Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:900

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
08.730565-16 en 08.181984-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 30-jarige man tot 15 maanden celstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. De man is schuldig aan het stichten van twee branden in een appartementencomplex in Zwolle waar hij destijds woonde en enkele vernielingen. De man is verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.730565-16 en 08.181984-16 (P)

Datum vonnis: 28 februari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de PPC te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2017 (nadat de zaak met parketnummer 08.181984-16 op 28 november 2016 door de politierechter is verwezen naar de meervoudige kamer). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. E.M. van Zuuk, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlasteleggingen

Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de bij dagvaarding met parketnummer 08.181984-16 ten laste gelegde feiten als 6 en 7.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: twee branden heeft gesticht in een appartementencomplex;

feit 2: twee ruiten heeft vernield;

feit 3: de standaard van een fiets heeft vernield;

feit 4: een tuintafel en een schuttingdeur heeft vernield;

feit 5: afvalcontainers heeft beschadigd;

feit 6: een fiets heeft weggemaakt;

feit 7: een deur heeft beschadigd;

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 november 2016 te Zwolle opzettelijk brand heeft gesticht in een woning en/of kelder (van een appartementencomplex) (gelegen aan de [adres 1] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid hout en/of papier in brand gestoken, in elk geval opzettelijk(open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

voornoemde woning en/of kelder en/of appartementencomplex en/of de zich daarin

bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de zich op dat moment in genoemd gebouw bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 12 november 2016 te Zwolle (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van de voordeur en/of bij de lift), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [woningstichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 11 november 2016 tot en met 12 november 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een (standaard van een) fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 22 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een (plastic) tafel en/of een schuttingdeur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.

hij in of omstreeks de periode van 2 september 2016 tot en met 5 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere (afval)containers, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt

6.

hij op of omstreeks 4 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een fiets (merk/type: Cortina Road Bike U4), in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft weggemaakt door de voornoemde fiets in een gracht, althans enige wateren, te gooien;

7.

hij op of omstreeks 4 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een deur, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [woningcorporatie] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, onder aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

De raadsvrouw heeft gesteld dat zij, net als de officier van justitie, tot de conclusie komt dat de feiten bewezen kunnen worden.

5.2

De overwegingen van de rechtbank

Net als de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de tenlastegelegde feiten sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 november 2016 te Zwolle opzettelijk brand heeft gesticht in een woning en kelder van een appartementencomplex gelegen aan de [adres 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid hout en papier in brand gestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning, kelder, appartementencomplex, de zich daarin bevindende goederen en levensgevaar voor de zich op dat moment in genoemd gebouw bevindende personen te duchten was;

2.

hij op 12 november 2016 te Zwolle telkens opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van de voordeur en bij de lift), toebehorende aan [woningstichting] , heeft vernield;

3.

hij in de periode van 11 november 2016 tot en met 12 november 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een standaard van een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft vernield;

4.

hij op 22 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een plastic tafel en een schuttingdeur, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft vernield;

5.

hij in de periode van 2 september 2016 tot en met 5 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk afvalcontainers, toebehorende aan [bedrijf] , heeft beschadigd;

6.

hij op 4 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een fiets (merk/type: Cortina Road Bike U4), toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft weggemaakt door de voornoemde fiets in een gracht, te gooien;

7.

hij op 4 september 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een deur, toebehorende aan [woningcorporatie] , heeft beschadigd.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

feit 2, 3, 4: telkens:

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

feit 5, 7: telkens:

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

feit 6

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, onder aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij Tactus, een klinische behandeling van maximaal 12 maanden bij FPK Assen, een ambulante behandeling daarna en opname in een instelling voor begeleid wonen en de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden.

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard zich te kunnen vinden in het voorstel van de officier van justitie en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.2

De gronden voor een straf of maatregel

De rechtbank zal aan verdachte de door de reclassering geadviseerde en door de officier van justitie gevorderde straf opleggen. De gronden voor deze beslissing zal de rechtbank hieronder weergeven.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zestal vernielingen/beschadigingen/ wegmaken van goederen van anderen. Dit zijn vervelende delicten waar de slachtoffers hinder en schade van ondervinden.

Veel ernstiger is het feit dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het stichten van twee branden in het appartementencomplex waarin hij destijds woonde en waar op dat moment de meeste bewoners lagen te slapen. Omdat de fikse rookontwikkeling tijdig werd ontdekt is het bij materiële schade gebleven.

Afgezien van een vernieling gepleegd in juni 2014 heeft verdachte een blanco strafblad. Er is een psychologische rapportage (d.d. 28 januari 2017) over de persoon van verdachte opgemaakt. GZ-psycholoog D.R. van der Velden en klinisch psycholoog J.A.M. Gresnigt hebben geconstateerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan sedativum- en alcoholafhankelijkheid en een angststoornis NAO. Daarnaast was er bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, te weten een borderline persoonlijkheidsstoornis met zijn oorsprong in een onveilige hechting in de vroege jeugd, waarbij een stagnatie in de sociale, emotionele en persoonlijkheids-ontwikkeling te zien is. Deze stoornissen hebben, in combinatie met het gebruik van alcohol en medicatie, zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. De psychologen concluderen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was.

De psychologen geven aan dat verdachte een structureel kwetsbare man is met een stagnatie in de sociale, emotionele en persoonlijkheidsontwikkeling. Verdachte toont motivatie voor behandeling om het recidiverisico te verminderen. Zijn denken, voelen en doen wordt sterk gedreven door basisonveiligheid en stagnatie in ontwikkeling. Hij wil zijn leven wel veranderen, maar het lukt hem nauwelijks. Hij wil bijvoorbeeld rust in zijn leven, maar het lukt hem niet zelfstandig zijn leven vorm te geven. Zonder adequate behandeling en ondersteuning blijft het recidiverisico hoog.

De psychologen adviseren een forensisch klinische behandeling in een FPK voor de duur van minimaal één jaar om tot meer stabilisatie van de forse psychiatrische problematiek te komen en hiermee samenhangend het recidiverisico te verminderen. Ook wordt verplicht reclasseringstoezicht geadviseerd.

Naast voornoemde rapportage van de psychologen heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het reclasseringsrapport van 10 februari 2017. De reclassering adviseert verdachte klinisch te behandelen in een FPK, daarna ambulant te laten behandelen door een GGZ instelling en hem begeleid te laten wonen en bij dit alles de meldplicht op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat met name de twee brandstichtingen met daarbij het gevaar voor mensenlevens een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Gelet op de bevindingen van de deskundigen en de conclusies die zij trekken over de verminderde toerekeningsvatbaarheid, is de rechtbank van oordeel dat van de op te leggen gevangenisstraf een groot deel voorwaardelijk moet zijn. Dit zal bij verdachte hopelijk werken als stok achter de deur om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden die de rechtbank in navolging van het advies van de reclassering aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal koppelen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 3] , wonende te [adres 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 300,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit reparatie van de fiets na opgelopen waterschade.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 6 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk en door de verdediging onvoldoende betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 300,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 6 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;
    feit 2, 3, 4: telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 5, 7: telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

feit 6 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich op eerste uitnodiging zal melden bij Tactus reclassering te Zwolle, of soortgelijke instelling, en zich vervolgens zal blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende maximaal 12 maanden zal laten opnemen in FPK Assen, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde, ten tijde van of na het afronden van het klinische behandeltraject, zich voor zijn psychische en verslavingsproblematiek onder behandeling zal stellen van een nader te bepalen GGZ instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt meewerken aan urinecontroles, voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde na het klinische behandeltraject zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang van RIBW, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

  • -

    draagt de reclassering op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , wonende te [adres 2] , van een bedrag van € 300,40 (zegge driehonderd euro en veertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2016;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 6 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2016, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 6 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.

Mr. Versteeg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Politie, Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, Districtsrecherche IJsselland, met nummer PL0600-2016559491 (feiten 1 tot en met 5) en Politie, Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, Basisteam Zwolle, met nummer PL0600-2016436132 (feiten 6 en 7). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 februari 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

Feiten 1 tot en met 5:

2. het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens [woningstichting] , pag. 7 en 8;

3. het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] namens [woningstichting] , pag. 10;

4. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pag. 15;

5. het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] namens [woningcorporatie] , pag. 17 en 18;

6. het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] namens [bedrijf] , pag. 20 en 21;

7. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pag. 24;

Feiten 6 en 7:

8. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [woningcorporatie] , pag. 1 en 2;

9. het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 3] , pag. 9.