Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:895

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
08/993097-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel heeft een 47-jarige man veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 240 uur voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzet- en inkomstenbelasting. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2017:909 voor uitspraak in zaak partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0633
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/993097-16

Datum vonnis: 13 februari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 januari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Heidema en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw

mr. L.I. Veenstra, advocaat te Assen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: handelend onder de naam [bedrijf 1] , al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk onjuist en/of onvolledig aangifte omzetbelasting heeft gedaan;

feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk onjuist en/of onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij (h.o.d.n. [bedrijf 1] ) tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 januari 2015 in de gemeente Apeldoorn en/of Ooststellingwerf, althans elders in Nederland, (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (maandelijkse) aangiften voor de omzetbelasting over de tijdvakken januari 2010 tot en met december 2014, (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur of de Belastingdienst te Apeldoorn electronisch binnengekomen aangiften omzetbelasting over de maanden januari 2010 tot en met december 2014 (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven,

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van

1 januari 2010 tot en met 28 mei 2015 in de gemeente Apeldoorn en/of Ooststellingwerf en/of Opsterland, althans elders in Nederland, (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(doc-008)

-aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, gedaan op 29 juli 2011 en 26 augustus 2011,

- aangifte inkomstenbelasting over 2011, gedaan op 24 juli 2012,

- aangifte inkomstenbelasting over 2012, gedaan op 4 juli 2013,

- aangifte inkomstenbelasting over 2013, gedaan op 14 augustus 2014,

- aangifte inkomstenbelasting over 2014, gedaan op 28 mei 2015,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft doen of laten doen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur of de Belastingdienst te Apeldoorn electronisch ingediende aangiften inkomstenbelasting over genoemde jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting aangegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toelicht aan de hand van zijn schriftelijk requisitoir.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft – conform haar pleitnota – betoogd dat verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad op de onjuistheid van de aangiften omzet- en inkomstenbelasting, ook niet in voorwaardelijke zin.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Algemeen

Verdachte heeft een eenmanszaak, [bedrijf 1] . Het betreft een zaak die opleidingen en trainingen verzorgt die vooral horeca gerelateerd zijn. Verdachte schakelt bedrijven in die voor hem de opleiders en trainers inschakelt om de trainingen en opleidingen te geven. Verdachte heeft zelf geen personeel in dienst.

Onderzoek Belastingdienst/Fiod

In oktober 2015 kondigt de Belastingdienst bij verdachte een boekenonderzoek aan naar onder meer de omzetbelasting over de periode januari 2010 tot en met december 2014, als ook de inkomstenbelasting over deze periode.

Tijdens het boekenonderzoek is naar voren gekomen dat voor het geven van BHV-cursussen, door verdachte facturen zijn verzonden waarop voor de betaling de privé bankrekening [rekeningnummer 1] van zijn partner [medeverdachte] de medeverdachte, staat vermeld. Dit bankrekeningnummer maakte geen deel uit van de door verdachte ten behoeve van zijn onderneming gevoerde administratie.

Tijdens het vervolg van de controle heeft de controleambtenaar aan verdachte en zijn partner gevraagd om alsnog de privé bankafschriften te overleggen over de jaren 2014 en 2015 alsmede de privé bankafschriften over de jaren 2009 tot en met 2013.

De controleambtenaar van de belastingdienst heeft aan de hand van de door verdachte overhandigde bankafschriften van [rekeningnummer 1] t.n.v. [medeverdachte] over de jaren 2010 tot en met 2014 opstellingen gemaakt in een excel spreadsheet.

Uit deze berekening blijkt dat het totale fiscale nadeel met het niet in de aangiften omzet- en inkomstenbelasting opnemen van de bedrijfsontvangsten binnengekomen op de privé bankrekening [rekeningnummer 1] van zijn partner [medeverdachte] € 254.344,- bedraagt.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij de omzet die in verband met zijn eenmanszaak in de jaren 2010 tot en met 2014 op de bankrekening van zijn partner [medeverdachte] was binnengekomen, niet heeft meegenomen in de aangiften omzetbelasting over deze periode. Volgens verdachte was in overleg met zijn accountant een splitsing doorgevoerd tussen de omzet die hij zelf draaide en die van de instructeurs. De omzet die verdachte zelf maakte moest verdachte op advies van de accountant op een andere bankrekening laten binnenkomen. Verdachte verzorgde zelf de bedrijfsadministratie en verwerkte deze in een boekhoudsysteem genaamd Exact MSdos. Ook de aangiften omzetbelasting werden door verdachte zelf ingevoerd en ingediend. Verdachte ging er naar eigen zeggen vanuit dat alle betalingen die op privé bankrekening [rekeningnummer 1] van [medeverdachte] binnenkwamen door de accountant ( [accountant] ) zouden worden meegenomen bij het opmaken van de jaarrekening, de aangiften inkomstenbelasting en eventuele suppletieaangiften omzetbelasting.

Verklaring van de heer [belastingadviseur] (belastingadviseur)

Volgens belastingadviseur [belastingadviseur] , werkzaam bij [accountant] , zijn door verdachte alleen de jaaroverzichten met het begin- en eindsaldo overgelegd en niet de individuele bankafschriften van de privé bankrekening van zijn partner. Verdachte heeft hem niet verteld dat hij omzet ontving op de privé bankrekening van zijn partner, welke omzet nog niet was verwerkt in de administratie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af dat in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2010 tot en met 13 januari 2015 meerdere onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Ook zijn meerdere onjuiste aangiften inkomstenbelasting gedaan over de periode 1 januari 2010 tot en met 28 mei 2015.

Om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen dient te worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het onjuist doen van de aangiften omzet- en inkomstenbelasting.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt hiertoe van het volgende:

  • -

    verdachte heeft er bewust voor gekozen om ongeveer de helft van zijn inkomsten in verband met zijn eenmanszaak [bedrijf 1] op de privé bankrekening [rekeningnummer 1] van zijn partner [medeverdachte] te laten binnenkomen;

  • -

    verdachte maakte een groot deel van deze inkomsten die binnenkwamen op de privé bankrekening van zijn partner vrijwel direct daarna over op zijn eigen bankrekeningnummer;

  • -

    verdachte hield door middel van deze werkwijze ongeveer de helft van zijn inkomsten buiten zijn bedrijfsboekhouding;

  • -

    verdachte heeft alle uitgaande facturen vernietigd waardoor controle op betaling van de omzetbelasting nagenoeg onmogelijk is geworden, terwijl hij als ondernemer verplicht is een administratie bij te houden en te bewaren in een voor de belastingdienst controleerbare boekhouding;

  • -

    verdachte heeft aldus met zijn handelwijze een vermenging tussen privé en bedrijf laten ontstaan, zonder dat dit administratief navolgbaar is;

  • -

    verdachte hield via boekhoudprogramma Exact MSdos zelf de boekhouding bij van zijn eenmanszaak en diende op basis hiervan zelf de aangiften omzetbelasting in bij de belastingdienst. Hij wist dat de privérekening van zijn partner [medeverdachte] niet werd meegenomen via dit boekhoudprogramma;

  • -

    hoewel hij eerder door de belastingdienst is aangesproken op het feit dat hij zijn omzetbelasting schatte, heeft verdachte deze werkwijze nimmer aangepast;

  • -

    verdachte is op ongereguleerde wijze met deze ten bate van het bedrijf binnengekomen gelden omgegaan door in privé als heer en meester over deze gelden te beschikken. Bovendien heeft verdachte hiervan riant geleefd en de gelden aangewend voor een verbouwing en de aanschaf van oldtimers.

De enkele omstandigheid dat verdachte zijn administratie jaarlijks naar een accountant bracht die vervolgens zijn aangifte inkomstenbelasting, eventuele suppleties aangifte omzetbelasting en de jaarrekening verzorgde, werkt niet disculperend. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte de accountant nimmer gewezen heeft op feit dat hij de helft van zijn inkomsten op de privérekening van zijn partner [medeverdachte] liet binnenkomen.

Verder heeft hij uitsluitend de jaaroverzichten met het begin- en eindsaldo aan de accountant overgelegd en niet de individuele bankafschriften van de Raborekening van zijn partner [medeverdachte] . Dit klemt temeer nu verdachte tijdens de controle van de belastingdienst zijn accountant gebeld heeft met de vraag of hij verplicht was de bankafschriften van de privé Raborekening van zijn partner [medeverdachte] over te leggen aan de belastingdienst. Bovendien had verdachte zicht op de al dan niet juistheid van de suppletieaangiften omzetbelasting, de aangiften inkomstenbelasting en de jaarrekening, nu deze, volgens verdachte zelf en bovendien zoals te doen gebruikelijk, werden ingediend nadat hij deze had geaccordeerd.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen - in elk geval - willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij telkens onjuist en onvolledig aangifte omzet- en inkomstenbelasting zou doen. Het onder 1 en 2 tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsverweren die de verdediging in dit verband heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Hij (h.o.d.n. [bedrijf 1] ) , in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 januari 2015 in Nederland opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (maandelijkse) aangiften voor de omzetbelasting over de tijdvakken januari 2010 tot en met december 2014, telkens onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op de bij de Inspecteur of de Belastingdienst te Apeldoorn elektronisch binnengekomen aangiften omzetbelasting over de maanden januari 2010 tot en met december 2014 (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven,

terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij in de periode van

1 januari 2010 tot en met 28 mei 2015 in in Nederlandtelkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

-aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, gedaan op 29 juli 2011

en 26 augustus 2011,

- aangifte inkomstenbelasting over 2011, gedaan op 24 juli 2012,

- aangifte inkomstenbelasting over 2012, gedaan op 4 juli 2013,

- aangifte inkomstenbelasting over 2013, gedaan op 14 augustus 2014,

- aangifte inkomstenbelasting over 2014, gedaan op 28 mei 2015,

onjuist heeft gedaan, althans heeft laten doen,

immers heeft verdachte opzettelijk op de bij de Inspecteur of de Belastingdienst te Apeldoorn elektronisch ingediende aangiften inkomstenbelasting over genoemde jaren telkens een te laag belastbaar bedrag, vermeld, althans doen laten vermelden

terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 68 en 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en feit 2

het misdrijf: telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuiste aangiften omzet- en inkomstenbelasting gedaan, hetgeen ertoe heeft geleid dat er voor een bedrag van ruim

€ 250.000,- te weinig belasting is geheven. Bovendien heeft verdachtes handelwijze veel extra werk voor de Belastingdienst tot gevolg gehad. Verdachte heeft daarmee de Nederlandse Staat en de samenleving benadeeld. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geven bij een benadelingsbedrag van € 250.000,- tot € 500.000,- een gevangenisstraf aan van 12 tot 18 maanden onvoorwaardelijk.

Hoewel, gelet op het benadelingsbedrag, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel aangewezen is, ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding in plaats daarvan de maximale taakstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat een langdurige gevangenisstraf verstrekkende gevolgen zou hebben nu verdachte een gezin heeft met nog minderjarige kinderen en hij de hoofdkostwinner is. Bovendien heeft verdachte een nog lopende legale onderneming en blijkt uit de justitiële documentatie dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Teneinde te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan soortgelijke strafbare feiten, zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opleggen met een proeftijd van drie jaar.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 en feit 2

het misdrijf: telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht (8) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M. Aksu en mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2017.

Buiten staat

Mr. Cenik is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD met nummer 57937, blz. 1 t/m 310 (ordner). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 januari 2017, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte:

Het klopt dat de op bladzijde 135 en verder van het proces-verbaal aangegeven bedragen niet in de omzetbelasting zijn betrokken. (…) De bedragen zijn op een aparte rekening binnengekomen. In 2009 hebben wij een kleine splitsing gemaakt om aan te geven wat ik draai aan omzet en wat de instructeurs draaien aan omzet. (…) Of ik de suppleties omzetbelasting en de aangiften inkomstenbelasting heb gecheckt? Nee, ik ben toch geen boekhouder of fiscaal jurist? (…) De facturen mochten vernietigd worden, ik moest alleen de inkoopfacturen bewaren. (…) Ik heb zelf de aangiften omzetbelasting gedaan. Een x-bedrag per maand, zodat we op een bepaald bedrag uitkomen aan het eind van het jaar. Ieder jaar gingen de mappen in een kist naar de accountant. De kist wordt neergezet bij de receptie, verder dan de receptie zijn wij nooit gekomen. Ik heb niet ieder jaar vermeld dat er ook omzet bij zat. Alles is begonnen in 2009. Er is inderdaad sprake geweest van privéstortingen voor een aantal verbouwingen, maar dat er oldtimers zijn gekocht spreek ik tegen. Er is er eentje van € 1000,- gekocht en eentje van € 2000,-.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 8 juni 2016, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte (V001-1, blz. 39-46)

V: Wat kunt u vertellen over de administratie en de facturatie?

A: “Ik doe de administratie. De administratie bestaat uit het opmaken van facturen voor debiteuren en het betalen van factureren van crediteuren. Vervolgens check ik de in- en verkoop facturen met de bankafschriften of geld betaald of ontvangen is. De betaalde of ontvangen facturen boek ik vervolgens in de geautomatiseerde administratie als kosten of omzet. En uiteraard boek ik ook de omzetbelasting van deze facturen.

(…)

Er is mij nooit een verzoek gedaan om de uitgaande facturen te bewaren nadat ze betaald zijn, deze heb ik dus vernietigd.

(…)

V: Door wie en op welke wijze werden de aangiften omzetbelasting over de jaren 2010 t/m 2014,voor eenmanszaak [bedrijf 1] , opgemaakt?

A: “De maandelijkse aangiften omzetbelasting doe ik zelf aan de hand van de digitale administratie. Ik keek in mijn administratie naar wat ik aan BTW moest betalen en dat ronde ik af naar boven op een rond bedrag. Ik deed dit om aan het einde van het jaar zo min mogelijk aan BTW te hoeven bij betalen. Ik dien de aangiften ook zelf in dit ging via de computer.”

V: Wat kunt u over deze aangiften verklaren?

A: “Zoals ik net ze aan de hand van de geautomatiseerde administratie heb ik gekeken naar de btw die door mij afgedragen moest worden. Hierin was de af te dragen en terug te ontvangen btw gesaldeerd. Dit gesaldeerde bedrag werd door mij naar boven afgerond op een rond bedrag. Dit bedrag zette ik op de aangifte als te betalen btw. Dus op de aangiften staan geen bedragen van voorbelasting en ook de vermelde omzetten komen niet overeen met de werkelijkheid omdat het systeem de omzet uitrekent op basis van de door mij aangegeven btw “.

Opmerking: Wij tonen u een uitdraai uit een systeem van de Belastingdienst (IKB)inzake uw

aangiften omzetbelasting en een deel suppletie over het jaar 2010 (DOC-OlO).

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Zoals ik eerder zei werd de door mij geboekte administratie naar [accountant] gebracht. Zij maakten aan de hand van deze geautomatiseerde administratie een herberekening voor de btw en maakten een suppletieaangifte omzetbelasting. [accountant] diende deze aangifte ook in nadat ik hem had geaccordeerd.”

Opmerking: Ten tijde van de controle door de Belastingdienst zijn de bankafschriften van de privé bankrekening van uw partner [medeverdachte] opgevraagd en door u overhandigd. Het betreft de afschriften van [rekeningnummer 1] over de periode 2009 tot en met het moment van controle in 2015.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Dat is de rekening waar ik geld heb laten binnenkomen van de door mij zelf verrichte

werkzaamheden die thuishoren bij mijn werkzaamheden voor mijn eenmanszaak [bedrijf 1] . Ik liet het op deze rekening binnen komen omdat ik het wilde scheiden van de overige opbrengsten. Ik gebruikte de privérekening van mijn vriendin omdat de Rabobank geen aparte tekening voor mij wilde openen omdat ik al genoeg had. Zij zeiden doe maar op de rekening van jouw vriendin. (…)

Opmerking: De controleambtenaar heeft aan de hand van de door verdachten overhandigde

bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [medeverdachte] over het jaar 2010 een opstelling gemaakt in een excel spreadsheet. Wij verbalisanten hebben van deze bedragen alleen die bedragen opgeteld die afkomstig waren van bedrijven met een vermelding van factuurnummer en/of een andere verwijzing naar de eenmanszaak en/of cursus/opleiding van verdachte [verdachte] .

2010

Over het jaar 2010 leverde dit een bedrag op van € 100.745,21 (DOC-002 pag 1 t/m 6) aan

vermoedelijk buiten de bedrijfsadministratie en de aangiften inkomsten- en omzetbelasting gelaten omzet.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Dit is het geld wat er is binnengekomen op de rekening van mijn vriendin waarvoor ik heb gewerkt.”

V: Wat kunt u zeggen over het overzicht en de daar op vermelde namen en bedragen verklaren?

A: “Dat zijn klanten van mij die ik heb gefactureerd.”

V: Wie is [verdachte] en van wie is bankrekening [rekeningnummer 2] ?

A: “Dat ben ik. Dat is mijn oude privérekening, daar is voor mij geld heen gegaan dat is voor mij om van te leven.”

V: In het jaar 2010 zien we op de bankafschriften van de privébankrekening [rekeningnummer 1] van [medeverdachte] regelmatig aanzienlijke contante opnamen, waar waren deze gelden aan besteed?

A: “Dat is gebruikt voor privé gebruik, we hebben oldtimers gekocht en ook verbouwd. Dit is aantoonbaar”.

2011

Opmerking: De controleambtenaar heeft aan de hand van de door verdachten overhandigde

bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [medeverdachte] over het jaar 2011 een opstelling gemaakt in een excel spreadsheet. Wij verbalisanten hebben van deze bedragen alleen die bedragen opgeteld die afkomstig waren van bedrijven met een vermelding van factuurnummer en/of een andere verwijzing naar de eenmanszaak en/of cursus/opleiding van verdachte [verdachte] . Over het jaar 2011 leverde dit een bedrag op van
€ 62.997,59 (DOC-003 pag. 1 t/m 3) aan vermoedelijk buiten de bedrijfsadministratie en de aangiften inkomsten- en omzetbelasting gelaten omzet.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Hierover kan ik hetzelfde verklaren als hiervoor over het jaar 2010. Dit zijn inkomsten van mij binnengekomen op de rekening van mijn vriendin [medeverdachte] . Er zijn bedragen uitgegaan naar mijn privérekening [rekeningnummer 2] .

V: Wie van wie is bankrekening [rekeningnummer 3] ?

A: “Dat zal ook een rekening van [medeverdachte] zijn. Dit zijn boekingen voor privézaken. Overigens alle boekingen vanaf deze rekening deed ik zelf via telebankieren.”

2012

Opmerking: De controleambtenaar heeft aan de hand van de door verdachten overhandigde

bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [medeverdachte] over het jaar 2012 een opstelling gemaakt in een excel spreadsheet. Wij verbalisanten hebben van deze bedragen alleen die bedragen opgeteld die afkomstig waren van bedrijven met een vermelding van factuurnummer en/of een andere verwijzing naar de eenmanszaak en/of cursus/opleiding van verdachte [verdachte] . Over het jaar 2012 leverde dit een bedrag op van
€ 93.479,62 (DOC-004 pag. 1 t/m 4) aan vermoedelijk buiten de bedrijfsadministratie en de aangiften inkomsten- en omzetbelasting gelaten omzet.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Hiervoor geld hetzelfde verhaal als ik hiervoor heb verklaard. Mijn inkomsten die binnenkomen op haar rekening, de namen op de lijst zijn bekende klanten van mij”

2013

Opmerking: De controleambtenaar heeft aan de hand van de door verdachten overhandigde

bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [medeverdachte] over het jaar 2013 een opstelling gemaakt in een excel spreadsheet. Wij verbalisanten hebben van deze bedragen alleen die bedragen opgeteld die afkomstig waren van bedrijven met een vermelding van factuurnummer en/of een andere verwijzing naar de eenmanszaak en/of cursus/opleiding van verdachte [verdachte] . Over het jaar 2013 leverde dit een bedrag op van
€ 84.526,38 (DOC-005 pag. 1 t/m 3) aan vermoedelijk buiten de bedrijfsadministratie en de aangiften inkomsten- en omzetbelasting gelaten omzet.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Hiervoor geld in totaal hetzelfde als de jaren 2010, 2011 en 2012.”

2014

Opmerking: De controleambtenaar heeft aan de hand van de door verdachten overhandigde

bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [medeverdachte] over het jaar 2014 een opstelling gemaakt in een excel spreadsheet. Wij verbalisanten hebben van deze bedragen alleen die bedragen opgeteld die afkomstig waren van bedrijven met een vermelding van factuurnummer en/of een andere verwijzing naar de eenmanszaak en/of cursus/opleiding van verdachte [verdachte] . Over het jaar 2014 leverde dit een bedrag op van
€ 83.135,-- (DOC-006 pag. 1 t/m 4) aan vermoedelijk buiten de bedrijfsadministratie en de aangiften inkomsten- en omzetbelasting gelaten omzet.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Hiervoor geldt hetzelfde als alle voorgaande jaren

V: Wie is [verdachte] en van wie is bankrekening [rekeningnummer 4] ?

A: “Dat is de effecten rekening, daar is privé geld heengegaan.”

V: Wij hebben in de geautomatiseerde administratie geconstateerd dat er veel privé stortingen hebben plaatsgevonden, waarom heeft u dit gestort en waar kwam dit geld vandaan?

A: “Ik zag dat er verliezen waren in de onderneming waardoor de bankrekening rood zou komen te staan. Om te voorkomen dat we rood zouden staan heb ik privéstortingen gedaan. Dit geld komt van de effectenrekening of van de rekening van [medeverdachte] wat ik heb doorgestort op mijn rekening. (…)

Opmerking verbalisanten: Er is door 2 verbalisanten van de FIOD een bezoek gebracht aan het kantoor van [accountant] te Drachten. Er is daar gesproken met de (voormalig) adviseur van verdachte [verdachte] te weten [belastingadviseur] . De heer [belastingadviseur] heeft o.a. het navolgende gezegd:

- De aangiften omzetbelasting van het bedrijf [bedrijf 1] door de heer [verdachte] zelf

werden ingediend bij de Belastingdienst; - De bedragen op deze aangiften veelal geschat waren;

- [accountant] , na afloop van een kalenderjaar, een suppletie aangifte

omzetbelasting opstelden en deze aan de klant verstrekten;

- De informatie voor deze suppletie aangiften uit de digitale administratie, Exact MSdos, van

verdachte [verdachte] afkomstig was. - Zij hadden geconstateerd dat er veel stortingen vanuit privé waren geweest naar het bedrijf; -

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 1 juni 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de getuige (G001-1, blz. 57-59)

V: Wat is uw functie en waaruit bestaan uw werkzaamheden?

A: “Ik ben controle medewerker inkomstenbelasting en omzetbelasting voor het MKB. Ik doe dat al sinds 1989.”

V: Wat kunt u verklaren over de controle bij de heer [verdachte] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ?

A: “Ik had bij de heer [verdachte] een volledig onderzoek omzetbelasting en inkomstenbelasting

aangekondigd voor de jaren 2009 t/m 2014 voor de inkomstenbelasting en voor de jaren 2011 t/m 2014 voor de omzetbelasting. Ik heb door een collega van mij de auditfiles van de heer [verdachte] zijn bedrijf laten ophalen. Voordat ik op controle ging zag in deze auditfiles al dat er veel privé stortingen waren geweest. Ik zag dat er veel privé stortingen werden aangegeven in de administratie. Verder had ik al geconstateerd dat de heer [verdachte] omzetbelasting aan het verschuiven was. Dit verschuiven was ook al tijdens een eerder onderzoek bij de heer [verdachte] naar voren gekomen. Blijkbaar had de heeft [verdachte] deze werkwijze niet aangepast. Ik bedoel dat de heer [verdachte] zijn aangiften omzetbelasting schatte en dit later middels een suppletie aangifte corrigeerde. Vervolgens ben ik op 4 november 2015 bezoek gegaan bij de heer [verdachte] thuis om daar de bedrijfsadministratie door te nemen. Toen ik bij hem thuis kwam had de heer [verdachte] zijn zakelijke administratie al voor mij klaar staan. De administratie bestond uit onder andere inkoop- en verkoopfacturen. Ik heb de heer [verdachte] gevraagd naar de privé administratie van hem en zijn vrouw. Van de heer [verdachte] kreeg ik direct zijn privé administratie maar van zijn vrouw niet. De heer [verdachte] gaf aan dat er in de jaren 2014 en 2015 het niet goed was gegaan en dat er omzet in binnengekomen op de privé bankrekening van zijn vrouw. De heer [verdachte] gaf aan dat de omzet welke door hem zelf is gemaakt op de privé bankrekening van zijn vrouw is gestort. De heer [verdachte] gaf aan hiervan een overzicht voor mij te maken en dit overzicht aan mij te zullen overhandigen. De heer [verdachte] gaf mij toen duidelijk aan dat dit in 2014 is begonnen. Mevrouw [medeverdachte] was ook bij deze opmerking aanwezig. Op 4 november 2015 heb ik van de heer [verdachte] een mailbericht ontvangen met daarin een opstelling van de door hem gemaakte omzet over 2014 die gestort was op de privé bankrekening van zijn vrouw. Dit betrof ruim 100.000 euro bruto. De dag erna kreeg ik van de heer [verdachte] een mailbericht met daarbij de door hem gemaakte omzet over 2015 wat op de bankrekening van zijn vrouw is gestort. Dit betrof ruim 44.000 bruto.

Opmerking verbalisanten: Door de heer Hoekstra zijn een aantal mailberichten tussen hem en de heer [verdachte] geprint en vrijwillig afgestaan voor het strafrechtelijk onderzoek. Later ben ik bij de heer [verdachte] thuis geweest voor een tussengesprek. De dag voor dit gesprek heb ik de heer [verdachte] gemaild en aangegeven dat de bankafschriften van mevrouw [medeverdachte] over de jaren 2009 t/m heden (2015) klaar moesten liggen voor mij. Toen ik kwam bij de heer [verdachte] lagen de bankafschriften over de jaren 2011 t/m 2014 voor mij klaar. Ik vroeg toen nog om de jaren 2009 en 2010. Mevrouw [medeverdachte] kwam nog met de bankafschriften over 2010 maar niet met het jaar 2009. Ik heb het daar toen bij gelaten. Later stuurde de heet [verdachte] mij via de post nog de bankafschriften van zijn vrouw over 2009 op. Tijdens dit tussengesprek is uiteraard ook met de heet [verdachte] gesproken over de door hem gemailde overzichten over de jaren 2014 en 2015. De heer [verdachte] gaf aan dat de omzet op de privé bankrekening van zijn vrouw niet in de administratie van zijn bedrijf was opgenomen maar de kosten die betrekking hadden op deze omzet wel in de zakelijke administratie was opgenomen. Op kantoor heb ik vervolgens de bankafschriften van mevrouw [medeverdachte] doorgenomen en de bedragen aan omzet per jaar opgeteld. Ik kwam er achter dat er al vanaf 2009 stortingen op de bankrekening van mevrouw [medeverdachte] binnen kwamen wat omzet betrof van de heer [verdachte] . Ik zag dat deze omzet niet was aangegeven in de aangiften omzetbelasting aangezien deze bedragen niet in de zakelijke administratie zaten. Ik heb de facturen van de niet aangegeven omzet niet gezien. Ik bedoel hiermee de omzet die op de privé bankrekening van mevrouw [medeverdachte] is gestort. Ik heb in de zakelijke administratie ook gezien dat er vanaf de bankrekening van mevrouw [medeverdachte] stortingen waren gedaan op de zakelijke bankrekening die als privé storting in de administratie werden verantwoord. Ook vanaf de heer [verdachte] zijn eigen bankrekening zijn volgens mij privé stortingen gedaan maar dat weet ik niet meer zeker. De heer [verdachte] heeft aangegeven dat hij zelf de administratie deed. Hij maakte de facturen op en boekte alles in zijn boekhoudprogramma Exact MSdos.

4.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [belastingadviseur] d.d. 20 juni 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de getuige (G002-1, blz. 60-63)

V: Kent u de heer [verdachte] en [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ?

A: “Ja, dat is een klant bij ons kantoor en ik ben de relatiebeheerder.

V: Wat was uw opdracht voor dezen, welke werkzaamheden voert of voerde u uit?

A: “Het samenstellen van de jaarrekening en het doen van de aangiften inkomstenbelasting van de heer [verdachte] en mevrouw [medeverdachte] .”

V: Welke informatie, administratie, stukken werden verstrekt en door wie?

A:. “ [verdachte] bracht zijn computer en daarop stond zijn MS exact voor DOS, zijn boekhoudprogramma. Hij gaf ook een doos met bankafschriften en facturen. De bankafschriften zakelijk zaten er wel in, de privérekeningen betroffen jaaroverzicht met de begin en eindsaldi.”

V: Wie hield de administratie bij, hoe en in welk programma?

A: “De administratie werd gedaan door [verdachte] in het bovengenoemde programma. [verdachte] diende zelfde aangiften omzetbelasting in. Aan het einde van het jaar leverde hij de gegevens aan voor het opmaken van de jaarrekening.”

V: Wie deed de aangiften omzetbelasting in de periode 2010 tot en met 2014 en wie diende ze in bij de Belasting dienst?

A: “De heer [verdachte] .”

V: Wie berekende en maakte de suppletie aangiften omzetbelasting over de periode 2010 tot en met 2014 aan de hand van welke gegevens en wie diende ze in?

A: “De suppletie maakten wij op, er waren nogal wat suppleties. Ik deed dit aan de hand van de door hem aangeleverde administratie. De suppletieaangiften stuurde ik dan in, de laatste van 2014 weet ik niet zeker meer.”

V: Heeft u dingen opgemerkt inzake de aangiften omzetbelasting die door [verdachte] zijn ingediend?

A: “Wij vroegen eerder nog de exacte gegevens op bij de belastingdienst om een aansluiting te maken wat nu werkelijk betaald was. Het viel wel op dat [verdachte] afgeronde bedragen in de aangiften opgaf. Daar is eerder ook al door de Belastingdienst met hem over gesproken dat staat volgens mij ook in het dossier. Wij hebben hem ook geadviseerd om het beter te doen.”

(…)

V: Heeft u de bankafschriften van de bankrekening [rekeningnummer 1] van [medeverdachte] over de jaren ontvangen en ingezien?

A: “Nee, ik heb alleen de jaaroverzichten gezien met het begin en eindsaldo. Ik heb niet de

individuele bankafschriften gezien.”

V: Heeft de heer [verdachte] u in de jaren 2010 tot en met 2014 bij het aanleveren van zijn gehele administratie waaronder de bankafschriften van de bankrekening [rekeningnummer 1] van J. [medeverdachte] , ooit medegedeeld dat hij omzet had ontvangen op de bankrekening van [medeverdachte] welke omzet nog niet was verwerkt in de geautomatiseerde administratie?

A: “Nee dat heeft hij nooit gezegd. [verdachte] heeft mij gebeld tijdens de controle van de Belastingdienst gebeld met de vraag of hij verplicht was de bankafschriften van zijn vriendin ook moest laten zien aan de Belastingdienst. Ik heb gezegd van wel als daar een gegronde reden voor is. [verdachte] vertelde dat op die rekening omzet was binnen gekomen die hij niet had aangegeven. Dit was voor de eerste keer dat hij mij dit vertelde. Ik had het nooit gezien en was niet op de hoogte dat er omzet was verzwegen.”

Opmerking verbalisanten: Wij tonen gehoorde een uitdraai van een e-mail bericht d.d. 4 november 2015, 21:29 (DOC-015), gericht aan [getuige] (Belastingdienst) meteen cc aan [belastingadviseur] . Het bericht vermeldt een bijlage “opgave [medeverdachte] 2014”. Kort zakelijk weergegeven schrijft [verdachte] dat in de bijlage alle omzetten van 2014 staan die door hem nog niet zijn doorgegeven aan de Belastingdienst. De BTW hierover zal nog moeten worden voldaan en 2015 volgt nog.

(…)

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: “Dit is inderdaad de volgende mail met de opgave over de verzwegen omzet uit 2015, deze zouden wij moeten meenemen in de jaarrekening. Dit hebben wij nog niet gedaan. Deze namen zijn van klanten denk ik. De omzet van de klanten aan wie hijzelf les gaf kwam binnen op de rekening van [medeverdachte] . Voor de duidelijkheid, ik wist niet dat hierop omzet binnenkwam. Dit kwam voor mij het eerst naar voren tijdens het telefoongesprek waarover ik net verklaarde en tijdens de controle van de Belastingdienst.”

Opmerking verbalisanten: [verdachte] is door ons gehoord, hem is onder andere een reactie gevraagd naar de afschriften van de privébankrekening van zijn partner [medeverdachte] over de periode 2009 tot en met de aanvang van het onderzoek. [verdachte] verklaarde onder meet het volgende:

“Deze inkomsten zijn niet door de accountant verwerkt in de jaarlijkse jaarrekening. Zij hebben wel inzicht gehad in deze rekening omdat ik alles, zoals gezegd aanlever. Zij moesten ook de aangifte van mijn vrouw doen, daarom hadden ze ook de bankafschriften van haar nodig. Zij moesten van mij ook kijken naar de afschriften kijken, ik heb gezegd dat er ook inkomsten op waren binnengekomen.

(…)

V: Wat is hierop uw reactie?

A: “Dit verbaast mij. Zoals ik net zei belde hij mij tijdens de controle van de Belastingdienst en heeft hij mij toen bekent dat er omzet verzwegen was. Ik heb de bankafschriften van mevrouw [medeverdachte] niet gezien en ik wist niet dat daar inkomsten op binnen waren gekomen die tot de omzet behoren. Volgens mij staat dit ook haaks op hetgeen in de mail staat. Bij de jaarrekening vragen wij de klant altijd of door hem alles juist en volledig is verstrekt. Hier moet ook door de klant voor getekend worden. Dit heeft de heer [verdachte] dus ook gedaan. En blijkbaar heeft hij ons dus niet volledig en juist geïnformeerd wat hij wel had moeten doen.”

5.

Nadeelberekening opgesteld door [inspecteur] , als Inspecteur werkzaam bij Belastingdienst kantoor Leeuwarden d.d. 21 juli 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende (AMB-004, blz. 37-38):

in de aangiften omzetbelasting over de periode maart 2010 tot en met mei 2014 en de aangiften inkomstenbelasting over 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 ten name van:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum]

Woonplaats : [adres]

Adres : [adres]

Functie : ondernemer

BSN : [sofinummer]

vermoedelijk omzet die door de heer [verdachte] is gegenereerd met geven van BHV-cursussen niet is aangegeven, tijdens een boekenonderzoek door de Belastingdienst naar voren is gekomen dat voor het geven van BHV-cursussen door de heer [verdachte] facturen zijn verzonden met vermelding van het bankrekeningnummer van de partner van de heer [verdachte] , mevrouw [medeverdachte] dit bankrekeningnummer, [rekeningnummer 1] , geen deel uitmaakte van de door de heer [verdachte] ten behoeve van zijn onderneming gevoerde administratie, aan de hand van de door de heer [verdachte] overhandigde afschriften van de hiervoor genoemde bankrekening over de jaren 2010 t/m 2014 en de daarin voorkomende creditbedragen met vermeldingen van factuurnummers, verwijzingen naar de eenmanszaak en/of cursus/opleiding van de heer [verdachte] , vermoedelijk de volgende bedragen buiten de bedrijfsadministratie en de aangiften omzet- en inkomstenbelasting zijn gelaten:

2010 € 100.745,21

2011 € 62.997,59

2012 € 93.479,62

2013 € 84.526,38

2014 € 83.135,00,

hierdoor het volgende nadeel omzetbelasting is ontstaan in

2010 (19/119 van ontvangen bedrag) € 19.142

2011 (19/119 van ontvangen bedrag) € 11.970

2012 (19/119 van ontvangen bedrag) € 14.835 (Um september)

2012 (21/121 van ontvangen bedrag) € 3.235 (v.a. oktober)

2013 (21/121 van ontvangen bedrag) € 17.751

2014 (21/121 van ontvangen bedrag) € 17.458

Totaal nadeel omzetbelasting € 84.390,

- hierdoor het volgende nadeel inkomstenbelasting is ontstaan in jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014:

Ontvangen bedragen verminderd met daarin begrepen omzetbelasting (= netto omzet)

2010 t/m 2014 € 424.884

Gemiddeld IB-tarief x 40%

Totaal nadeel inkomstenbelasting € 169.954,

- het totale fiscale nadeel met het niet in de aangiften omzetbelasting en de aangiften

inkomstenbelasting opnemen van de bedrijfsontvangsten van de heet [verdachte] die zijn

binnengekomen op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] als volgt is berekend:

Nadeel omzetbelasting 2010 t/m 2014 € 84.390

Nadeel inkomstenbelasting 201 t/m 2014 € 169.954

Totaal fiscaal nadeel € 254.344