dat brandende voorwerp tegen die woning te gooien, ten gevolge waarvan een vogelhuisje en een raamkozijn en een ruit gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die woning en de inboedel van die woning en levensgevaar voor [slachtoffer 1] en de echtgenote van die [slachtoffer 1] en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] en de echtgenote van die [slachtoffer 1] te duchten was.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 157 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Volgens de officier van justitie betreft het een zeer ernstig feit dat zeer veel impact heeft gehad op niet alleen de gemeente Rijssen/Holten, maar vooral op het privéleven van de burgemeester en zijn gezin. Het feit heeft hen zeer veel angst aangejaagd nu verdachte in staat is gebleken om niet alleen brieven te sturen, de burgemeester telefonisch te bedreigen en hem te stalken, maar dat hij in ook in staat was de daad bij het woord te voegen en daadwerkelijk een gevaar voor het leven van de burgemeester en zijn gezin te vormen. In de rapportage die over verdachte is opgemaakt tijdens zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum (PBC), wordt geadviseerd om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Zonder passende zorg en gestructureerde setting wordt het recidiverisico ingeschat als matig hoog. Aangezien verdachte alle vormen van verplichte behandeling en begeleiding afwijst wordt de kans dat verdachte zich aan de behandeling zal onttrekken als hoog aangemerkt. Gelet hierop is naar de mening van de officier van justitie, naast een gevangenisstraf van twee jaar, het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging aangewezen. Vanuit daar zou moeten worden gewerkt naar een passende vorm van verblijf in de toekomst.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de onlangs verschenen PBC-rapportage onder meer blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, maar ook dat hij lijdt aan een vorm van dementie. Vanwege deze dementie wordt een aanvullend onderzoek zinvol geacht. De raadsvrouw acht dat nadere onderzoek noodzakelijk, dat bijvoorbeeld zou kunnen plaatsvinden in een in dementie gespecialiseerd ziekenhuis. Denkbaar is dat men dan over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte tot andere bevindingen komt. Aangezien dementie alleen maar slechter kan worden dient verdachte bij een veroordeling een passende woonvorm te krijgen. De Tbs-setting is ongeschikt voor verdachte nu daar andere criteria gelden en men daar niet in staat is om een dementerende patiënt adequaat te begeleiden. Volgens de raadsvrouw is verdachte bereid om zich in het kader van een reclasseringstoezicht aan allerlei voorwaarden te houden. De raadvrouw verzoekt om aanhouding teneinde deskundigen in de gelegenheid te stellen om te bezien of verdachte enige ruimte voor vrijheid kan worden geboden, zodat hij zijn leven buiten de detentie om vorm kan geven.

De strafoverwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Ernst van het feit

Verdachte heeft vanwege zijn frustratie over de beëindiging van zijn discotheek in de jaren tachtig een molotovcocktail in de richting van de uit onder meer hout opgetrokken woning van de burgemeester van Rijssen-Holten, voorzien van een deels rieten dak, gegooid. De fles gevuld met, licht ontvlambare, benzine met daarin een brandende doek, is tegen een vlakbij de woning staand vogelhuisje terecht gekomen dat vlam vatte, waarna een thermopane ruit van de keuken is gebarsten en het houten raamkozijn zwart geblakerd is. In de woning bevonden zich twee slapende personen, te weten de burgemeester en zijn vrouw. Door zijn handelen heeft verdachte groot gevaar veroorzaakt voor de burgemeester en zijn vrouw. Dat de woning niet geheel in brand is geraakt, is niet de verdienste van verdachte geweest. Als de brand zich verspreid had over de rest van de woning dan waren de gevolgen van het handelen van verdachte mogelijk veel ernstiger geweest. Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het gebeuren een enorme impact op de slachtoffers heeft gehad en nog steeds heeft. Brandstichting versterkt bovendien de algemene gevoelens van onveiligheid en angst in de maatschappij. Daar komt bij dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij onder meer in 2014 is veroordeeld voor belaging van de burgemeester van Rijssen-Holten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met betrekking tot de leden van het college van Burgemeester en Wethouders en andere medewerkers van de gemeente Rijssen-Holten. Voorts is hij in 2011 veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het slachtoffer een werknemer met een publieke taak betrof.

Rapportage

De rechtbank heeft bij de bepaling welke straf aan verdachte moet worden opgelegd verder acht geslagen op de in het kader van zijn plaatsing in het PBC op 9 februari 2017 opgemaakte dubbelrapportage, opgemaakt door de psychiater A.E. Grochowska en de klinisch psycholoog B.H. Boer. Uit de rapportage blijkt dat er bij verdachte – die tegenover rapporteurs bekende zich schuldig te hebben gemaakt aan de brandstichting - sprake is van forse geheugenstoornissen voor verbale en non-verbale informatie en een stoornis in het executief functioneren. Ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van deze stoornis, dementie niet anderszins omschreven. Doordat betrokkene het conflict met de gemeente niet goed kon loslaten, zat hij vast in zijn boosheid, obsessieve gedachtegangen en gedrag. Tevens zijn er aanwijzingen voor een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling en problematisch psychosociaal functioneren binnen intieme relaties en het gezin. Er kan gesproken worden van antisociale trekken (hedonisme, opportunisme, bedrieglijke levensstijl) en narcistische persoonlijkheidstrekken. Op basis van de screening met behulp van de PCL-R is er sprake van psychopathische trekken. Geadviseerd wordt om hem als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive wordt binnen een gestructureerde setting als laag ingeschat, en matig tot hoog op langere termijn, na vrijlating zonder passende zorg. De deskundigen constateren dat betrokkene alle vormen van verplichte behandeling en begeleiding pertinent afwijst. De kans dat hij zich aan een behandeling zal onttrekken en zich niet zal binden aan afspraken en geneigd is een zwervend bestaan te leiden waarin hij moeilijk te traceren is, achten de deskundigen hoog. De kans op herhaling wordt zodanig hoog geacht dat, met het oog op het terugdringen van het recidivegevaar, het opleggen van een tbs-maatregel geïndiceerd is.

Toerekeningsvatbaarheid

Gelet op de rapportages van de deskundigen, zoals hiervoor besproken, en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Aanhoudingsverzoek

Uit de rapportage volgt dat de kans dat verdachte zich zal onttrekken aan een behandeling en zich niet zal binden aan afspraken als hoog wordt ingeschat. Alleen binnen een gestructureerde setting achten de deskundigen de kans op recidive laag. Nu niet valt in te zien wat het door de raadsvrouw beoogde onderzoek aan de kans op herhaling en de daarmee samenhangende setting zou kunnen veranderen passeert de rechtbank het

aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank overweegt dat – gelet op voornoemde conclusies van de deskundigen – aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Bij verdachte was tijdens het begaan van het feit sprake van een ziekelijke stoornis. Het bewezen verklaarde is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Bovendien eist naar het oordeel van de rechtbank de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel.

De rechtbank overweegt verder dat sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Een terbeschikkingstelling met voorwaarden biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende waarborgen voor het indammen van het gevaar voor herhaling tot een aanvaardbaar niveau, gezien de ernst van verdachtes problematiek, de vooralsnog moeilijk te schatten duur van behandeling en de ernst van het ten laste gelegde feit. De verwachting van de rechtbank is bovendien dat het – gelet op de bij verdachte geconstateerde dementie – bijna uitgesloten is dat verdachte zich nu en in de (nabije) toekomst aan voorwaarden kan houden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een langdurige intensieve behandeling met het oog op het terugdringen van de hoge recidivekans in een gedwongen kader noodzakelijk. Indien verdachte niet op adequate wijze wordt behandeld, is het risico op recidive onaanvaardbaar hoog en wordt de maatschappij hiertegen onvoldoende beveiligd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis bestond, het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd te zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het opzettelijk plegen van brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

Ten slotte zal de rechtbank, naast de terbeschikkingstelling met dwangverpleging, teneinde recht te doen aan de ernst van het feit, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 15 maanden, met aftrek van het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

9 De schade van benadeelden

Omdat verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken dienen de vorderingen van de benadeelde partijen:

  • -

    [slachtoffer 2] en

  • -

    [slachtoffer 3]

niet-ontvankelijk te worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten een door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij onherroepelijk geworden arrest van 16 september 2014 opgelegde gevangenisstraf van vier maanden (parketnummer 21-008495-13).

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat die vordering moet worden toegewezen. Immers, gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14g, 27, 37a, 37b en 38e Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    feit 1: het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats], niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3] , wonende te [woonplaats], niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 21-008495-13

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, te weten van een gevangenisstraf van vier (4) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. C.C.S. Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.

Buiten staat

Mr. Jordaans en mr. Heijink zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden (1 tem. 388) uit een ordner van de regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, waarvan de rug onder meer vermeldt: “GOUDBERK Proces-dossier”, gedateerd 10 mei 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] d.d. 15 februari 2016 (blz. 140 en 141).

3 Het proces-verbaal sporenonderzoek, opgemaakt door [verbalisant], d.d. 20 april 2016 (blz. 152 en 153).

4 Het proces-verbaal bevindingen d.d. 13 februari 2016 (blz. 145).

5 Het proces-verbaal ambtelijk verslag d.d. 10 mei 2016 (blz. 11 onder “Camerabeelden”).

6 Het proces-verbaal PV Bevindingen uitkijken camera Burgemeester Rijssen d.d. 1 maart 2016 (blz. 149 en 150).

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 mei 2016 (blz. 147).

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2016 (blz. 148).

9 Het proces-verbaal Bevindingen d.d. 28 april 2016 (blz. 229).

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2016 (blz. 195 en 196).

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2016 (blz. 194 en 195).

12 Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken beelden Shell [eigenaar] d.d. 16 februari 2016 (blz. 213).

13 Het proces-verbaal van bevindingen beelden BP d.d. 17 februari 2016 (blz. 219).

14 Het proces-verbaal ambtelijk verslag d.d. 10 mei 2016 (blz. 24).

15 Het proces-verbaal PV Bevindingen uitkijken camera Burgemeester Rijssen d.d. 1 maart 2016 (blz. 150).

16 Het proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige d.d. 29 februari 2016 (blz. 247).

17 Een “Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen d.d. 8 april 2016 (blz. 260 en 261).

18 Een “Rapportage over vergelijkend motorbenzine onderzoek” d.d. 4 mei 2016 (blz. 272).

19 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 20 april 2016 (blz. 153).

20 Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 25 februari 2016 (blz. 162).