Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:854

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
5170708 \ CV EXPL 16-4651
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over declaratie van een advocaat na intrekking van de verleende toevoeging door de raad voor rechtsbijstand. Beroep op verjaring faalt. Vordering is pas opeisbaar geworden na het definitief worden van de intrekking van die toevoeging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5170708 \ CV EXPL 16-4651

Vonnis van 21 februari 2017

in de zaak van

MARJOLEIN CUPIDO, HANDELEND ONDER DE NAAM CUPIDO ADVOCATUUR,
wonende te Hardenberg,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M. Cupido,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [plaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R.J.G. Peters namens Stichting Univé Rechtshulp.

Partijen worden hierna aangeduid als Cupido en [gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Cupido heeft [gedaagde] als advocaat vertegenwoordigd gedurende haar echtscheidingsprocedure in 2008. Nadat [gedaagde] de advocatenkosten had betaald tot een bedrag van € 4.433,45, heeft Cupido voor haar een toevoeging aangevraagd en verkregen van de Raad voor Rechtsbijstand. Daarbij heeft Cupido aan [gedaagde] gemeld dat op basis van het verwachte resultaat van de procedure de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand zou worden ingetrokken, zodat [gedaagde] alsnog de kosten van rechtsbijstand op basis van het uurtarief van Cupido zou moeten voldoen (productie 9 bij repliek). De echtscheiding is ingeschreven op 7 augustus 2008.

2.2.

Op 27 maart 2013 heeft Cupido de Raad voor Rechtsbijstand geïnformeerd over de afwikkeling van de echtscheidingsprocedure, onder toezending van de beschikking van de rechtbank waarin die afwikkeling is vermeld. De verleende toevoeging is op 17 juli 2013 ingetrokken. [gedaagde] heeft tegen die beslissing bezwaar en beroep aangetekend. Het beroep is op 15 juli 2014 afgewezen door de rechtbank Arnhem.

2.3.

[gedaagde] heeft van Cupido een factuur ontvangen op 31 oktober 2014, waarmee Cupido de kosten van de verleende rechtsbijstand alsnog aan [gedaagde] factureerde tot een bedrag van € 13.992,66 (op basis van haar uurtarief ad € 170,- exclusief 6% kantoorkosten en 19% btw). Op 5 maart 2015 heeft Cupido een creditfactuur van € 4.433,45 aan [gedaagde] verzonden.

3 Het geschil

3.1.

Cupido vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.500,00 tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juni 2016 tot de dag der algehele voldoening,

II. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

Cupido legt aan haar vordering ten grondslag de onbetaald gebleven factuur van 31 oktober 2014, minus de creditfactuur van 5 maart 2015. Zij matigt de vordering om haar moverende redenen tot een bedrag van € 7.500,00.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

Als meest verstrekkende verweer voert [gedaagde] aan dat Cupido in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Cupido drijft haar onderneming sinds

1 juli 2011. De declaraties waarop de vordering gebaseerd is, zijn niet gebaseerd op werkzaamheden in de periode dat Cupido haar huidige onderneming drijft. [gedaagde] wist niet dat Cupido de uitoefening van haar praktijk zou voortzetten als eenmanszaak.

4.2.

Cupido stelt hiertegenover dat de toevoeging voor gefinancierde rechtsbijstand aan haar als natuurlijk persoon is verstrekt. Cupido kan de toevoeging verzilveren en [gedaagde] dagvaarden, nu de toevoeging is ingetrokken en [gedaagde] weigert de nota te betalen.

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat aan Cupido als natuurlijk persoon, in de uitoefening van haar beroep als advocaat, een toevoeging is verstrekt ten behoeve van rechtsbijstandverlening aan [gedaagde] . De door eenmanszaak Cupido Advocatuur verzonden facturen hebben ook betrekking op werkzaamheden die Cupido in haar hoedanigheid als advocaat heeft verricht. Een eenmanszaak is geen rechtspersoon in de zin van artikel 2:3 BW, en is juridisch geheel gelijk te stellen met de natuurlijke persoon wiens eenmansbedrijf het betreft. Daarom faalt het verweer dat Cupido, handelend onder de naam Cupido Advocatuur, niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Verjaring

4.4.

[gedaagde] stelt dat de vordering van Cupido verjaard is. [gedaagde] beroept zich primair op analoge toepassing van de verjaring van artikel 7:28 BW (verjaringstermijn van twee jaar) en subsidiair op artikel 3:307 BW (verjaringstermijn van vijf jaar). Cupido betwist gemotiveerd dat sprake is van een verjaarde vordering.

4.4.

[gedaagde] onderbouwt op geen enkele manier waarom er aanleiding zou zijn om de bepalingen van consumentenkoop op de overeenkomst tussen Cupido en [gedaagde] toe te passen. De kantonrechter ziet dan ook – mede in het belang van de rechtszekerheid – geen grond voor analoge toepassing van artikel 7:28 BW buiten de specifieke gevallen waarvoor dit artikel bedoeld is en gaat uit van toepasselijkheid van de verjaringstermijn van 5 jaar, genoemd in artikel 3:307 lid 1 BW.

4.5.

Artikel 3:307 lid 1 BW bepaalt:

“Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.”

4.6.

De kantonrechter moet de vraag beantwoorden op welke dag de vordering opeisbaar is geworden. In dit geschil staat vast dat de toevoeging is ingetrokken en dat die intrekking definitief is geworden in of kort na juli 2014. Pas op dat moment stond vast dat [gedaagde] de kosten van de verleende rechtsbijstand zelf zou moeten betalen. Naar het oordeel van de kantonrechter werd de vordering in de omstandigheden van dit geval dus opeisbaar in of kort na juli 2014. Dat betekent dat de verjaringstermijn is aangevangen in of kort na juli 2014. De factuur van Cupido is verzonden in oktober 2014, zodat van een voltooide verjaring geen sprake is. De verdere stellingen van partijen over het al dan niet verjaard zijn van de vordering missen dan ook relevantie.

Rechtsverwerking/redelijkheid en billijkheid

4.7.

[gedaagde] betoogt dat Cupido in strijd met de betamelijkheid heeft gehandeld, door het initiatief tot verzilvering van de toevoeging pas te nemen in 2013. Cupido brengt hier tegenin dat zij juist netjes heeft willen handelen jegens [gedaagde] , door de toevoeging niet te declareren op een moment dat [gedaagde] (nog) geen middelen had om haar nota te voldoen.

4.8.

De kantonrechter begrijpt uit het betoog van [gedaagde] dat zij zich op rechtsverwerking beroept. De kantonrechter is – met [gedaagde] – van mening dat de periode waarin Cupido heeft gewacht met het declareren van de toevoeging ruim is. Er is voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking echter méér nodig dan enkel tijdsverloop (zie ook HR 29 september 1995, NJ 1996, 89). Zulke bijzondere omstandigheden zijn door [gedaagde] niet naar voren gebracht, terwijl Cupido voor de reden van het tijdsverloop een verklaring heeft gegeven. Daarom leidt het beroep op rechtsverwerking niet tot afwijzing van de vordering. Andere feiten of omstandigheden die zouden maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Cupido de factuur thans alsnog incasseert, zijn gesteld noch gebleken.

Hoogte vordering

4.9.

[gedaagde] bestrijdt de hoogte van de vordering en stelt dat de vordering gematigd dient te worden tot een bedrag van maximaal € 1.700,00. Cupido stelt dat de vordering reeds gematigd is tot een bedrag van € 7.500,00 en ziet geen grond voor verdere matiging van de factuur.

4.10.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet heeft onderbouwd op grond waarvan de hoogte van de factuur wordt betwist. Vast staat dat Cupido voor [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht. Deze werkzaamheden zijn gespecificeerd middels een urenregistratie, waarop de factuur gebaseerd is. De vordering van Cupido is lager dan hetgeen zij volgens de urenregistratie kan declareren. Gelet hierop en gezien voornoemde urenregistratie, waarin voor [gedaagde] te controleren specificaties zijn opgenomen, kan [gedaagde] niet volstaan met een algemene betwisting van de hoogte van de factuur zoals zij heeft gedaan. De kantonrechter passeert dit verweer van [gedaagde] daarom als onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.500,00 aan Cupido, te vermeerderen met de gevorderde en onweersproken wettelijke rente.

4.11.

De kantonrechter zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. De kosten aan de zijde van Cupido worden begroot op:

- dagvaarding € 80,77

- griffierecht € 223,00

- salaris advocaat € 500,00 (2,0 punten × tarief € 250,00)

Totaal € 803,77

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] aan Cupido te betalen een bedrag van € 7.500,00, te

vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 2 juni 2016 tot

de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Cupido begroot op € 803,77;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Haar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017.